De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

10 minuten leestijd

En zij allen veroordeelden Hem des doods schuldig te zijn. Marc. 14:64b.

Zie het Lam Gods.

„Daar is een tijd om te spreken en daar is een tijd om te zwijgen", legt de wijze koning. En gelukkig mag geprözen, die deze tijden op het juiste moment mag kiesen.

Een woord van pas werkt als 't medicijn, daarentegen wordt gesproken wanneer zwijgen geboden is, jaren loopen er vaak overheen voor het laatste spoor is uitgewischt.

De macht van het woord is heel groot. Wanneer ge de werking zien wilt moet ge u het bijbelwoord voor den geest roepen dat Jacobus u aan de hand doet in het 3e hoofdstuk.

„Zie een klein vuur, hoe groote hoop hout het aansteekt. De tong is ook een vuur".

Maar enkele oogenblikken en het is één groote vuurzee.

Zoo is de macht van het woord. Dat kleine lid roemt nochtans groote dingen. Een enkel woord zet in geestelijken zin een heele wereld in vlammen.

Spreken is dan ook een kunst, een groote kunst, die bijma niet geleerd kan worden.

Maar nu weet ik nog een kunst die veel grooter is, die nog veel moeilijker te leeren valt.

Ge raadt zeer denkelijk al wat ik bedoel: zwijgen.

Sprektn en zwijgen staan tot elkander als zilver en goud.

Wat een wijsheid, wat een zelfbeheersching, wat een moed behoort er vaak toe om te kunnen zwijgen.

Het kan er binnen zóó koken, zóó bruischen en zieden, zóó alles in vlammen staan, dat een woordenstroom het gemoed zou ontlasten — en toch is dan zwijgen opgelegd. We denken hierbij aan druk, aan beleediging, aan krenking ons aangedaan van den evenmensch.

Wat is het toch zoet zich te wreken. Wat smaakt hij toch heerlijk de zwijmel wijn van den toorn.

En toch is de nasmaak zoo bitter.

En toch ligt het vlak in tegen het gebod des Heeren: „ Wreekt uzelven niet, beminden, maar geeft den toorn plaats".

En nu is dit een waarheid, waartegen niemand uwer protesteeren zal om dit gebod in toepassing te brengen, daartoe behoort bizondere genade van boven, want het geldt: in handen van menschen is veel moeilijker dan in de hand van God.

Als Aaron op eenen dag twee van zijn zonen heeft zien nedervellen vlak voor het altaar door de eigen hand des Heeren, dan heeft hij genade noodig en verkregen, ais ge leest: „doch Aaron zweeg stille".

Maar als David, in zijn grijsheid verjaagd en achtervolgd door zijn eigen zoon Absalom Jeruzalem ontvlucht en Simei's vloek op zich hoort nederslingeren, dan behoort er dubbele genade toe om niet te zeggen „stopt hem den mond voor altijd, " werpt dien opstandeling benedenwaarts. Om dan te zeggen: «laat hem vloeken, de Heere heeft het hem geboden, " dat kan niet anders worden geleerd dan in het licht van Godes gerechtigheid en in de schaduw van eigen schuldig zich weten.

Om den Heere stille te zijn is wonderlijk, maar om den menach te zwijgen en dan zich geene schuld bewust, daarvoor weet ik geen naam.

Houdt deze gedachte nu eens vast, lezer, als we den Heere voor ons zien in den Joodschen Raad.

Dat treft wonderlijk samen, zegt ge; laat het me dadelijk verbeteren: dat wordt wonderlijk tezamen gebracht. De drager van het Oude Verbond, de laatste vertegenwoordiger staat hier van aangezicht tot aangezicht met den drager des Nieuwen Verbonds, twee Hoogepriesters, de éene naar de ordening van Aaron de andere naar de ordening van Melchizedek. De eerste een schaduw van den tweede

Kajafas wordt geroepen om het Lam ten doode te wijden. Als Hoogepriester moet hij zijn werk doen. Hij moet aanwijzen en overgeven. Meent niet dat hij er iets van begrijpt.

Johannes schrijft hiervan in het 11e hoofdstuk in 't 50ste vers, als hij dezen zelfden Kajafas in den mond legt: „gij bedenkt niét dat het ons nut is, dat eén mensch sterve voor het volk, en het geheele volk niet verloren ga." Hij voegt er zelfs dit aan toe: „en dit zeide hg niet uit zich aelven, maar zijnde de Hoogepriester van dat jaar profeteerde hij, dat Jezus sterven zoude voor het volk - en niet alleen voor dat volk, , maar opdat Hij ook de kinderen Gods die verstrooid waren tot één zou vergaderen."

Als Hoogepriester had hij geprofeteerd dat de Christus sterven zoude. Het offer moest gewijd, en wel door zijne hand.

Nu staat Hij voor hem. Het onderzoek moet ingesteld of ook eenig gebrek is te vinden. Vandaar het henenleiden van Hem naar den Raad.

De Hoogepriester moet het Paaschlam keuren. Die schuldige Raad met zijn nog schuldiger Hoogepriester moet de vierschaar spannen over den reinen Christus.

Wat een wereld vol tegenstelling: gruwel tegenover heiligheid.

En toch moet het geschieden.

O, als ge 't zien moogt, als ge den sluier ook maar even oplicht, dan merkt ge 't wonder. Dat reine, dat smettelooze Lam mocht niet hebben eenig gebrek, 't Kon met niets minder toe dan met het offer van den Eengeborene. Hy alleen kan voor God bestaan. Maar, zoo vraagt ge, dan die Raad en in de eerste plaats die Hoogepriester! Ja, dat zal hun schuld zijn, de bergenhooge schuld, dat ze Hem den dood hebben prijs gegeven. Die geene schuld heeft gekend.

Evenwel, wilt ge 't verstaan, zoo moet ge achter hen, boven hen een andere vierschaar zien, een hoogeren Rechter, den Heilige Zelf.

Deze roept hier Zijn schuldig volk naar voren en nu treedt de Borg in. 't Hoe — is u bekend, geheel in overeenstemming met de profetie, zwijgend: als een lam werd Hij ter slachting geleid en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzoo deed Hij Zijn mond niet open.

Wat voor getuigen ook worden opgeroepen en met welke aanklachten ze ook aankomen. Hij blijft het zwijgende Lam. Hij kan niet spreken. Zelfs als de Hoogepriester van zijn zetel oprijst, om door zijn verschijning nog meer kracht bij te zetten en met verheffing vraagt: antwoordt gij niets? wat getuigen dezen tegen u ? — dan staat daar zoo treffend: maar Hij zweeg stil en antwoordde niets.

Zwijgend staat het Lam voor den Hoogepriester. Men heeft gezocht, dit alles anders te verklaren en gezegd: de Heiland wist dat se Hem toch geen recht zouden doen vanwege hun valschheid en vijandpchap. Hij stond ala de Meerdere boven ben uit en zag van uit de hoogte op hen neder.

Hij verwaardigde zich niet hun een antwoord te geven.

't Moge waar zijn, 't een meer, 't ander minder, toch is hiermede de grond, de diepste grond niet aangegeven.

Weet ge, welke deze is: de Christus wist zich te allen tijde verbonden met Zijn volk, dat in het gerichte Gods moest verstommen.

En hoe diep krenkend dit alles nu ook mocht wezen, wat de Joodsche Raad Hem aandeed. Hij zag achter hen de bezoekende hand des Heeren. Hij zweeg als de vrijwilige Borg om Zijn volk den mond te ontsluiten.

Zij, die op duizend vragen niet één antwoord konden geven, stonden achter Hem. Zij, die niets dan aanklacht op aanklacht hoorden voortbrengen en daartegen niets konden aanvoeren dan: „dat alles is waar", die zagen Hem in hunne plaats zwijgen.

Wat een kostelijk Evangelie voor diegenen, die vanwege de kloppingen van hun conscientie verontrust zijn geworden, die hunne zonde hebben zien oprijzen hemelhoog, die in het gerichte Gods zichzelven telkens verplaatst hebben; als ze aan de hand des Geestes tot dien Borg mogen geleid worden, dan wordt dit zwijgen voor hen muziek, dan worden het hemelsche accoorden; in zijn zwijgen ligt mijn vrijspraak.

Dit was de tijd om te zwijgen. "Maar nu komt de tijd om te spreken.

De Hoogepriester raakt hoe langer hoe dieper in eigen garen verstrikt. Hij zoekt naar een uitweg. Hij zal er een vinden, maar de dienstknecht der leugen zal de waarheid vorderen op een eed.

De Christus, die nooit iets had gesproken, dat op onwaarheid geleek, wordt opgeroepen met: Ik bezweer u bij den levenden God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de Christus, de Zoon des Gezegenden Gods ? Alsof Hij alleen onder eede der waarheid zou getuigenis geven. Schrikkelijk, hemeltergend! Die God was, wordt bij den Naam Gods bezworen, door een mensch, door een leugenachtig wezen!

IJst het u niet tegen?

Ge zijt Spoedig thuis, als ge 't u een oogenblik wilt indenken, dat men u op een eed moet vorderen, om de waarheid te hooren.

Dat het anders niet vast staat.

Uw beweren wordt niet vertrouwd.

Vreemd, zegt ge, dat de Heiland hierop inging. Hier juist zou ik gedacht hebben, dat Hij zoude zwijgen. Wonderlijk, dat Hij hier Zijn mond opent.

Neen, niet wonderlijk, als ge 't verband maar weer leert kennen. Zweeg Hij zooeven als Borg, hier moet Hij spreken als zoodanig. Had Hij hier gezwegen, zoo ware het volk weer in eeuwig zwijgen teruggezonken, nooit kwam hun mond weer open.

Mag ik het u verduidelijken?

Als op een verkoop iemand zijn stem verheft door op te gaan staan en te zeggen: voor mij, dan wordt dadelijk gevraagd naar een dubbelen borg.

Deze moet oprijzen met: ik ben de man. Nu, zoo heeft Christus ook gedaan.

Toen Hij door den Hoogepriester gevraagd werd, of Hij die Borg wilde wezen, of Hij waarlijk de Zone Gods was, die voor Zijn schuldig volk kwam, toen stond Hij op en sprak koninklijk fier: Ik ben het. Ik sta als Borg voor hen in.

Ja, juist, nu begrijpt ge dien eed; voor iedere twijfelende ziele moest vastheid worden gegeven.

Dat getuigenis, dat Hij de Borg is, is onder eede bevestigd. Wat een heerlijkheid!

Ik ben degene. Die betalen zal. De arme, verschrikte, moegeworstelde zondaar, die onder de schuld Gods komt, die geroepen heeft tot zijn God en nu moet omkomen, hoort hier het roepen van den Borg: Ik ben het. Ik sta voor u in.

Kajafas met heel den Raad verstond niets hiervan.

Als hij dit gehoord heeft, klinkt het onmiddellijk: gij hebt zijne godslastering gehoord, wat dunkt ulieden?

En zij allen veroordeelden Hem des doods schuldig te zijn.

Allen.

Hebt ge er wel bizonderlijk acht op gegeven.

Daar was geen andere klank in heel de zaal van den Hoogepriester dan deze: „Hij is des doods schuldig."

Hebt gij het wel gehoord, gij, die er u bewust van zijt, des doods schuldig te zijn, wat voor oordeel hier wordt geveld? Hier is geen ééne klank of alles roept: „naar den dood."

Hier schuilt voor u eene wonderzoete vertroosting. Dit Lam Gods, dit zwijgende Lam, dat zonder eenig gebrek was bevonden, wordt met algemeene stem ten doode verwezen.

Hebt ge de hand al gezien, die dit alles beweegt ?

't Is de hand Godes, van den eeuwigen ontfermer Die Zijn volk, dat geheel schuldig is, wil Behouden van den eeuwigen vloek, van den schriklijken dood.

Zoo komt, wie zondaar werd, vrij.

Laat het onderzoek nu eens ingesteld: zijt gij reeds geheel schuldig gevonden voor God? Weet gij te behooren tot de schuldig verklaarden? Dan naar uw Borg.

't Was Zijne straf, die u den vrede aanbrengt.

Ziet maar veel op Hem.

Vraagt van God maar geduriglijk of Hij u dit toone.

Als daaruit geleefd mag worden, wat verandert dan het leven hier op aarde, hoe is dan het aanschijn van den dood veranderd

Geve de Heere het u te zien:

Voor u zweeg Ik.

Voor u getuigde Ik. Voor u werd Ik schuldig verklaard.

Jezus ging in 't oordeel voor,

't Werd voor mij begonnen;

Sedert Hij 't pleit verloor

Heeft mijn ziel 't gewonnen.

.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 maart 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 maart 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's