Uit de Pers.
Calvijn en de Oorlog.
Prof. Doumergue heeft de moeite genomen om verschillende uitlatingen van Calvijn over den oorlog tot een geheel te maken en schrijft dan het volgende.
«Het leven van den mensch is «Gode dierbaar.» Wij moeten dan ook «een afschrik hebben van alle bloed vergieten."
"Ook als er maar één mensch wordt gedood, dan is toch helaas een mensch, geschapen naar Gods beeld, gevallen. Maar als men er toe komt, een gansche menigte te dooden, als het aantal weduwen en weezen vermenigvuldigd wordt, dan schijnt het wel alsof «de wereld te gronde gericht moet worden.»
Het is door de zonde der menschen, dat de «natuurlijke orde (n.l. de vrede) aldus wordt verstoord.» «Die gruwel geschiedt alleen door de boosheid der menschen.»
Bijgevolg zijn alle aanvallende oorlogen verboden De grenzen der landen zijn «heilig» evenals de grenzen der akkers, en, een land «aanvallen» is niet slechts «strijden tegen de menschheid, maar tegen den levenden God.»
Daarentegen is het geoorloofd, dat een volk het zwaard trekt «voor de verdediging van zijn land, wanneer het wordt aangevallen; om hen te verjagen, die het grondgebied van een ander, waarop ze niet het minste recht hebben, bezetten «en er plundering en moord begaan.»
Dan kan men zeggen, dat de oorlog rechtvaardig is; dat hij bevolen wordt door Gods Geest; dat God hem wil. Er is geen rechtvaardige oorlog, waarvan God niet de bewerker zou zijn, waarbij Zijn Heilige Geest onze beraadslagingen niet zou leiden.
En dezen rechtvaardigen oorlog moet men ook rechtvaardig voeren. Onze daden moeten zich kenmerken door «zulk een humaniteit, » dat men goed ziet, «dat wij allen broeders zijn, » want, «wie de mensch ook zij, hij is gemaakt naar Gods beeld; » en «wij moeten medelijden hebben met hen, die ons vleesch en onze beenderen zijn, en die het teeken van onzen God dragen, van Hem, die ons allen naar Zijn gelijkenis heeft geschapen.»
«Bijgevolg: «Geen plundering of verwoesting, noch afpersing.» God gaf den Israëlieten bevel in den oorlog, het water, dat zij dronken, te koopen. Hoeveel te meer moet men dan «wijn en spijs» betalen.' En wat te zeggen van de razernij der legers, om levenlooze dingen te vernielen, de natuur, «alles wat tot onderhoud van het volk dient » «Boomen en huizen en dergelijke zaken te vernielen», is «monsterachtig»; het maakt den mensch «deze aarde, die ons voedt, onwaardig; » dat is oorlog voeren tegen God, die alles heeft geschapen. «De akkers in brand zetten is erger dan iemand de keel afsnijden. Want wat zullen de arme inwoners beginnnen, als de akkers tien mijlen ver verwoest zijn? Zij moeten sterven van honger onder struiken en heggen. Het zou barmhartiger zijn hen ineens te villen.»
Kortom er bestaat in Jen oorlog veel «gelegenheid» om kwaad te verrichten, groot is «de verleiding en de verzoeking» daartoe. Zooveel te meer moet men dan ook alle krachten inspannen, «om zich te hoeden voor alle slechte daden». «Als gij ten oorlog trekt, zegt God, bedenkt dat u niet meer zal vergeven worden, dan wanneer gij in uw huizen waart. Want het is uw plicht te strijden onder Mijn vaandel en Mij te erkennen als uw Meester.»
Dan leidt die Meester u ter overwinning.
W. Hovy.
Met innig leedgevoel heeft ons Christenvolk kennis genomen van het overlijden van den heer W, Hovy.
Hij behoorde tot de edelen van ons volk in den hoogsten zin van het woord.
Hoe stond hij lange jaren vooraan in den strijd en in de toewijding voor de zaak des Heeren in Kerk en School, in Volk en Staat!
Voor Hooger en Lager Onderwijs naar het Woord van God gaf hij zonder beding hart en hand.
De Zending kon steeds op zijn liefde en zijn ijver rekenen.
In de Christelijke Politieke actie was hij een getuige met eere voor den Naam en het Woord des Heeren.
Op Sociaal terrein was hij als Christenpatroon voorbeeld en voorganger; menigmaal ook een gewenscht scheidsrechter.
In de Christelijke Werkliedenbeweging trad hij als vriend en vader op.
Zijn Christendom was bij vriend en vijand onverdacht.
In offervaardigheid ook was hij velen tot beschaming. Hoevelen hebben zich in vele jaren tot hem gewend; voor hoeveel belangen is zijn steun, zijn hulp, zijn geld gevraagd!
Niemand zal dit getal becijferen. Het was veel te groot; grooter soms dan dat zelfs de heer Hovy altoos helpen kon.
Hij gaf niet zonder zich rekenschap te geven en ook rekenschap te vragen. Maar toch, hoe zachtmoedig, hoe welwillend, hoe Christelijk getrouw was hij hierin! Hoeveel, hoevelen heeft hij geholpen en welgedaan!
Deze edele, hoe eenvoudig was hij, en hoe populair daardoor in den besten zin van het woord!
Hij was waarlijk een broeder onder de broederen, en toch ook juist daardoor van allen geëerd, een nobel voorbeeld, een leesbare brief van Christus.
Ons Christenvolk heeft veel, zeer veel, in hem bezeten, en daarom veel, zeer veel in hem verloren.
In zijn Heer, en Heiland is hij in vrede ontslapen.
De Naam des Heeren zij ook hierin geloofd!
En de gedachtenis van dezen rechtvaardige blijve in zegening!
{Hollandia.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 maart 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 maart 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's