Uit het kerkelijk leven.
Studiebeurzen.
Onze vaderen hebben zich niet alleen beijverd om zorg te dragen voor een degelijke opleiding der aanstaande Dienaren des Woords, maar ook reeds vroeg begrepen, dat er studenten Moesten wezen om opgeleid te worden.
Vandaar dat er tal van studiebeurzen gesticht werden, waaruit zij, die wél met geestelijke gaven versierd waren, maar wier stoffelijke middelen te kort schoten, gesteund konden worden.
In den loop der tijden bleven deze fondsen meest alle bestaan, maar de invloed der tijden, die zich in het kerkelijk leven zoo krachtig deed gelden, betrok ook het gebruik dezer fondsen in zijn spheer. Vooral de wijziging, die de Theologische Faculteit aan onze Hooge Scholen onderging, werkte na op deze studiebeurzen.
Er zijn er onder deze fondsen, wier stichters bepaald hebben, dat zij uitsluitend mogen ten goede komen aan hen, die behooren tot de besliste voorstanders der Gereformeerde religie. Maar met de inzinking van het confessioneel bewustzijn rekenden de beheerders allengskens minder met de hartewenschen der stichters, zoodat menigeen, die allesbehalve een voorstander der Gereformeerde beginselen was, toch uit dergelijke fondsen gesteund worden kon.
Nu ligt het voor de hand, dat dit verschijnsel saamhangt met geheel de historische ontwikkeling. Doch nu het Gereformeerd beginsel weder tot opbloei is gekomen, is het zeker niet van belang ontbloot er op te wijzen, dat het recht en billijk is, dat de bedoeling der stichters dezer fondsen weder in het oog worde gevat. Nu zal dit voorloopig wel een stem des roependen in de woestijn zijn en juist daarom is het van belang, dat zij, die in Gereformeerde prediking voor kerk en land heil zien, bij de klimmende behoefte aan beslist Gereformeerde predikanten intusschen niet blijven stilzitten. De Gereformeerde groep moet beseffen, dat er naast een goede opleiding ook gelegenheid moet zijn om jongelingen, die zulks verdienen en behoeven, steun te kunnen bieden bij hunne opleiding.
Van ethische zijde werd sinds lang de beteekenis daarvan ingezien. Zonder nu alles te willen aanprijzen wat men van dien kant deed, is toch het beginsel om steun te bieden op zichzelf niet verwerpelijk. Bij het nijpend gebrek aan Gereformeerde predikanten is het steunen van Gereformeerde jongelingen zeker aanbevelenswaardig. Het komt mij voor, dat onze gemeenten groot belang hebben bij een sterke toename van Gereformeerde Dienaren des Woords en dat. zy. daarom ook deze zaak zullen moeten ter hand nemen.
Het is waar, dat wij niet vele rijken, niet vele edelen onder onze menschen tellen. Maar erg is dat niet met het oog op deze zaak, want aan onze zijde wordt het gebrek aan rijken en edelen, vergoed door het aantal.
Vele kleinen, gedragen door de kracht des geloofs, vermogen veel. Dat leerde de ervaring met het Leerstoelfonds. En wijl het aantal Gereformeerde predikanten niet zonder beteekenis is voor de ontwikkeling van bet kerkelijk vraagstuk, meen ik dat onze Bond ook in dit opzicht een taak heeft te vervullen, waardoor Mj het doel zijner oprichting nader komen kan. Het aantal theologische studenten, dat in de laatste jaren aankwam, is zoo gering, dat men geen profeet behoeft te zijn om te kunnen zeggen, dat binnen weinige jaren er een groot tekort aan predikanten zal zijn. Het levensbelang onzer gemeenten eischt, dat wij bijtijds dit dreigend gevaar onder de oogen zullen zien om zelf de hand aan den ploeg te slaan tot bevordering van de opleiding tot den Dienst des Woords.
Het zal voor onzen Bond geen bezwaar zijn om nu er reeds een Fonds is, dat de strekking heeft de opleiding te verbeteren, er ook een tak aan te verbinden, die de vermeerdering van het aantal Gereformeerde predikanten bevorderen kan.
Vele banden maken ook in dezen het werk licht. Als wij onze krachtsinspanning verhoogen en onze kerkvoogdijen ons wat meer helpen, onze kerkeraden een paar collecten meer laten houden voor dit doel, zal het niet onmogelijk zijn spoedig een aantal jonge mannen te steunen, wier levensarbeid aan de gemeenten zelven ten goede komt.
Ook door de opleiding te steunen kunnen wij het bewijs leveren, dat wij onze kerk niet willen loslaten, maar medewerken aan haar herstel.
Uit de gemeente zelve kwam de roepstem tot ons ook dit werk aan te vatten. Daarom hebben wij des te meer vrijmoedigheid om u op te wekken den schouder te zetten onder dezen arbeid en daardoor mede uit te dragen de leer ons eenmaal door de vaderen over* geleverd tot herstel onzer kerk.
U. - H.V.
Het zooveelste Ontwerp-Reglement.
De Grieksche mythologie verhaalt van een Sisyphos, die in de onderwereld gestraft was om een rotsblok tegen een hoogen berg op te rollen. En als hij met moeite den top had bereikt, dan rolde het (steeds weder naar beneden. Zy spreekt ook van Danaïden, die, eveneens voor straf, gedwongen waren al maar water te scheppen in een bodemloos vat. Aan deze oude beelden worden wij onwillekeurig herinnerd bij het lezen van dit nieuwe Ontwerp-Reglement van de Ned. Herv. Kerk, dat Dr. F. J. Los aan de Synode ter overweging aanbood.
Men beklaagt den kostbaren tijd aan dit document besteed, de vele uren arbeid aan dit stuk ten koste gelegd. De Synode heeft minder seconden noodig gehad om het naar de prullemand te verwijzen. De ijver van Dr. Los, die zeker niet veel verwachting van zijn pogen gehad heeft, wordt er des te bewonderenswaardiger om. Alleen kan niet ontkend, dat deze een betere zaak waardig zou geweest zijn.
Het spreekt van zelf, dat niet gevergd kan worden een gedetailleerde bespreking van de tallooze, tot in kleinigheden afdalende bepalingen, die in een vijftigtal bladzyden gegroepeerd zijn om de kleinere en grootere vergaderingen in den vorm van kerkeraden, classes etc. Wij zullen de laatsten zijn om niet te erkennen, dat er hier en daar nuttige wenken voor het bestuur der Kerk in deze bepalingen zullen worden aangetroffen. Maar het komt ons toch voor, dat met de invoering van een dergelijk reglement we principieel weinig verder zouden gekomen zijn.
Reeds het idee zelf van een reglement, dat zonder meer aan de kerken wordt opgelegd, heeft iets, dat strijdig is met de werkelijkheid van het leven. Hoe de Kerk allerlei practische vraagstukken, waarvoor zij in den gang van haar leven gesteld kan worden, zal hebben op te lossen, laat zich niet in een reglement neerleggen. Een reglement veronderstelt een centralisatie, die alle gemeenten over één kam scheert, alle classes naar één snit snijdt en voor de vrije ontwikkeling van het leven geen aanpassing biedt. Het leven, ook het kerkelijk leven moet groeien. En in dat groeiproces ontstaat er langzaam maar zeker een bepaalde stabiliteit, een regelmaat, die getoetst door de practijk, gewoonlijk beter voldoet dan een complex gefingeerde voorschriften, die uit den aard der zaak met geen plaatselijke omstandigheden rekenen kunnen.
De reglementaire practijk van 99 jaren heeft genoeg leerrijke exempels gegeven om voorloopig niet weer te verlangen naar een nieuwen reglementenbundel, ook al zou deze een beetje confessioneeler zijn dan de onze. Spoedig zou de ervaring leeren, dat de practijk drong en dwong tot een hernieuwde vergrooting van de mazen in het reglementaire net.
Afgezien nog van het feit, dat als een Synode bereid werd gevonden zulk een voorstel aan de goedkeuring der Kerk te onderwerpen en de besturen met meerderheid van stemmen het accepteerden, met zekerheid kan worden verwacht, dat alsdan de Ned. Herv. Kerk uiteen zou spatten. In heel dit voorstel is iets naiefs, dat de vraag doet rijzen of deze confessioneele broeder niet zijn confessioneel standpunt van de volkskerk vergeten heeft, toen hij dit ontwerp samenstelde.
Want dat er bij dit reglement van geen volkskerk meer sprake kan zijn, is ieder duidelijk, die zich even indenkt, wat de uitwerking moet zijn van de toepassing der artikelen, die aan de tucht gewijd zijn. Op zichzelf beschouwd hebben wij Gereformeerden tegen leertuchl zooals de heer Los zich die voorstelt geen bezwaar, maar hoe men met zulke idealen nog één oogenblik aan een volkskerk kan vasthouden, is ons onbegrijpelijk. Want traden inderdaad zulke artikelen in ons tegenwoordig kerkelijk leven in werking, dat zou oogenblikkelijk heel de Kerk in oproer raken op zulk een wijze, dat er voor de gereformeerde en niet-gereformeerde elementen, die er thans in huizen, samenleving geen uur meer mogelijk zou wezen. Er zou een doleantiegisting ontstaan, waarbij die van 1886 maar een kinderspel was. Dat er in zulk een gistingsproces vreemde en eigenaardige vonnissen geveld zouden worden door den burgerlijken rechter, is a priori te verwachten. Hier zouden modernen, daar ethischen, ginds weer gereformeerden de zege wegdragen en het resultaat zou zijn eene volkomen oplossing der thans bestaande Hervormde Kerk. Dat alles zou zeker en gewis voortkomen uit de invoering van dit ontwerp. De heer Los heeft zulks zeker niet bedoeld. Integendeel, zelfs een oplossing van het kerkelijk probleem als de slapste bondsman voorstond, was hem steeds een gruwel, om van de meer radicale broederen te zwijgen. Daarom maakt het inderdaad een wonderlijken indruk den heer Los te zien optreden met een ontwerp, dat toegepast, alle bondsidee verre in consequentie zou overtreffen. Inderdaad, dit hadden we niet verwacht. De natuur blijkt ook bij den heer Los te gaan boven de leer, d. w. z. boven de leer der volkskerk voelt hij ten slotte nog voor gereformeerde levensidealen. Het doet ons genoegen dit te constateeren.
Voor het tegenwoordige is er zeker niet de minste kans, dat dit ontwerp wet wordt. De critiek op wat er in allerlei bepalingen gezegd wordt kunnen we ons dus veilig besparen. Gaarne erkennen we, dat er elementen in zijn, die bij een gereformeerde kerkregeering aan de orde komen. Maar we zouden ook een Sisyphus arbeid gaan verrichten en een Danaïden vat vol scheppen, indien wij er op ingingen. Hoofdzaak blijft voor ons te constateeren, dat blykens dit ontwerp de heer Los, die nooit geen sympathie betoonde voor de idealen van den gereformeerden Bond, ons verre is vooruitgestreefd in radicalisme inzake het kerkelijk probleem. Zijn ideaal-ontwerp zou de vonk zijn in het dynamiet. En daarvoor zouden wij bevreesd zijn, omdat bij zulk een explosie er ook rechten zouden verloren gaan, waarop wij Gereformeerden aanspraak maken.
Wie een oogenblik indenkt, hoeveel spektakel er reeds gemaakt wordt over de simpele vraag van de geesten en de hoofdzaken, die kan zich bij benadering zelfs niet voorstellen wat er geschieden zou bij invoering van het ontwerp, des heeren Los. Ik ben er zeker van, dat er nooit een Synode gevonden zal worden, die zulk een voorstel aandurft. Daarom is zulk een voorstel ijdel werk. Het leidt zeker niet tot verwezenlijking van confessioneele volkskerk-idealen en wij bondsmannen hebben zulk een project niet noodig.
Immers, wij gelooven in de levenskracht van de kerk en daarmede ook in haar vermogen om in overeenstemming met de behoeften zich een organisatie te scheppen, waarin en waardoor haar leven zich openbaren zal. Indien ooit deze organisatie, hoe dan ook, van haar zal afvallen, dan zal aan haar de belofte vervuld worden: „wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan. Hij zal mij uitbrengen aan het licht." God zelf zal dan aan Zijne gemeente de banen wijzen, waarin zij zich zal hebben te bewegen. Het beste is daarop niet vooruit te loopen door reeds nu nieuwe reglementenbundels te ontwerpen. Het kerkelijk probleem wordt er niet door opgelost. De moeilijkheden worden er niet door verminderd. Kans van slagen hebben zulke ontwerpen niet. Zij kunnen slechts meewerken tot een nieuwe catastrophe, en nooit tot vrijmaking der kerk.
Een slang of een visch.
't Komt er niet op aan wat men gelooft, als men maar gelooft, zegt men.
Wat een dwaasheid!
Zegt men 's middags dan ook: 't komt er niet op aan wat men eet, als ik maar eet?
't Zij zoo.
Wil men zoo dwaas zijn, men moet het zelf weten.
Maar wij, voor ons, wij achten het niet van belang ontbloot wat we eten.
En wij zijn van voornemen om er bij te blijven, onderscheid te maken tusschen een brood en een steen, tusschen een visch en een slang, tusschen een ei en een scorpioen. (Luc. 11 : 11 en 12.)
Zoo ook ten opzichte van 't geen men gelooft.
Men belieft in onze dagen met allerlei te komen aandragen. Naturalisme, materialisme, atheïsme aan den eenen kant — theosofie, Tolstoïsme, spiritisme, Bloeddhisme aan den anderen kant. Men is modern, evangelisch, ethisch, gereformeerd. Men behoort bij de Mormonen, bij de Darbysten, bij de Irvingianen, of bij de Baptisten; men is Sabbathist, Adventist of soldaat bij het Leger des Heils.
En men zet maar op.
Men vertelt maar, beweert maar, verdedigt maar, strijdt maar.
Doch wij hebben nooit geleerd te zeggen: 't geeft niet wat men gelooft, als men maar gelooft.
Roomsch en Protestantsch is niet 't zelfde. Modern en orthodox is niet één,
't Komt er wel degelijk op aan wat men gelooft.
Omdat 't er maar niet omgaat op een weg te wandelen, maar om den goeden weg te hebben, om 't rechte pad te bewandelen.
Waarbij de Psalmdichter zegt: „Uw Woord is een lamp voor mijnen voet en een licht op mijn pad."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 maart 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 maart 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's