Psalm XXXÏI.
Heil hem, wiens zonde en misdaad is vergeven,
die door den Heer' van schulden is ontheven en wiens gemoed, van waan en veinzerij
zich niet bewust, oprecht in vroomheid zij.
Want toen ik zweeg, vervielen bij het knagen
van mijn verdriet mijn beendren alle dagen want dag en nacht woog loodzwaar mij Uw hand
mijn levenssap verdroogde in zomerbrand
Maar toen ik nu niet langer zwijgen kond'
bekende ik U oprecht mijn schuld en zond' en zeide: ik wil mijn misdaad onverhuld
God kond doen. Gij vergaaft mijn zondenschuld
Dies bidde, o Heer', ten tijd, dat Ge U laat vinden
elk vrome U aan; hem zal geen vloed verslinden, hoe hij stijgt. Gij zijt mijn schuts, Ge omringt
mij met een koor, dat van mijn redding zingt,
Wilt op mijn woord en onderwijzing letten die 't spoor u toont, waarop ge uw voet' kunt zetten en volg mijn raad, waarin uw leven ligt; ik heb het oog op u, op u gericht.
Laat paard noch muil in uw zijn weerga vinden, die men met toom en breidel pleegt te binden, omdat hij niet, hoe men hem lokt of laakt, uit vrijen wil des meesters hand genaakt,
Die 't kwade doet zal smart op smart benauwen;
genade omringt al wie op God vertrouwen, Weest in den Heer', rechtvaardigen, verblijd;
juicht allen, die oprecht van harte zijt.
H. 1915.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 maart 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 maart 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's