Staat en Maatschappij.
De beslissing in eerste instantie.
De regeling betreffende het eedsvraagstuk, zoolis deze door de regeering getroffen was, is tenslotte door de Tweede Kamer ongewijzigd aangenomen.
Eene poging van de rechterzijde om in de tegenwoordige omstandigheden eene principiëele bespreking van de eedsregeling tel verschuiven en slechts door een noodmaatregel eene voorziening te treffen, waardoor de moeilijkheden, welke door de bekende uitspraak van den Hoogen Raad gerezen waren, kwamen te vervallen, werd door de linkerzijde botweg afgewezen.
Door de drie rechtsche partijen in de Kamer was eene motie ingediend, waarin de wenschelijkheid werd uitgesproken om betreffende de verplichting tot het al dan niet afleggen van den eed geen definitieve beslissing te nemen en derhalve aan het wetsontwerp het karakter toe te kennen van eene tijdelijke noodregeling. De noodregeling zelve was neergelegd in een amendement, waarin de regeling van de regeering beperkt werd tot die personen ten aanzien van wie door het arrest van den Hoogen Raad ongelegenheid was ontstaan. De noodregeling zou van kracht zijn tot 1 Januari 1919.
Het voorstel der rechterzijde, dat tegemoet kwam aan de bezwaren, welke voornamelijk van antirevolutionaire zijde tegen de aangeboden regeling der regeering bestond, kon daarom eene gelukkige oplossing genoemd worden, omdat het aan den onhoudbaren toestand volledig een einde zou maken, dat personen, niet tot een Kerkgenootschap behoerende, op uitwijzen vam de beslissing van den Hoogen Raad niet als getuigen konden gehoord worden.
De regeering, die eenige weken geleden bij het aan de orde stellen van het wetsontwerp op de vraag, of zij zich in de gegeven omstandigheden niet met een „noodwetje" kon tevreden stellen, een weigerend antwoord gaf, gaf thans ten aanzien van het voorstel der rechterzijde blijken van toenadering. Bij monde van den Minister van Justitie verklaarde de regeering in de zitting van 25 Maart, dat zij geen bezwaar had tegen eene regeling als in het amendement werd voorgesteld.
Doch desondanks deze regeeringsverklaring verzette zich toch de geheele linkerzijde tegen het standpunt dat de rechterzijde in deze dagen van bet „Bestand" meent te moeten innemen.
Waarschijnlijk is het feit dat de regeering met de rechterzijde tot overleg bereid bleek, blijkbaar uit vrees voor het lot dat het wetsontwerp, zoo het ongewijzigd door de linksche meerderheid van de Tweede Kamer werd doorgedreven, in de Eerste Kamer treffen kon, aan het veraet der linkerzijde niet vreemd.
Ook zal de overweging niet verre bezijden de waarheid zijn, dat het zich eenstemmig verklaren der linkerzijde tegen het voorstel van rechts het gevolg was van een Concentratie-eisch van een der vrijzinnige fracties. Uit de gehouden debatten bleek toch duidelijk, dat onder de vrijzinnigen er verscheidene elementen waren, die groote bezwaren tegen den eed hadden.,
Doch hoe dit alles ook zij, wij gelooven niet dat de linkerzijde met het uitbrengen van haar stem tegen het voorstel der rechterzijde, een dienst aan het Kabinet bewezen heeft, Immers zoo aanstonds zal de regeering verplicht worden om eene regeling, die zij zelf voor het oogenblik niet als de meest gewenschte acht, in de Eerste Kamer te verdedigen, waar dan nog dit bijkomt, dat de regeling zelve geen onderwerp van beraadslaging in de Tweede Kamer heeft uitgemaakt.
Wat het lot van het wetsontwerp bij de Eerste Kamer wezen zal, daarover wagen wij geen voorapelling. Toch gelooven wij niet, dat de kans op aanneming groot is.
Mocht het tot verwerping komen, dan zullen wij ons daarin verblijden, omdat het beginsel dat aan de regeling ten grondslag ligt, niet overeenkomstig de ordinantiën Gods is.
Maar wanneer het wetsontwerp afgewezen wordt, blijven wij in het moeras en zal een nieuwe regeling moeten volgen.
Vrijheid der conscientie.
De Kameroverzichtschrijver van de Nieuwe Rotterdamsche Courant, die hoogelijk ingenomen is met de beslissing, die over de eedswet in de Tweede Kamer gevallen is, vindt daarom de houding der linkerzijde zoo prijzenswaardig omdat zij het zoo goed begrepen heeft, dat wanneer zij genoegen genomen had met de zoo bekrompen noodregeling der rechterzijde, zij het schoone beginsel van de vrijheid der eonseientie willens en wetens had prijsgegeven.
Eilieve, gesproken van het schoone beginsel van de vrijheid der consciëntie: waarom werd dit schoone beginsel in de dagen van den schoolstrijd door de vrijzinnigen op non-activileit gesteld?
Nog op heden zijn er duizende ouders die o zoo gaarne hunne kinderen naar de christelijke school zouden willen zenden, maar dit niet kunnen. De gemeentekas is voor het christelijk onderwijs nog steeds gesloten.
De vrijheid der consciëntie eischt financiëele gelijkstelling van de christelijke school met de openbare.
Waarom klopt de Nieuwe Rotterdamsche Courant niet met ons aan de poort om terwille van het schoone beginsel bij de gemeenten toegang te krijgen?
Of geldt de vrijheid der consciëntie alleen maar voor de vrijzinnigen?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 april 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 april 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's