De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

17 minuten leestijd

Het Evangelie der Modernen.

Het wil ons nog altijd voorkomen, dat de modernen een gansch ander evangelie brengen dan ons in Gods Woord geopenbaard is. Een evangelie, dat wij niet onaangevochten mogen laten. Een evangelie, dat in onze Herv. Kerk niet thuis hoort, daar het in beginsel en wezen en kern en hoofdzaak en karakter niet het evangelie is, dat van ouds onder ons is gehoord en alleen tot zaligheid dienen kan.

Dat is onze eerlijke overtuiging.

En wij kunnen het maar niet verstaan hoe niet alle rechtzinnigen, zonder onderscheid, zeggen: de vrijzinnige prediking moet onze Kerk uit.

Dat moet.

Uit gehoorzaamheid aan Gods wil, ons in. Zijn Woord bekend gemaakt; uit liefde tot den Heiland, die iets anders ons geleerd heeft en voor de leugen-leeringen heeft gewaarschuwd, uit liefde tot het Evangelie ons door de Apostelen nagelaten; uit liefde tot de zielen, die van steenen niet leven kunnen, maar alleen door het brood kunnen worden gevoed.

Beter dan allerlei lange redeneeringen over onderscheidene stukken der waarheid kan ons het lezen van enkele stichtelijke overdenkingen, door modernen geschreven, in deze overtuigen.

Daarom laten we hier een paar meditaties volgen, die we vonden in een modern Dagboek, getiteld „Bij het Morgenuur" een boek voor het gezin, door Dr. J. H. de Ridder Jr., Dr. L. Knappert, Dr. H. L. Oort, Mevrouw H. Baart de la Faille—Wichers Hoeth en Mevr. M. J. Salverda de Grave-Herderschee. Het boek is uitgegeven bij van Holkemaen Warendorf te Amsterdam, 1902.

De eerste meditatie die we afschrijven (zie blz. 235) is geschreven door Dr. L. Knappert en luidt als volgt:

Christus aan het Kruis.

Wij zijn nu in de dagen, dat wij den dood van Jezus gedenken. En dezen morgen is 't ons begeeren eerbiedig te staren op hem, die voor zijne heilige zaak den ijselijken dood der kruisiging gestorven is. Het is ons vroom begeeren om op te zien naar het kruis op Golgotha, waaraan zijne verbitterde en wreede vijanden den Heiland genageld hebben. Hoe edel en groot is Jezus juist nu! Ons hart krimpt samen bij 't zien van zijn lijden, maar met diepgaande bewondering bemerken we zijne kracht, zijn geloof en zijne vroomheid, aan 't kruis geopenbaard. Ja, wij hebben 't wel bemerkt! Let op die stille en fiere waardigheid, zoo verschillend van de jammerklachten der beide moordenaars, omdat Jezus rust gevonden heeft in God, uit wiens handen hij weet, dat niemand hem rukken kan. Let op die kracht, waarmee Jezus alles wil dragen tot den einde, al de pijnen en de verschrikkingen en zich zelfs niet bedwelmen wil met den gemyrden wijn, want hij weet, dat, met hoe grooter kracht hij zijn lijden draagt, met hoe grooter kracht ook zijne leerlingen zijn werk zullen voortzetten.

Let, gij jongens en meisjes, met eerbiedigheid op die erbarming, waarmede de meester in de barbaarsche moordzucht der verdwaasde Joden geene moedwillige boosheid, maar alleen onwetendheid en verblinding ziet. Want hij bidt: „Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen" en voor den medekruiseling heeft hij nog een woord van oneindige bemoediging.

En dit alles komt bij Jezus voort uit zijn ongeschokt geloof, dat het goed was, dat Gods wil geschiedde. Zelfs aan het kruis heeft hij niet getwijfeld of al dit lijden, deze smadelijke vernedering, deze vreeselijke dood. God zou het hem ten goede laten medewerken. Wat hij in Gethsemane gebeden had: „uw wil geschiede, " dit bleef zijn heilig geloof tot den einde. En van Gods liefde bleef hij welverzekerd, ook in die uren van doodsstrijd op Golgotha.

Met deze gedachten zien wij op naar den Christus aan het kruis. Niet zijne vijanden hebben overwonnen; hij was de overwinnaar en door zijn sterven heeft hij zijn Evangelie tot overwinning gebracht. Want de herinnering aan zijn dood heeft zijne discipelen bezield met dien onuitblusschelijken moed, waarmede zij zijn arbeid hebben voortgezet. Hoe zouden wij dan anders als met den diepsten eerbied zien op hem, die gehoorzaam geweest is tot den dood des kruises.

L. K(NAPPERT.)

De tweede stichtelijke overdenking die we afschrijven is oók van Dr. L. Knappert. Deze volgt onmiddellijk op de voorgaande (zie blz. 236) en is als volgt:

Door lijden tot heerlijkheid.

Is dit iets om over te denken alleen voor groote menschen? In 't geheel niet! Waarom zouden, in de dagen vóór Paschen, ook kinderen niet mogen herinnerd worden aan deze groote waarheid, door Jezus in zijn lijden geopenbaard?

Op hem, den Man van Smarten, hebben eeuwen lang de menschen gezien als op hunner één, nederknielend in Gethsemane, staande in het oordeel voor Kajafas en Pilatus, gekroond met doornen, gekruisigd om der gerechtigheid wil en door zijne gehoorzame overgave in den dood zijn heilige zaak brengend tot overwinning.

In zijn lijden en in zijn sterven is Jezus zelf ons het beeld van die waarheid, dat het uitgestrooide zaad slechts vruchten voortbrengt als het eerst in de aarde vergaat; dat de beste en heerlijkste dingen alleen tot stand komen, als goede en edele menschen er zich voor inspannen en er voor willen lijden; dat alles wat ons nu gelukkig maakt en van voordeel is, alle vooruitgang en ontwikkeling verkregen zijn, omdat de uitnemendste mannen en vrouwen er hun rust en gemak en voordeel en geluk voor over hebben gehad. Zouden wij dit niet weten? Wel, wij ondervinden het eiken dag. Alle vriendelijke woorden, die wij maar ooit hebben gezegd, alle goede daden, die wij maar ooit hebben gedaan; elke keer, dat wij ons zelven hebben verloochend, blijmoediger en vroolijker dan vroeger; ons geduldiger verdragen van iels erg onaangenaams; al ons beter worden dus, het kostte altijd inspanning en strijd en wij moesten er veel voor over hebben, wij moesten (want dat is de beteekenis van het woord), wij moesten er vooï kunnen lijden. Zoodat wanneer wij ons leven zoo willen maken, dat het een zegen is voor onze huisgenooten en vooralle menschen, met wie wij omgaan, dan zal ons dat veel moeite bezorgen en dikwijls doen zuchten: „Ging het maar wat gemakkelijker!" Maar dan zullen wij ook dat heerlijk gevoel hebben, dat ons leven al wat beteekent en dat wij, terwijl wij het voor anderen beter maken, zelven ook beter worden.

Is dit nu ernstig en somber?

Ja, het is wel ernstig, maar in 't geheel niet somber. Waarom zou het somber zijn?

Ik geloof juist, dat als wij van die waarheid al iets begrijpen, dat wij ons dan zoo vroolijk, zoo blijde voelen, zoo hartelijk kunnen lachen, zoo lustig zingen, als door niets anders. Ik geloof met mijn gansche hart, dat groote en kleine menschen nooit blijder en gelukkiger zijn, dan wanneer zij ondervinden, dat zij door inspanning en opoffering verder komen, hooger-op

L. K(NAPPERT.)

Op deze overdenking volgt dan een stukske waarboven staat Paaschdag, zijnde van de hand van Mevrouw H. Baart de la Faille geb. Wichers Hoeth. 't Luidt:

Paaschdag.

Wie zou er niet vroolijk zijn, op een feestdag? Wie zou niet hartelijk blij zijn, in vacantie lente-dagen! Is er iets mooiers voor de jeugd? Lentedag, vol nieuw jong groen, heesters met nieuwsgierige kleine knopjes, waarin de blaadjes opgevouwen zijn; gras in de weide met een enkel madeliefje, dat in sommige streken den aardigen naam draagt van Meizoentje! En aan de groote kastanje de dikke kleverige knoppen! Lentedag, met zon aan den hemel en blauwe lucht, lentedag met zoelen wind misschien en helderverlichtegevels, lentedag met zingende kinderen — en dan nog wel: Iente-paaschdag /

Daar is iets bizonder liefelijks in een lente-paaschdag! 't Is of er iets feestelijks om ons is, alsof er muziek is in de lucht! Want Paschen vertelt van nieuw leven, van op-nieuw-beginnen, van afschudden het oude, dat leelijk was en slecht misschien. Paschen heeft zoo'n eenvoudige beduidenis, die toch door zoo weinig kinderen goed begrepen wordt. Zij denken, dat Paschen komt, ieder jaar weer, omdat er vacantie is! O, zij vergeten heelemaal, dat Paschen niet aanklopt, omdat er vacantie is, maar dat er vacantie wordt gegeven, omdat Paschen weer verscheen! Want als Paschen voor ons staat, moeten we even ophouden met werken; we moeten even uit de schoolbanken en uit de kamer; we moeten even zien, wit Paschen ons weer heeft te vertellen. En als we dan buiten zijn en we zien al dat jonge nieuwe groen, als we zien dat het voorjaar weer over veld en weide henenstrijkt, dan begrijpen we, dat Paschen niet alleen voor de natuur een boodschap heeft, en spreekt „verjong u en bot uit" — maar dat Paschen voor ons hart gouden woorden van God heeft meegekregen. Ook ons hart moet jong worden, al 't oude moet weg. alle oude onvriendelijke gedachten, alle oude onhartelijke gevoelens. Nieuwe goede plannen moet Paschen doen worden in ons hoofd, nieuwe edele daden doen groeien in ons hart. Paschen is door God ingesteld, telken jare keert het weder, telken jare geeft God aan Paschen ernstig-blijde woorden mee, om uit Zijn naam tot Zijn kinderen te spreken!

Zou dat geen vréugde-gedachte zijn! Is het niet heel gelukkig-makend, die Paaschboodschap? Het oude te mogen afschudden en van voren af aan, met frisschen, jongen moed te mogen herbeginnen !

Voorwaar, dat is een opstanding van ons beter Ik!

Opstaan uit de oude zonden. Wegdoen wat mij thans ontsiert, 'k Weet, als daar mijn hart naar uitgaat, Dat het waarlijk Paschen viert.

H. B. d. l. F. — W. H.

Na dit stumperige stukje over Paschen, volgt dan ten slotte een Pinkster-overdenking van Dr. H. L. Oort.

Dat zal wel pittiger zijn!

We zullen eens zien wat er van het wezen des christendoms, van de kern der waarheid, van de lieflijkheid der heilsfeiten overblijft! Lees maar eens:

Pinksteren.

Misschien brengt geen der christelijke feestdagen ons zoo als vanzelf in een zekere verhoogde stemming als Pinksteren. Het woord doet aan iets zomersch denken, aan zonneschijn en vogelengezang, aan luidruchtige blijdschap. De winter is voorbij. Nu zijn er zomergeluiden, bijen over het boekweitveld; nu is er groen in boomen en weelderige rijkdom van bloemen; de volheid van kleur en leven uitgestrooid over de velden en langs de wegen, nieuw leven stroomend over de aarde; zomer! zomer!

Maar wij denken nog aan heel andere dingen op den pinkstermorgen. Wij denken aan den tijd lang geleden, toen het ook somber en winterig was in de harten van de leerlingen van Jezus. Hun meester was van hen heengegaan, was gestorven.

Wat was nu alles moeilijk voor hen; wat zouden ze nu beginnen ? Zij hadden hem zoo lief gehad, zij hadden zoo op hem gesteund. Hij had hen geleerd en geleid, en nu? en nu?

Toen was op een morgen, dat was op den pinkstermorgen, heel sterk bij hen opgekomen de heerlijke gedachte, dat zij maar niet zoo mochten blijven treuren en hopeloos zijn, dat zij zijn werk moesten voortzetten, in zijn geest arbeiden, prediken wat hij gepredikt had, zich vereenigen tot een kring, een gemeente zooals zij het noemden, om daar over hem te spreken en te trachten te leven zoo goed, ' zoo rein als hij geleefd had. Toen zij dat begrepen, gevoelden zij zich als in heerlijke opwinding van geluk. Het was hun of een Heilige Geest over hen werd uitgestort. Daarom noemt mes het Pinksterfeest wel , eens de uitstorting van den Heiligen Geest.

Wat was dat heerlijk om niet meer zich moedeloos en gedrukt te voelen, maar blijde en hoopvol! En nu slaan zij de handen aan het werk! Zij vereenigen zich en gaan het christendom brengen aan iedereen.

Daaraan denken wij op den Pinkstermorgen.

Dan komt ook over ons het begeeren om goed en rein te willen zijn.

Wij gevoelen hoe God ons helpen wil met Zijn Heiligen Geest en wij nemen ons te ernstiger voor trouwe leerlingen van Jezus te zijn.

Dèt is dus zoo ongeveer wat de modernen lezen en vertellen en overdenken in de lijdensweken, op Paaschfeest en op den Pinksterdag.

Hebt ge het gelezen? goed gelezen?

Wat ongelukkig gesukkel alles!

Wat vaag, ledig, ijdel. Wat onbelijnd, onbestemd, zonder inhoud.

Wat is alles vervluchtigd in hollen klinkklank. Wat is alles scheef getrokken. Wat is alles van z'n wortel gerukt. Wat is alles vertroebeld, verlengend, onwaarachtig, onheilig geworden.

Zeker! de wetenschappelijk ontwikkelde moderne meent hóoger gegrepen te hebben dan de eenvoudige bijbelsch-geloovige christen, dan de stoere calvinist, dan de gereformeerde met z'n formulieren van eenigheid.

De moderne heeft een ander Christus-beeld zich geformeerd, mooier, edeler, menschelijker, meer naar waarheid en ontleend aan de werkelijkheid — zegt hij.

De moderne begrijpt de gebeurtenissen beter. Hij legt u psychologisch alles naar waarheid uit.

De moderne is daarbij vromer, eerlijker, eenvoudiger, meer waarachtig dan de orthodoxe.

Zeker! dat zegt hij....

Maar intusschen is alle pit, alle merg, alle kracht der Goddelijke waarheid wég.

Het fundament van het Gods-gebouw is ondergraven, de hechte grondslagen van het christelijk geloof zijn losgewoeld en men bouwt met stroo, hooi en stoppelen.

De Christus der Schriften is ingeruild voor een modern Christus-beeld, onbestemd, wazig, onduidelijk, mysterieus — maar valsch.

De ware Christus is verworpen — en een Christus-mythe wordt gepropageerd, met een ijver, een betere zaak waardig.

Christus, gestorven voor onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking, is ingeruild voor den Rabbi van Nazareth, geportretteerd naar moderne opname.

De Gezalfde Gods is verworpen voor het onbegrepen beeld der moderne wetenschap.

De heilsfeiten zijn onwaar gemaakt.

Ze zijn gemaakt tot een fictie.

De opstanding is geloochend.

De persoon van den H. Geest is ontkend.

De uitstorting des Heiligen Geestes, naar luid van de Schrift, is niet geschied.

Voor God, den Heiligen Geest, is een betere gedachte des menschen in de plaats gekomen.

't Is alles een wiegelen op de vleugelen van menschelijke verbeelding, 't Is een dwepen met eigengemaakte vrome woorden.

Onbestemde lijnen. Grillige figuren. Naar den geest des tijds.

Maar Christus Jezus, den Heere, hebben ze weggenomen!

De Goddelijke waarheid hebben ze ons ontfutseld. Het is een getoover met ijdele klanken. Een vroom paradeeren met zinledige frasen.

Geest en hoofdzaak van 'tgeen God zelf ons openbaarde is er niet in.

Dèt, waarin 't leven ligt van Gods kind, ontbreekt.

't Zijn steenen voor brood, 't is een slang in plaats van een visch, 't is een scorpioen in stee van een ei.

't Is om te sterven; om te bezwijken.

't Is geknoei, 't is vergif, 't is de dood, 't is vroom bedrog, 't is ijdel geklap.

O! geef ons die echte, die heerlijke, die Goddelijke, die zalige waarheid, in Christus Jezus, onzen Heere, geopenbaard.

En neem weg, neem weg die modernen Jezus, die een beeld is der ijdele fantasieën der bedriegelijke wetenschap, die een carricatuur is van 'tgeen de Heere zelf ons gaf, zeggende: Zijn bloed reinigt van alle zonden.

Ja, neem weg dat ijdel gedoe, dat geknutsel van menschen, die zich zelf willen verbeteren en de wereld tegelijk, in eigen kracht en naar eigen voornemen.

En geef ons Christus, van God gezalfd. Geef ons Jezus, die de ware menschelijke natuur aannam. Geef ons Christus Jezus, den Heere, die met Zijn dierbaar bloed verlossing heeft teweeggebracht om te verlossen van het hoogste kwaad en te brengen tot het hoogste goed.

Geef ons Hem, die ie Zijn lijden en dood verzoening werkte voor een doemschuldig en gansch verloren volk. Dat is de grond waar het uitepruitsel des Geestes kan groeien en tieren. Daar kan de plantinge des Heeren voedsel vinden. Daar kunnen de eikeboomen der gerechtigheid inwortelen en de levenssappen omgezet worden in tak, in blad, in bloesem en vrucht.

Daar is leven. Leven dat verbeurd is. Leven dat verworven is door den Christus Gods, door Zijn leven en in Zijn dood en door Zijn opstanding.

Leven dat uit God is. Leven des Geestes. Leven dat blijft tot in eeuwigheid. Leven vol vreugd en vrede en heerlijkheid en zaligheid voor arme, verdoemelijke zondaren.

Neem weg dan dat ijdel menschelijk gedoe.

Neem weg die wijsheid des menschen.

En geef ons de dwaasheid Gods weer terug.

Neem weg die steenen. Die mooie steenen op gouden schalen opgedischt. Die kunstig gevormde steenen. Die steenen, gesierd met vrome symboliek en devote graveerselen. Neem weg die steenen. Omdat het steenen zijn.

En geef ons het brood dat de Heere voor Zijn kinderen gaf.

Het brood des levens.

Want bij die steenen sterven we. Wij en onze kinderen. Wij en ons volk.

Geef ons dan brood; het brood dat verzadigt met het goede. Het brood dat spijze geeft tot in eeuwigheid.

Jezus Christus en die gekruisigd!

Inderdaad niet onduidelijk!

Er is schandelijk misbruik gemaakt van de vrijheid die art. 39 Regl. op het Godsd. onderwijs geeft in betrekking tot het formuleeren van de 3 belijdenisvragen. Tal van moderne predikanten hebben daarbij onverantwoordelijk gehandeld, wat bewijst, dat ze er zelf geen belijdenis op na houden en niet in de Herv. Kerk thuis hooren.

Over dat misbruiken van de vrijheid is in de Synode van 1914 door orthodoxen en modernen gesproken. En o. a. Prof. Cannegieter erkende ook, dat er verkeerd is gehandeld door onderscheidene moderne predikanten, waarbij hij uitsprak: „Predikanten, die voor den dag zijn gekomen met vragen, die niet zijn goed te keuren, zullen wel wijsheid geleerd hebben uit wat er tot hiertoe is geschied."

En verder „vertrouwende op het geweten en op de eerlijkheid van hen, die volgens art. 27 Regl. op het examen hebben verklaard en beloofd, kan men het wagen met de bestaande vrijheid".

Er is dus ongetwijfeld door onderscheidene predikanten allerdwaast en onverantwoordelijk gehandeld bij het stellen der belijdenisvragen. en daarom was de meerderheid van de Synode er ook voor om de woorden „althans wat en geest en de hoofdzaak betreft" te schrappen.

De secretaris van de Synode was er niet voor om die woorden te doen vervallen.

Hij zei ongeveer 't volgende: ik begrijp volkomen het streven van hen, die deze woorden willen schrappen. Want er is ongetwijfeld van de vrijheid misbruik gemaakt doordat vragen geïmproviseerd zijn op een wijze die in strijd is met den ernst en beteekenis van het belijdenis doen. Maar zij zou toch niemand aan de letter van formulieren willen binden.

De geest en de hoofdzaak moeten wordej behouden; daarop moet al de nadruk worden gelegd. Wat dat is b. v. in de 1ste belijdenisvraag, kan toch inderdaad niet onduidelijk zijn. Maar b.v. in de 2de vraag zou men enige andere uitdrukkingen kunnen gebruiken gelijk er predikanten zijn, die ook in de 3de vraag eenige wijziging brengen. Die vrijheid moet blijven, al heb ik zelf mij altijd steeds gaarne aan de 3 vragen gehouden". (Handef lingen der Synode 1914 blz. 684). |

De secretaris heeft daarin goede woorden gesproken.

De Iste vraag is inderdaad niet onduidelijk en het wezen en het bedoelen van die 1ste vraag kan voor niemand onbekend of twijfelachtig zijn.

Maar hoewel de dingen zoo duidelijk* zijn als glas en zoo "Vast staan als een paal boven water, zoo ontzien de modernen zich; niet om er toch iets anders van te maken; iets, wat er in wezen en bedoelen principieel van verschilt.

Dat weet de secretaris ook wel!

En ja - hadden we met zulke menschen te doen, die oók eerlijk erkenden dat de 1ste vraag inderdaad niet onduidelijk is, om zich dan ook aan die 1ste vraag te houden in woord en daad - ja, wat óns betreft, dan zouden we, met de 1ste vraag als vaststaand onder ons allen, in de 2de en 3de vraag ook wel vrijheid begeeren, om, wezen en bedoelen behoudend, in het gebruik der woorden zelfstandig wijziging te mogen brengen.

Ook wij zouden liefst niemand woord voor woord vastleggen.

Maar hierin komt nu zoo duidelijk uit, waarom het eigenlijk gaat bij de wijziging van art. 39 Regl. godsd. onderw.'t Is heusch niet om ieder woord voor woord vast te leggen. Niemand denkt daarover. Alleen — al nu onder ons de hoofdinhoud der belijdenis maar inderdaad vaststond.

Maar dat is juist niet het geval.

En omdat het inderdaad niet onduidelijk is, dat juist de 1ste vraag 't meest mishandeld; wordt en daarin de Christus Gods gehoond en de hoofd waarheden onzer belijdenis geloochend, ziet, daarom wordt er vastigheid in deze gevraagd.

En hebben we daar vastigheid, dan is overigens ons de vrijheid aangenaam!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 april 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 april 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's