Uit de Pers.
De Belijdeniskwestie.
Onderstaand adres aan de Synode is ver-r onden door den Kerkeraad van de Nederlandsehe Hervormde Gemeente te Sneek. Het stuk is onderteekend door de drie predikanten, zoowel van vrifzinniee als rechtzinnige richting, nl. de hh. Dr. G. A. Wnmkes, ] T> « T\_ /-> " TT j _ T-T . e-» - T - r> . - r^' Praeses; Ds. G. H. de Haas, Scriba; Dr. Hi IT. de Graaf, Assessor.
Aas de SynoeU dtr Nederlandscke Hervormde Kerk.
Hoos^tenvaarde Heenn,
•• ^ ^ °* Kerker^d van de Nederlandsche Hervormde i ^ ^ ' ^ *^ ^f ^'''^'""^-^^"^^ ^^^''°^=^'^
; onder uwe aandacht te brengen: j ie. dat de Sjnode door haar voorstel om in artikel 1 39 van het reglement op het godsdienstonderwijs de I woorden ain geest en hoofdzaak''" te laten vervallen, gevaar van scheuring in de kerk veroorzaakt niet
minder dreigend dan in 1S34 en 1S86; 2e. dat het na, evenmin als toen gaat om de hoofdzaak van het Christendom, maar om eene bijzaak, n.L de uniformiteit van het bevestigingsformnlier der lidmaten;
3e-dat de kerk in de Dordtsche periode nimmer eene openbare bevestiging van lidmaten heeft gehad, en wat de ceremoniën betreft nooit verder gesaan is **^ ^^ ^^ aandringen op nniformiteit — zelfe de T: i> ^^^^gsrT3^sa. van het H. Avondmaal zijn ii™«ner met bindend gezag ingevoerd;
4e. dat het voorstel der Synode om heel de Kerk te binden aan de letter van dit bevestigingsformoiier niet is overeen te brengen met de vraag: gelooft gg in den Heiligen Geest? (vraag I};
5e. dat hij de tweede vraag, en inzondö'faeïd bij de woorden jnwen HeUand in voorspoed en tegenspoed, in leven en in sterven getrottw te volgen" eene opvatting naar de letter de belijdenis onwaarachtig zou
maken; 6e. dat dere poging om tot nniformïtcït te komen bij de bevestiging der lidmaten door machtsmisbraik van de eene richting over de andere, in strijd is met de strekking van de derde vraag:
al hetwelk ons noopt U met aandrang te vragen: doet het uwe, om de crisis, & e onze kerk bedreigt, af te wenden I
! Enkele dagen na het verzenden van dit adres aan alle kerkeraden — met verzoek om eveneens te adresseereu aan de Synode — heeft de Kerkeraad van Sneek een soort
Toelicirtiiis
gegeven. Dit stuk is grooter dan het adres zelf en luidt:
In verband met verschillende vragen en opmerkingen, die ons adres aan de Synode heeft uitgelokt, hebben wij het noodig geacht den inhoud eenigszrns breeder in het licht te stellen. Wij veroorloo-en ons nevensgaande toelichting U hierbij aan te bieden:
I. Gez'oar ven sckearing: niet miiLderdnis^^ dan f« 1834 en 18S6. Afscheiding en Dcleaniie worden hier vermeld, omdat in die jaren de Gereformeerde Kerkgroep in het gedrang is gekomen door den conservatieven geest, die de Synode beheerschte. Zij dwong tot het zingen - vaa gezangen. Zij bedwong Jen strijd voor het meer autonome karakter der gemeenten. Thans - wil zij opleggen een stel bevestigingsvragen en daarmede de - arij^nKige groep in de Kerk treffen. Dit is de overheersching - van een zelfde conservatieve middencractie. & A tot leuze heeft eenvormigheid, terwip de wezenlijke eenheid geheel ontbreekt. Zij dreigt een nieuwe zwarte bladzifde toe te voegen aan de geschiedenis onzer Kerk.
2. Het gaai em é^s^^rk-aa^. De conservatie ven laten het voorkomen, alsof het gaat som de eere van Christus, om de komst - van Zijn Koninkrijk en de groctmaking Zijns Naams''' (TgL Herv. Zondagsblad 27 Maart 1915).
Hoe is dit te rijmen met het feit, dat de vrienden ^^ j-^_ j-_ Kohlbregge — ook een slachtoffer van j^^^. , ^^^--1 conservatisme de tegenwoordige be-Testigingsvragen onschriftuurüfk vinden, terwijl menig j^g^^'pj^^ji^g^j.jgjjj^jg-j-j^^.ijtj.jjjjjj^ieuweieden?
3. Vcór 1816 kad men neck een afzonderlijke 6e-•vestiging, nock eenvarmigkeid. Men had alleen de onderzoeking des geloofs met het oog op de toelating tot het AvondmaaL Zij had plaats meestal in het j; erkchacr aan de hand van een vraagboekfe, hecdj Catechismus, hetzij Kort Begrip, doch geheel naar de keuze van den kerkeraad. li^ het onderzoek be-•vredigend af, ftan werd enkel gevraagd of men bij het beledene - srilde blijven en zich onderwerpen aan de Christelijke tucht. Na toestemmende beantwoording volgden toespraak en gebed. Dat - was de soberheid van het Calvinisme, dat bg al zijn gestrengheid toch ^^-^ ^^^^ j^^, . veelvormige toeliet. Want ten aa len van het uitwendige heerschte er verscheidenheid. i^^^^^ ^g^k of gemeente kon dit, althans tot op zekere hoogte, naar haar eigen goedvinden regelen-Het - was niet te doen om eenvormigheid, maar om wezenlijke eenheid. En terwijl men willekeur of losbandigheid, indien die zich ergens vertoond hadden, wel met nadruk zou zijn tegengegaan, - was men er toch volstrekt niet op uit, allerlei bgzaken en bijzonderj^g^gjj ^^^j. gebiedend voorschrift te regelen: mea ugj. g^^^^ zooveel mogelijk vrijheid aan elke bij-• - - - zondere kerk. Zelfs Voetius hield zich niet aan de gefaruikelgke algemeene slotvragen van de onderzQ^ng-des gdoofe. Op de formuleering kwam het niet aan, als de inhoud maar dezelfde - was. De organisatie van 1S16 daarentegen - werd gekenmerkt door een geest - van centralisatie, van dericalisme, van eenvormigheid. Overal moest alles geheel op dezelfde wijze - worden ingericht. En vooral moest het plechtig neming tot lidmaat werd nu de kerkelijke plechtigrijn. De rhetoriefc had toen een groot woord. De aaa-[ hsd bij mtnemendheid. Men voerde een afeonderigfce
berestigingsbeurt in, waarbij de drie vastgestelde vragen woordelijk gedaan moesten worden. Ten opzichte van de bijzonderheden werd geen vrijheid meer vergund. Andere gebruiken en regelingen mochten nergens meer stand houden. Op de eenvormigheid werd te meer nadruk gelegd, naarmate de wezenlijke eenheid meer te wenschen overliet. (Vgl. de opstellen van Dr. F. Rutgers over de aanneming tot lidmaat in Gereformeerden zin, Heraut 1877.)
4. Htt voorstel der Synode niet overeen te brengen met het geloof in den Heiligen Geest (vraag i). Een kerk die waarlijk gelooft dat Gods Geest haar doopt met vuur, en dus een profetisch karakter draagt, klemt zich niet angstvallig vast aan een stel synodale belijdenisvragen, die slechts gebrekkig de diepste geloofsovertuigingen van duizenden harer leden, zoowel onder rechtzinnigen als vrijzinnigen vertolken.
5. Gevaar van onwaarachtigheid (in verband met de 2de vraag). Goed geteld wordt bij ontleding het gebruikelijke drietal vragen tot een negental, gaande over zaken, die vaak nog niet beantwoorden aan het geestelijk leven van jonge menschen, die zich nader aan de kerk verbinden. De oppervlakkigen stappen daarover heen, en maken zich daardoor schuldig aan onwaarachtigheid. Meerdere soberheid in het vragen ware dan ook niet ongewenscht. Daaraan kunnen de woorden »in geest en hoofdzaakct tegemoetkomen.
6. Machtsmisbruik (in verband met de 3de vraag). Met één stem meerderheid is het Synodale voorstel aangenomen. Het zou leiden tot machtsmisbruik en dwang van een conservatieve middengroep in de kerk tegenover groepen van andere'nuance, indien het tot wet werd verheven. Tevens zou dit den bloei van Godsrijk en kerk belemmeren, daar deze noch door de dommekracht van het stemmencijfer noch door het opdringen van bindend rituaal, maar langs zedelijken weg door de vrije werking des Heiligen Geestes wordt bevorderd.
Namens den KerTceraad der Ned. Herv,
Gemeente te Sneek,
Dr. G. A. WUMKES, Voorzitter.
G. HORREUS DE HAAS, Scriba.
Dr. H. T. DE GRAAF, Assessor.
Naar aanleiding van dit Adres van den Sneekschen Kerkeraad — de Toelichting was toen nog niet bekend — schreef Ds. Lingbeek van Spijk in de Gerej. Kerk het volgende :
ie. Wat betreft de dreigende gevaren van een nieuwe afscheiding voor het geval dat de voorgestelde wijziging werd aangenomen, diene het volgende:
In 1834 en 1886 heeft het Bestuur der Hervormde Kerk niet geaarzeld de in hare oogen toen noodige stappen te doen, al heeft de Kerk daardoor ook een half millioen leden verloren j en dat wel zulke leden, . die ontwijfelbaar tot de meest aan godsdienst en kerk, ook aan de belijdenis der Hervormde Kerk verkleefden, behoorden. (We bedoelen hiermede natuurlijk de tegenwoordige Afgescheidenen).
Wanneer nu dat Kerkbestuur, dat er niet tegen heeft opgezien een half millioen van hare orthodoxe leden van zich te vervreemden, thans aarzelde de haar bedunkens noodige stappen te doen, uit vrees van daardoor eenige leden uit den juist tegenovergestelden hoek te verliezen, dan zou het Kerkbestuur eerst recht blijken een Partijbestuur te zijn, dat toonde niet met het belang der Kerk, maar alleen met de wenschen der Modernen te rekenen.
2e. Wat betreft de opmerking, dat het in de zaak van de belijdenisvragen niet gaat om de hoofdzaak van het Christendom, maar om zaken van minder belang, antwoorden wij :
Het gaat hier juist en alleen om de vraag of van de nieuwe lidmaten onzer kerk zal verlangd worden, dat zij ten minste zullen instemmen met de groote hoofdzaak van de Christelijke belijdenis.
3e. Wat betreft, dat in de Dordtsche periode nooit eene openbare bevestiging heeit bestaan, diene ten antwoord, dat in de Dordtsche periode wel degelijk de jonge leden zijn onderzocht eer zij ten Avondmaal werden toegelaten; dat immers de Dordtsche kerkorde uitdrukkelijk voorschreef, dat niemand ten Avondmaal zou worden toegelaten dan die belijdenis der Gereformeerde religie had gedaan, en dat dit onderzoek naar de Gereformeerde religie der nieuwe lidmaten werd geleid door zulke leeraren, die zelfde belijdenisschriften der kerk hadden onderteekend (zie Dordtsche kerkorde. Hoofdstuk III, artikel LXI en LUI); waaruit blijkt dat van vrijheid op dit gewichtige stuk alstoen geen sprake is geweest.
4e. Wat betreft het bezwaar, dat een binden van de Kerk aan de letter van het bevestigingsformulier niet zou zijn overeen te brengen met de vraag: gelooft gij in den Heiligen Geest? diene, dat dat een wederdoopersch, maar geen Hervormd bezwaar is. De wederdoopers en dergelijke geestdrijverachtige secten immers waren gewoon scheiding te maken tusschen den Heiligen Geest en het Woord der waarheid, maar de Hervormden hebben altijd geleerd dat de Heilige Geest, die in het Woord spreekt, Zichzelven niet tegenspreekt en dus alle ware geloovigen ook leert zich aan de waarheden van dat Woord te onderwerpen. Tevens stemden zij natuurlijk van harte in met wat de apostel Johannes schrijft, dat - Dalle geeet, die niet belijdt, dat Jezus Christus in het vleesch is gekom, en, die is uit God niet, < i. (en dus ook z niet uit den Heiligen Geest), i> maar dat is de Geest van den Anti-Christ.i (i Johannes IV —3).
5e Wat betreft dat bij de woorden „uwen Heiland in voorspoed en tegenspoed, in leven en sterven te volgen" eene opvatting naar de letter de belijdenis onwaarachtig zou maken, antwoorden wij, dat alleen bij die jeugdige lidmaten, die in hun hart ongeloovig waren, maar die ten einde maar het lidmaatschap der Kerk te verkrijgen, nochtans de belijdenis-formule beaamden, van onwaarachtigheid spake zou zijn, waarom de Kerk natuurlijk ook zulk eene onwaarachtige belijdenis van 'niemand zou mofen begeeren. Maar dat op degenen die met een oprecht geloofde belijdenisvragen toestemmend beantwoorden, geen smet van onwaarachtigheid kan worden geworpen.
6e. Wat betreft de bewering, dat deze poging om tot uniformiteit te komen bij de bevestiging der lidmaten, door machtsmisbruik van de eene richting over de andere, in strijd is met de strekking van de derde vraag, die de belofte eischt om tot den bloei van het Godsrijk in het algemeen en van de Nederlandsche Hervormde Kerk in het bijzonder, met opvolging van hare verordeningen naar uw vermogen volijverig mede te werken, diene wat volgt:
a. dat wanneer van rechtzinnige zijde telkens opnieuw de eisch weerklonk om herstel der oude „meerdere vergaderingen, " opdat onzekcrk weer de gelegenheid zou bezitten óm niet alleen de overgeleverde leer te handhaven, maar om ook mogelijke bezwaren, die tegen eenig punt dier leer mochten zijn opgerezen, te bespreken en te onderzoeken, de vrijzinnigen zich daartegen altoos met hand en tand hebben verzet;
dat wanneer dan onzerzijds een poging wordt gedaan om, bij gebrek aan het voorgaande ön overeenkomstig artikel 11 van het Algemeen Reglement, de leer, der kerk eenvoudig te handhaven, de vrijzinnigen mede in opstand komen en spreken van een machtsmisbruik van de eene richting over de andere;
dat het dus blijkbaar de vrijzinnigen om niets anders te doen is dan om onze kerk te maken tot eene kerk, waarin het een ieder vrijstaat om te gelooven en te belijden wat hij zelf wil;
dat dit streven der vrijzinnigen echter beoogt een machtsmisbruik tegenover onze kerk, die blijkens hare historie niet een neutraal godsdienstige, maar altijd eene Christelijke en eene Hervormde kerk is geweest;
b. dat wij ook niet inzien, maar veeleer ontkennen, dat door het aanbrengen van eenstemmigheid in de belijdenisvragen de bloei van het Godsrijk of van de Hervormde Kerk zou worden belemmerd.
Want wat het Godsrijk betreft, de Koning van het Godsrijk heeft immers zelf verklaard, dat Hij gekomen is om der waarheid getuigenis te geven, en dat een ieder, die uit de waarheid is, hoort zijn stem (Johannes XVIII : 37) Hoe zou het dan den bloei van het Godsrijk kunnen tegenstaan, wanneer van de jeugdige lidmaten instemming met die waarheid werd geëischt?
Heeft niet de Koning van het Godsrijk Zelf eenmaal Zijn discipel Petrus gevraagd naar diens belijdenis en hem zalig gesproken op deze ondubbelzinnige belijdenis, dat Hij was de Christus, de Zoon des levenden Gods? (Mattheus XVI : 16).
Wat verder de Hervormde Kerk in het bijzonder betreft, hoe zou éénstemmigheid van belijdenis bij hare leden haren bloei kunnen tegenstaan?
Heeft de Heiland zelf niet nadrukkelijk verklaard, dat een huis, dat tegen zichzelf verdeeld is, niet kan bestaan? En mogen wij het op grond daarvan niet veilig beweren, dat niets den bloei onzer kerk meer kan tegenhouden dan dat wat de één zijne belijdenis noemt in de oogen van den ander niets minder is dan openbaar ongeloof en eene openlijke miskenning van de heiligste ter zaligheid geopenbaarde waarheden ?
En wel erkennen wij, dat eenzelfde mondelinge belijdenis van al hare leden den \< aarachtigen bloei der kerk nog niet in zich sluit. Daartoe is meerdere genade noodig!
Maar zeker zal de kerk des Heeren onmogelijk kunnen bloeien, wanneer zij aan zulke jongelieden den toegang tot de tafel des Heeren opent en hen als broeders en zusters in den Heiland erkent, die niet eenmaal bereid zijn hunne instemming te betuigen met wat de kei-k des Heeren van alle eeuwen van haar begin tot aan de opkomst van het Moderne ongeloof, met blijdschap heeft beleden tot zaligheid.
Beroept eindelijk de Kerkeraad van Sneek zich nog op de Kerkelijke verordeningen, waarvan immers de derde belijd.vraag ook spreekt, dan herinneren wij er aan. dat de opvolging van de kerkelijke verordeningen, waarvan hier sprake is, ook de opvolging van artikel 11 van het Algemeen Reglement in zich sluit; dat is van dat artikel van de Grondwet onzer Kerk, hetwelk aan alle leden en besturen de handhaving der leer ten duren plicht stelt; en wij verstaan niet hoe het voorstel der Synode, om aan de willekeur wat betreft de belijdenisvragen een einde te maken, daarmede op eenigerlei wijze in strijd zou kunnen zijn.
We lazen in de N.R.Ot. van 20 Maart j.l. dit stukske:
De belijdeniskwestie.
De beslissing over het voorstel van de synode om „geest en hoofdzaak" uit de belijdenisvragen te schrappen, zegt ds. S. K. Bakker in de Hervorming, ligt bij de ethischen. „Een van de overwegingen, waardoor sommigen zich blijkens uitlatingen van ethische zijde laten leiden, is zeer pijnlijk voor ons. De broodvraag wordt nl. overwogen. Een medelijden met de gezinnen van wie misschien om des beginsels wille zouden moeten heengaan, bezwaren om kollega's aan het gebrek prijs te geven, schijnt sommigen te doen aarzelen in hun beslissing en hen er toe te brengen om tegen eigen goedvinden in neen te zeggen, waar ze eigenlijk ja bedoelen.
„Ik kan niet zeggen, dat het vooruitzicht mij toelacht, in de kerk te kunnen blijven, omdat sommigen onzer tegenstanders vreezen, dat wij buiten ons tegenwoordig ambt onze boterham niet zouden kunnen verdienen. Daarin zit voor mijn gevoel iets zoo stuitends, dat ik hen zou willen vragen: dit toch asjeblief niet te doen, geen beginselen te schenden ter wille van onze financieele toekomst. Daarvoor zullen we, mocht het onverhoopt zoover komen, zelf wel zorgen. Maar onze positie te danken aan de goedertierenheid der ethische kollega's, dat zou ons brood zeker bitter maken. Willen ze ons laten blijven, goed, maar laten ze het «Lan doen op overwegingen die wij kunnen waardeeren, op gronden van billijkheid. Maar onze boterham moest buiten het geding blijven."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 april 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 april 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's