Uit het kerkelijk leven.
Van verborgen omgang.
Het kan niet ontkend worden, dat in de laatste vijftig jaren het reformatorisch beginsel in ons volksleven weder in kracht is toegenomen. Als een rijsje uit een verdorden stam schoot het op door de reuke van Gods wateren. De Heere liet ons volk, liet ook onze Kerk nog niet los. Toen het geestelijk leven als verstorven lag, werd er weder nieuw leven gewekt. De doovende vonk, die onder de assche dreigde te vergaan, werd weder aangeblazen tot een gloed. En we konden zien, dat in steeds breeder kring de geestdrift voor de aloude beginselen, die eens het leven onzer vaderen bezielden, weer herleefde. De strijd werd aangebonden op meer dan één gebied. Door het Christelijk onderwijs werd Gods Woord weder uitgedragen onder de kinderen van ons volk en in samenhang daarmede wies ook op kerkelijk erf het volk, dat vraagt naar de geestelijke goederen ons van de vaderen overgeleverd. Zelfs als men meende, dat, na de aftapping van veel levensbloed in scheiding en doleantie, het met de gereformeerde beginselen in onze
Herv. Kerk zou gedaan zijn, bleek ook hier hunne onuitroeibare levensvatbaarheid. Klein en nietig in aantal, verspreid over het gansche land scheen het inderdaad alsof er voor onze menschen geene verwachting meer kon zijn. En toch heeft God ons getoond, dat het voor Hem niet te wonderlijk is uit de steenen Abraham kinderen te verwekken. Weer zijn we geworden tot een groep, die in ©ns kerkelijk leven beteekenis heeft erlangd, tot een groep, waarmede moet worden gerekend. Zeker, we zouden meer invloed kunnen oefenen, we zouden machtiger kunnen zijn, indien allen, die vasthouden aan de leer ons van de vaderen overgeleverdjzich aaneensloten, indien zij kleine onderlinge veeten vergeten konden om het ééne grootsche doel voor oogen te hebben en de oude spreuk van het „eendracht maakt macht" in beoefening te brengen. Ongetwijfeld er is, indien we op dit alles zien, oorzaak tot verootmoediging te over. Maar het feit dier schuldige verdeeldheid zelf zou er niet gevonden worden, als we in aantal niet waren gewassen. Het is niet ongewoon in de geschiedenis van Gods gemeente, dat de voorspoed gepaard gaat met de zonde van tweedracht en twist. Hoezeer daardoor hare kracht wordt gebroken behoeft geen betoog. Zij wordt er bovendien eene aanfluiting door voor de wereld, die gaarne heenwijst naar hetgeen bij ons wordt aangetroffen in strijd met de heerlijkste en schoonste geestelijke en zedelijke goedereu, die Christus aan Zijne discipelen beloofd heeft. De opbloei eener geestelijke beweging wordt steeds bedreigd door het gevaar barer innerlijke verzwakking tengevolge van den splijtzwam der verdeeldheid.
Maar naast dit ééne bezwaar drukt nog een ander. De geschiedenis leert, dat een geestelijke beweging ook steeds bedreigd wordt door inzinking van kracht. De heerlijke, warme geestdrift die het jeugdig leven kenmerkt en die zoo weldadig aandoet, loopt weldra kans te verloopen. Het oude spreekwoord, dat in de eerste eeuwen onzer jaartelling den toestand der kerken teekende, luidde: „toen de kerken waren van hout, waren de priesters van goud; toen de kerken werden van goud, werden de priesters van hout." En niemand kan ontkennen, dat met de toename van onzen invloed, met het grooter worden van onze groep, zich hetzelfde verschijnsel zou kunnen voordoen. Wie terugdenkt aan de dagen van 1886, aan de groote geestdrift, die de schare bezielde, aan het schier onbedwingbaar schijnende heimwee naar een kerkelijk leven, dat de tucht zou handhaven, de leer niet maar in schijn, maar inderdaad zou doorzetten, die staat wel eenigszins verbaasd, als hij hoort en ziet, hoe veler ideaal niet is verwezenlijkt. Het bleek in menig opzicht een srelle afloop van wateren. Er is een groot onderscheid tusschen het heden en het voor vijf en twintig jaren. Verwonderen echter behoeft het niet en men moet er ook geen argument aan ontleenen tegen de van ons gescheiden groepen, want het is een verschijnsel niet nieuw onder de zon. En wij kunnen er aan toevoegen, dat ook wij gevaar loopen, dat het ons alzoo vergaan zal.
Een geestelijke beweging kan slechts stand houden zoolang het geestelijk leven, waaruit zij opkomt, zijne frischheid behoudt. Elke geestel^ke beweging, die in hare beginselen verzwakt, kan zeker in vormelijken zin haar bestaan rekken, maar is gedoemd tot inzinking van kracht. De ervaring leert het op elk gebied, dat zoodra een beweging zich in haar diepste levensbeginselen niet rein weet te houden, ook haar kracht begint te breken. Het is nog altijd de herhaling van Simsons geschiedenis. Toen hij zijn Nazirëerschap niet meer heilig hield en zijne haarlokken waren afgesneden, week van hem de kracht. Langzaam maar zeker verdringt dan een doode vormelijkheid de levende werkelijkheid.
Dat gevaar dreigt ook ons. En dat wel op tweeërlei wijze. Eenerzijds komt er op een prediking die niet verder gaat dan de klanken. Een doode zoogenaamde voorwerpelijkheid, waaraan alle geur en kleur ontbreekt, waarin geen ademtocht van Gods Heiligen Geest is te speuren en die de schare koud laat en dood, zoodat zij heengaat gelijk zij kwam.
Dan Vordt er niets meer gevoeld van de teederheid des geestelijken levens; de roep tot wedergeboorte en bekeering, tot een inleven van Gods waarheid wordt niet meer verstaan. Het levend beginsel is verstorven en de levende waarheid der leer werd tot een soort zwakke en geurlooze philosophic, tot een praeparaat, dat het leven van Gods kinderen moet vervangen. De kunstbloem kan schoon schijnen, maar zij staat altijd achter bij de levende natuur. Zij verveelt ten slotte steeds hem, die gedwongen is er naar te zien. Zoo ook hier. Een tijdlang mag zulk een vormelijke voorwerpelijkheid het uithouden, ten laatste echter verliest zij alle bekoring. En vooral de jeugdigen van jaren, zij worden er eer door afgestooten dan door aangetrokken. Zij vinden niet de warmte, die zij behoeven, en dan dolen zij af naar allerlei dwaalleer, die met wat geestdrift toegediend, soms onder den schijn van wetenschap en wijsheid, een groote zuigkracht bezit.
En naast die doode vormelijkheid, die de lotende waarheid t«t een doode, uitgedroogde mummie dr«igt te maken, is er nu een ander gevaar, dat opkomt uit het tegengestelde der zoogenaamde voorwerpelijkheid. Tegenover deze staat een zoogenaamde onderwerpelijkheid, die niet veel meer geworden is dan een ziekelijke mystiekerij, die aan al wat grillig ia en vreemd een welbehagen heeft. Gods Woord wordt niet meer gesteld op de waarde, die het heeft. In de plaats der woorden Gods treedt het woord dea menschen, het woord der menschelijk« vroomheid, dat handelt over de diepten van den menachelijken geest, over de afgronden en de bergen van het geestelijk leven, maar zonder dat er meer voeling wordt gehouden met Gods Woord. De oude vader Smytegeld sprak van den bijbel als zijn dierbaarste boek, omdat daarin was „de ontdekking van mijn eeuwig heil, zonder dat boek wist ik het niet, vleesch en bloed heeft het mij niet geopenbaard, maar Uw Woord is mijn wegwijzer, mijn raadsman, mijn opwekker. Ik gaf het niet voor de geheele wereld." Doch daarvan weekt menigeen langzaam maar zeker los. Soms schijnt het ons, alsof de menschen de gezonde leer niet meer kunnen verdragen en kittelachtig geworden zijn van gehoor. In de plaats der begeerte naar het Woord Gods trad een ziekelijke zucht der zelfbehaging. Van een spijze Gods is geen sprake meer, er moet getokkeld op gevoelssnaren. Leering uit Gods Woord is geene behoefte meer. De prediker, die uit dat Woord de schatten voortbrengt, wordt als min geestelijk gebrandmerkt. Aan zijne bekeering wordt getwijfeld, soms zelfs driest ontkend, hoewel toch geen mensch als een hartenkenner aangesteld werd. Groot gewicht wordt gelegd op het gebruik van zeer vreemde uitdrukkingen, die den lachlust zouden opwekken, indien de zaak niet te ernstig was. Men zit neder onder wartaal, inplaats van onder gezonde prediking. Hoewei er niets te begrijpen, laat staan te leeren valt, wordt toch immer verklaard, dat het erg „dierbaar" was. En wat het vreeselijkst geoordeeld moet, dat is de geringe waardeering, die er onder zulke quasi gereformeerde kringen gevonden wordt voor een rein zedelijk leven. Met de geringaehting van Gods Woord, met de verheffing van het vrome vleesch, gaat uit den aard der zaak saam de afwijking op zedelijk gebied. Zoo wordt de naam „gereformeerd" menigmaal een aanfluiting voor de wereld. Van een waarlijk gereformeerd leven zonder Gods Woord kan evenaiin sprake zijn, als van een gereformeerd leven zonder den Geest Gods. Woord en Geest zijn altijd de twee groote factoren, waardoor God de Heere Zijne gemeente wekt. En waar één dezer twee niet gevonden wordt, daar treedt de dood in, daar zakt de gemeente langzaam maar zeker weer af naar de wegen der dwaling, waaraan zij soms pas na ernstigen en bangen strijd is ontkomen. Voorbeelden zijn er, die het ergste doen vreezen. Zij beginnen met den Geest en eindigen met het vleesch. In de plaats van het waarachtige, gezonde geestelijk leven treedt een ziekelijke, naargeestige levensopvatting, die alle hoogere wijding derft. In de plaats van de spig/e Gods die uit den hemel is nedergedaald, treedt een quasi-bevindelijkheid op, die meer de vrucht schijnt van .zenuwafwijking of van 's menschen eigen geest dan van den levenwekkenden adem van Gods Heiligen Geest. Een beschimmeling der zielen vervangt de vrijheid en de heerlijkheid van het kindschap Gods, omdat achter al dit natuurlijke, onoprechte, schijnleven de waarachtigheid ontbreekt.
Het schijnt nu eenmaal, dat in onzen tijd er een losmaking is van alle banden. In heel de wereld, op elk levensgebied wordt er met hetgeen de eeuwen verduurde, hoe langer hoe minder gerekend. Er gaat door het leven onzes tijds een stroom van anarchie. En het schijnt, alsof deze ook in de kringen van Gods gemeente haren invloed begint te doen gelden. Zeker is het, dat het opkomend kwaad van een zoogenaamde bevindelijkheid, die Gods Woord niet noodig beweert te hebben en van de tucht en de kennis des Woords niet wil weten, een vorm is van diezelfde anarchie, die ook op ander gebied steeds gepaard gaat met allerlei ziekelijk mysticisme.
Terugkeer tot, vasthouden aan het Woord Gods is de eerste voorwaarde voor echt geestelijk leven. Het Woord alleen kan ons een lamp voor den voet en een licht op het pad zijn. En als we dan ook in deze artikelen over den verborgen omgang met God zullen handelen, dan zal het ons doel zijn door het Woord Gods te leeren kennen dat waarachtige geestelijk leven, waarin de heiligen zich hebben verblijd, dat zij gesmaakt hebben door het geloof, dat hun geleerd heeft wat het zegt: op te wassen in de kennis en in de genade van onzen Heere Jezus Christus en waarin zij ook eenmaal zalig zijn gestorven, omdat zij het Woord, dat in hen geplant werd en dat hunne zielen kon zalig maken, hebben ontvangen met zachtmoedigheid.
Tot rechtvaardiging van de keuze van ons onderwerp meende ik echter te moeten wijzen op de gevaren, die ons tegenwoordig niet slechts bedreigen, maar ook op het kwaad, dat in ons gereformeerde volksdeel dreigt in te sluipen.
Kerkelijke hoogleeraren.
Onze wet op het Hooger Onderwijs verleent aan de Ned. Herv. Kerk bevoegdheid om nevens de hoogleeraren, die van staatswege onderwijs geven er twee te benoemen, die belast worden met specifiek kerkelijke leervakken. De bedoeling der Hooger-Onderwijswet namelijk was de Theologische Faculteit te vervormen tot een zoogenaamd streng wetenschappelgk instituut, dat vrij van alle confessioneele smetten het verschijnsel van den godsdienst zou hebben te onderzoeken. Voor al wat naar kerkelijke dogmatiek zweemde, mocht er geen plaats zijn. In de practijk kwam dit natuurlijk neer op een instituut, dat slechts het modernisme dienen mocht. Doch daar een theologische faculteit toch ook een practische waarde moet vertegenwoordigen om te kunnen bestaan, moest er een middel gevonden worden om haar als opleidingsinstituut voor de Kerken bruikbaar te maken. Daarvoor nu vond men uit de instelUng der zoogenaamde kerkelijke hoogleeraren, die door de Kerk konden worden benoemd, maar door den Staat zouden worden betaald. En zoo zetelen dan ook aan elke Rijks-Universiteit twee door den Staat betaalde kerkelijke hoogleeraren, die eer eenigszins tweeslachtige positie innemen in verband met het universitaire kader. Immers deze heeren zijn uit den aard van hun «mbt niet belijdenisloos, gebonden aan de geesten en hoofdzaken der Ned. Herv. Kerk. Zoo heeft dus van de invoering dezer Hooger-Onderwijswet aan de Synode onzer Kerk de bevoegdheid gehad zulke hoogleerareu aan te wijzen. Wij kunnen nu de vraag laten rusten naar de smadelijk slaafsche verhouding, waarin de Kerk door dit instituut is geplaatst. Wij behoeven thans niet stil te staan bg de vraag, of de Ned. Herv. Kerk niet meer achting en eerbied zou hebben afgedwongen, als zij zelve de opleiding barer aanstaande leeraren had ter hand genomen. Nu is het slechts onze bedoeling te wijzen op het gebruik, dat de Synode van hare bevoegdheid in dezen heeft gemaakt. En dan doet het ons leed te moeten constaieeren, dat heel deze bevoegdheid door haar misbruikt is tot de kleinzieligste partij-oogmerken. Moderne Synoden benoemden uitsluitend moderne hoogleeraren. De vraag of de heeren tot de partij behoorden, was de eerste vraag. De rest was misschien niet geheel, maar toch vrijwel bijzaak. Waren de Groningers de baas dan bedeelden zij bet godgeleerd Hooger-Onderwijs met hunne gunstelingen. En nu de ethische fractie aan het roer is, zien we de herhaling van hetzelfde verschijnsel. Voor het hoogleeraarschap zqn nu plotseling alleen ethische heeren geschikt. Naar men fluistert, spelen bij zulke benoemingen allerlei invloeden een overwegenden rol.
Intusschen moet erkend, dat het thans voorgedragen drietal zich daardoor gunstig onderscheidt, dat de mannen wier namen er op gezet zijn een goeden klank hebben wat hunne bekwaamheden betreft. Hun geldt dan ook uit dat oogpunt niet ons bezwaar. Wel het verschijnsel, dat al zulke vragen uitsluitend beheerscht worden door het enghartigste partij-egoïsme en niet door de algemeene levensbelangen der Kerk. Immers, , deze algemeene levensbelangen zouden de verwachting mogen wekken, dat er ook eens gerekend werd met de belangen van het grootste deel van het kerkgaand publiek. Nu men met de belijdenis der Kerk geen ernst maakt, ligt het toch voor de hand, dat men rekenen kon met de behoeften der gemeenten. En die wijzen uit, dat er groote behoefte bestaat aan een paar gereformeerde hoogleeraren. Het doet ons dan ook leed te moeten constaieeren, dat van de gereformeerde en de hun zoo na staande confessioneele broederen niet één man in aanmerking komt. Ons dunkt dat de benoeming van een confessioneel man geen overbodige weelde was, ziende de nooden der gemeenten, die hoe langer hoe meer uiting geven aan de begeerte naar des; elijke onderlegde gereformeerde dienaren des Woords. Dit klemt te meer, wijl er onder de confessioneele broederen zeker wel eenige gevonden worden, die voor een kerkdijken leerstoel de geschiktheid en de bekwaamheid bezitten. Uit het oogpunt van kerkelijke belangen beschouwd, zou wat minder partijdigheid en wat ruimer opvatting vooral in de commissie van voordracht geen overtollige weelde zijn. De enghartigste partijzucht, die in die kringen zoovele jaren voorzat, heeft zeker niet gestrekt om den eerbied voor het kerkelijk onderwijs te verhoogen. Zij deed der Kerk groote schade, wijl hare waardeering in de kringen der buitenstaanders er door werd verlaagd. Bovendien leert de ervaring, dat een eenzijdige bevoorrechting van de bovendrijvende richting toch niet in staat is de richting der aankomende predikanten te beheerschen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 april 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 april 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's