De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

19 minuten leestijd

Van verborgen omgang.

IL

Niemand heeft genoeg aan een louter historische kennis van de dingen van Gods Koninkrijk en niemand kan zonder deze. En omgekeerd heeft ook niemand genoeg aan een louter gevoelsleven, aan louter bevindelijkheden, omdat deze zonder en buiten Gods Woord om geene vruchten zijn eener ware godzaligheid, van echt geestelijk leven. Daarom is het ook niet aanbevelenswaardig te spreken van voorwerpelijke en onderwerpelij ke prediking. Wij behoeven noch de eene, noch de andere, maar de levende verkondiging van Gods Woord. De Heilige Schrift is niet slechts geschiedenis, niet slechts beschouwing, maar geschiedenis des geestelijken levens en dus een levensbeeld. En Gods kinderen hebben niet slechts een zekere verstandelijke overïuiging, tengevolge waarvan zij bepaalde beschouwingen deelachtig zijn, maar zij hebben een leven in de goedgunstigheid Gods. En zoo leert ons dan ook de Catechismus, dat het ware geloof niet alleen is een zeker weten, waardoor voor waar gehouden wordt hetgeen God geopenbaard heeft, maar ook een zeker vertrouwen, dat vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is. Zooals op natuurlijk gebied ons leven niet alleen een verstandsleven is, maar ook gedragen wordt door den rijkdom des gemoeds, zoo is het ook in geestelijk opzicht. Het geestelijk leven kent zeker verstandelijke elementen. Immers, wie tot God komt^ zegt de apostel, moet gelooven, dat Hij is en een belooner is dergenen, die Hem zoeken. En de Schrift leert ook, dat niemand gelooven kan, tenzij hem gepredikt worde. Maar dit is niet alles. Achter dit verstandelijke schuilt de innerlijke verborgenheid des harten, waarin God de Heere de wonderen Zijner genade Werkt en dat in het verstand zijn albeheerschenden invloed openbaart. Voor het ware geestelijke leven kan dus noch het verstandelijke, noch het dieper geestelijke worden ontbeerd. Een wiegen op de golfjes van het gevoel mag behagelijk zijn, kenteeken van een oprecht geestelijk leven is het niet. En omgekeerd het bespreken van allerlei leerstukken, het beredeneeren der waarheid mag een schijn van wijsheid bijzetten, de godzaligheid zelve is het niet, want zij bestaat niet slechts in woorden maar in kracht.

Gods ware kinderen zijn een geestelijk leven deelachtig, waardoor zij met al de verborgenheid der zielediepte in Gods gemeenschap verkeerend, wandelen voor Zijn aangezicht, zich verblijden in Gods licht. Zij vinden Gods verborgen omgang. Zij smaken gemeenschap met den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus. De Schrift wijst er steeds met den grootsten nadruk op, dat Gods heiligen vrijmoedigheid hebben en den toegang met vertrouwen door het geloof. Zoo wordt ons Abraham geteekend als een vriend Gods, David als een man naar Gods hart, die in menig lied ons de gangen zijns levens bezong*, en Henoch als een, die wandelde met God. Altemaal teekeningen, die ons leeren moeten, hoe zij een levensgemeenschap met hunnen God kenden, die aan gansch hun geestelijk leven het karakter der echte godzaligheid geeft. Zij hebben allen met vrijmoedigheid des geloofs naar de mate van Oud of Nieuw Verbond een gemeenschapsleven geoefend, waardoor zij langs den verschen en levenden weg in profetie of in vervulling door éénen Geest den toegang verkregen tot den Vader.

Val nature echter heeft niemand gemeenschap met God. De zonde maakt scheiding. Zij verduistert het verstand, zoodat er van eene kennis Gods zelfs geen sprake meer kan zijn en dus veel minder nog van een wandel met Hem. God is een Licht en wij zijn duisternis. Licht en duisternis hebben geene gemeenschap. God is de levende God en wij zijn van nature dood in misdaad en zonde. Hij is de Liefde en wij verkeeren in vijandschap. Hij is de Heilige en wij zijn bezoedeld en bevlekt. Hoe zou er dan bij zulk een diepgaand onderscheid van eene verhouding kunnen sprake zyn, die inderdaad' een omgang met Hem mogelijk maakt? „Hoe zouden twee tezamen wandelen, tenzij dat zij bijeengekomen zijn? " vraagt de profeet. De afstand tusschen God en den zondaar is zoo groot, dat er van eene overbrugging geen sprake kan zijn. De mensch komt niet tot Hem. De mogelijkheid zelfs is' afgesneden. In het wezen van den zondestaat ligt opgesloten de volstrekte onbekwaamheid om zijne duisternis te veranderen in licht. En zoo zou het gebleven zijn, indien de Heere zelve geen weg geopenbaard had, waarlangs de wederkeer wordt mogelijk gemaakt niet alleen, maar ook inderdaad wordt verwezenlijkt. De betooning der genade opent ons een deur in den hemel. In onzen Heere Jezus Christus alleen zijn zij, die verre waren, nabij geworden door Zijn bloed, In Hem is er een gemeenschap met God alleen mogelijk. Zooals de Heere Jezus Christus door Zijne vernedering ons vleesch en bloed deelachtig werd en als zoodanig deel kreeg in onze natuur, met ons in levensgemeenschap trad, zoo is Hij ook de van God gegevene, opdat wij gemeenschap herkrijgen met Hem.

De gemeenschap aan iets sluit altijd in  zich een deelen in de gaven en de goederen. Gods kinderen, als zij met elkander gemeen­schap mogen oefenen, ontsluiten voor elkaar den levensschat, dien zij verkregen. Zij deelen  in elkanders donkerheid en strijd, zoowel als  in elkanders vreugde over de wegen des levens, waarover de Heere het liefelijk licht Zijns aanschijns deed opgaan. Zoo is er ook in n Gods gemeenschap een deelen in elkanders gaven, een ontsluiten des harten. Doch altijd zóó, dat het oneindig onderscheid tusschen God en Zijn schepsel gehandhaafd blijft. De Heere doet Zijne allesvervullende genade gestand. Bij Hem zijn de uitgangen des levens. Hij zoekt den zondaar, Hy trekt en leidt hem. Van Hem gaat dus ook de gemeenschap, de mededeeling Zijner gaven uit. Zooals Hij in het natuurlijke Zijne hand opendoet en verzadigt wat daar leeft, zonder dat wij bij machte zijn ook maar aan een enkele grasspriet het leven te geven, zoo is ook geestelijk elke planting gewrocht van Gods alvermogen. Hij deelt Zijne gaven aan Zijne kinderen toe, opdat zij, smakend dat de Heere goed is, Zijne gemeenschap zullen kennen. Maar omgekeerd legt nu ook de zondaar voor zijn God neder wat hij zijn God te geven heeft. Dat zijn geen kostelijke gaven, geen schatten des levens, maar slechts vruchten des doods. Ook in de gemeenschap met God kan hij Hem nooit anders brengen dan zijne duisternis, dan de klacht over zijne zonde, den boei zijner ongerechtigheid, dan datgene wat scheiding maakt, wat gemeenschap met Hem verhindert. De zondaar kan niet anders dan den Heere doen deelen in wat juist is de kommer en de klacht van zijne ziel. En die gaven Gods en die klachten, die ons gemoed bezwaren, zij worden uitgewisseld daar waar God en mensch elkander ontmoeten en dus in onzen Heere Jezus Christus, die als Immanuel onzer één was, ons in alles gelijk uitgenomen de zonde. In Hem deelt God zich mede aan ons, keeren wij ons tot Hem, ontvangt de zondaar het wisselkleed voor het onrein gewaad, dat hem dekte van nature. Die gemeenschap is in dit leven altijd slechts betrekkelijk. Het zijn slechts beginselen, eerstelingen. Zij wordt in deze bedeeling voor het besef van Gods kinderen menigmaal onderbroken. Zooals het zonlicht onderschept wordt door de wolken, zoo wordt maar al te dikwijls ook Gods aangezicht niet gezien. Eerst als al het oude is voorbijgegaan en alles nieuw geworden is, zal er van eene gemeenschap sprake zijn, waarbij wij alles van onzen God ontvangend ook al het onze, onszelven geheel in Zijne hand zullen geven.

Dé gemeenschap met God is echter altijd eene mededeeliag van goed van Gods zijde, een mededeeling onzer zondenooden onzerzijds, een mededeeling in Christus en door Hem. Doch nimmer komt die tot stand door onszelven. De Heere leidt er Zijne kinderen toe. En daartoe bewerkt Hij hen door Zijnen Heiligen Geest. Ja, door Zijnen Heiligen Geest schept en onderhoudt Hij dien verborgen omgang in het hart Zijner kinderen. De Heilige Geest maakte op den Pinksterdag woning in de gemeente. Door en in Hem woont God in Zijn volk. Het is een wonder diep ervaren, als een zondaar aan zicbzelven wordt ontdekt, als de zonde niet langer een woord voor hem is, maar eene ontzettende werkelijkheid. In de conscientie vlamt het dan op en in haar gloed verteert de zondaarsrust. Hij leert nu wat het zegt verloren te zijn en diepe voren trekt het kouter van het berouw door den akker der ziel. De zondaar wordt schuldenaar. Schuldenaar voor God. Aan hem wordt vervuld, wat ook de Psalmdichter ervaarde, toen hij zeide: Mijne zonde maakte ik u bekend en mijne ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: ik zal belijdenis van mijne overtredingen doen voor den Heere. En als dan de verbroken en verslagen zondaar als schuldenaar voor God staat, en Hem zijne zonden en ongerechtigheid belijdt in de verborgenheid zijns harten, dan is die God, voor wiens aangezicht hij staat, God de Heihge Geest.

Er wordt weinig met Hem gerekend, weinig over Hem gesproken en toch heeft Gods kind zooveel met Hem te doen. Van de eerste roerselen van zijn geestelijk leven, van de teederste ontdekkingen, die zich uitten als het schroom vol besef van doling op wegen, die niet goed zijn, als zachte rimpeling van de snaren der conscientie was het de Heilige Geest, die Gods kind aanraakte op de wonder verborgen wijze, waarvan de Heere Jezus ons sprak in de gelijkenis van den wind, welks geluid wij hooren, maar waarvan wij niet weten herkomst noch doel. En zoo bleef het den levensweg over, als wij Hem niet zagen en als er toch uit de diepten der ziel die geheimnisvolle trekxingen zich in ons bewustzijn openbaarden, die ons heenlokten, heendrongen, heenvoerden om water te scheppen uit de fonteinen des heils. Dan was Gods Geest de Leidsman, die in het verborgene arbeidde en uit wiens daden wij ten slotte klaar werden over Zijne verschijning op den akker onzer ziel.

En zoo was het bovenal als een gebedsworsteling ging door ons geestelijk wezen. Het gebed kan als een machtig opruischend lied der ziel in zoo velerlei toonaard gezet zijn. Het kan als uit de stormen ontketend een aanloopen Gods.zijn, dat de Psalmist vergelijkt met den waterstroom, die God aanloopt. In het gebed kan de ziel, geklemd in haar nooden, haar krachten op het hoogste spannen, zoodat er als hartstocht gaat door zijn adem. Het gebed kan het lied zijn, dat God beloofd heeft te zullen geven in den nacht. Het kan zijn als de stormvogel, die opvaart van de donkere wateren onzer ziel om het licht des hemels te zoeken. Maar het kan ook liefelijk ruischen als van de harpe van het door God zelf vertrooste gemoed. Het kan een suizen zijn als der zachte koelte, als de ritseling door het loover, dat de lente zucht beroert. Dan is er een zalig genieten in de der ziele klaar geworden zekerheid. dat de hemel geopend is en des Heeren oor geneigd tot de zuchting van ons hart. In het gebed, hetzij dan als het stormgeklank, hetzij dan als de teedere melodie van het loflied des levens, is altijd toch de aanblazing van Gods Heiligen Geest.

Het is Gods Heilige Geest, die in het hart van Gods kinderen woning maakte én die daar Zijne werkingen inbindt of doet uitgaan, waarmede het ik van Gods kind van doen heeft. Daarom sprak de Heere Jezus van dien Geest als van den Trooster, die tot de ziel van Zijn discipel komt om wat Hij uit Jezus' volheid nam den Zijnen te geven. Van Hem gaan de lokkingen, van Hem gaan de trekkingen uit, die tolken zijn van ons heimwee naar redding. En voor Hem ook staat de zondaar en de schuldenaar met de belijdenis zijner overtredingen. En. als ons het woord stokt in de keel of als het woord zou tekort schieten, dat kan uitdrukken wat leeft in de verborgenheid des gemoeds, dan is htt diezelfde Heilige Geest, die voor ons bidt met onuitsprekelijk zuchten. In Hem wordt de belofte des Heeren vervuld van een Trooster, die bij ons zal blijven in der eeuwigheid.

Zoo is dus in den omgang met God een gemeenschap voor Gods kind met de volheid van Gods heilig en drievuldig Wezen. Hij ontmoet er den Vader, die den Zoon gaf als een openbaring Zijner goddelijke ontferming. Gods Vaderhart ontsluit zich in den Zoon. Als het kind des Heeren moet stilstaan bij het groote voorrecht hem geschonken in de gaven des levens, waarvan hij geniet, dan ziet hij op tot Hem, die bron van alle goed, de Vader der lichten is, van wien alle goede gave en volmaakte gift nederdaalt. Maar Hij ontmoet ook den Zoon, in wien al Gods welbehagen is, die gegeven is tot wijsheid, tot rechtvaardigheid en tot volkomen verlossing. Hij vindt het kindeke Jezus, liggende in de kribbe, maar ook den Gekruisigde, die wordt tot een vloek, opdat onze vloek zal worden weggenomen. Hij ontmoet Immanuel, stervend aan het hout, begraven in den schoot der aarde, tredend door de verschrikking der groeve, maar ook den Verrezene, dien de dood niet houden kan. Hij ontmoet Hem als den Held, die den dood verslindt tot overwinning en daarom voorttreedt tot de plaat, der eere aan Gods rechterhand. Zoo ontmoet hij Hem ook als die den Heiligen Geest zendt opdat door Hem het Koninkrijk der heerlijkheid komen zal. En daarom naast den Vader en den Zoon verschijnt voor het levensbewustzijn van Gods kinderen ook de Heilige Geest als de Werkmeester van zijn heil.

De weg is wonderbaar. Het eerst leert Gods kind kennen door een weg van recht en schuld den Middelaar Gods en der menschen, Door den Zoon zal het ontmoeten den Vader en getuigen van Zijne oneindige liefde. En eindelijk zal het smaken de gemeenschap des Geestes, die toch in al het heil de eerste en de laatste blijft, totdat God drieëenig uit den mond van Zijn zalig gemaakt kind verheerlijking en dankzegging eeuwig ontvangt.

Kerkvisitatie

Om de meenten, gehouden Bestuursjaren wordt in alle Herv.  steden en dorpen, Kerkvisitatie door de leden van het Classicaal

Een paar leden van dat Bestuur bezoeken de gemeenten die hun zijn toegewezen eii onderzoeken dan of alles daar in orde is.

Boeken en bescheiden, registers en tabellen moeten dan ter tafel komen en alles wordt door de leden van het Class. Bestuur nauwkeurig ingezien en nagezocht of 't wel is zooals 't behoort te zijn.

Ook wordt dan navraag gedaan naar de belijdenis, de ambtsvervulling en den leveuswandel van den predikant eu de ouderlingen en de diakenen.

En niet alleen, dat in betrekking tot deze dingen navraag gedaan wordt in den kriag van den Kerkeraad, waar de een van den ander getuigen kan. Maar ééns in de 3 jaren, bij de persoonlijke Kerkvisitatie, wordt 8 dagen vóór de leden van het Class. Bestuur in de gemeente komen de Gemeente zelve ook ofiicieel van dat bezoek en dat onderzoek in kennis gesteld, opdat lidmaten der Gemeente, zoo noodig, in de vergadering des Kerkeraads kunnen beschijnen om in trekking tot de belijdenis, ambtsvervulliüg of levenswandel van predikant of Kerkeraadsleden hun bezwaren in te brengen.

Deze persoonlijke Kerkvisitatie zal ook dit jaar weer gehouden worden en wel vóór den 15den Mei a.s.

Ons dunkt daar moesten in gemeenten, waar een moderne prediking is, orthodoxe lidmaten, die op den bodem der belijdenis der Kerk staan, eens acht op geven.

Waar een moderne prediking is wordt de leer der Kerk (zie art. 11 Algem. Regl.) niet gehandhaafd door predikant en ouderlingen. Zij zelf verwerpen die leer.

In de moderne gemeenten wordt niet gepredikt „het evangelie van Jezus Christus overeenkomstig de beginselen en het karakter van de Hervormde Kerk hier te lande" (zie art. 27 Regl. op het Examen) en ook niet „overeenkomstig Gods Heilig Woord" (zie eiken Beroepsbrief).

In éen woord, in de moderne gemeenten gehoorzaamt men niet de reglementen der Kerk, vervult men niet z'n roeping en breekt men de Kerk af, inplaats dat men haar opbouwt,

Men heeft in onze Herv. Kerk de leer willen bewaren. Men wil spreken van de belijdenis. Men wil onderzoeken hoe 't daarmee staat en gaat in de gemeenten.

Het Classicaal Bestuur heeft dat in handen en houdt dat nog altijd in handen.

Men wil dus wat den vorm betreft bij alles de eer der Kerk en hare belijdenis ophouden.

Welnu, ons dunkt, orthodoxe leden moeten de Besturen in deze veel meer werk gaan geven dan tot nu toe geschiedde.

Niet om aanstonds veel te „winnen". Maar misschien dat modern en orthodox saam dan langzamerhand zullen gaan inzien, dat het waar is, wat de verzorger van de rubriek Kerknieuws in de N. Rott, Ct. onlangs schreef, in zijn bespreking van het Ontwerp-Reglemen' van Dr. Los:

„de gedachte, dat er tusschen de rechtzinnigen en de vrijzinnigen, die met hen dezelfde Kerk bewonen, eenigerlei geestelijk eenheid of practische samenwerking bestaanbaar zou zijn, is waarlijk lachwekkend".

We moesten alle belachelijke dingen uit Kerk wég doen, dat was héél wat verstandiger. En zij die niet bij elkaar hooren en nu bij elkaar wonen, moesten allen daaraan meedoen. De Herv. Kerk worde weer wat zij was en is en zijn moet: een belijdende Kerk!

De Ethischen en de Evangelischen.

Het hoofddogma van de Ethisehen is wel: dat het geloof moet berusten op ervaring.

Men gelooft omdat men ervaart. Het geloof heeft zijne zekerheid in zichzelf-En dus waarom gelooft de Ethische dit of dat?

Omdat de Ethische ervaart dat dit of dat waar is. Waar men zelf bewustzijn van heeft, dat gelooft men.

Waarom gelooft men dus b.v. dat Jezus is opgestaan uit de dooden? Niet omdat het in den Bijbel staat — maar omdat men het ervaren mocht aan eigen hart. Nu is het zoo en blijft het zoo — ook al zou men met de critiek al de opstandingsverhalen in de Evangeliën over boord moeten werpen als fantasie van enkele leugenachtige mannen der eerste of tweede eeuw.

Nu staan de Ethischen — en we hebben bier de studie van Prof. Honig „Ethisch" of Gereformeerd? voor ons open liggen bij blz. 63 — in deze bizonder zwak tegenover de Evangelischen (de Groninger richting).

De Evangelischen — die zich heel wat positiever uitdrukken over den historischen grondslag van het Christendom dan de , ethische" richting, zegt Honig — de Evangelischen beroepen zich óok op de geloofservaring. Men gelooft, omdat men het ervoer. Ook voor de Groninger is het geloof „niet het verstandelijk kennen en toestemmen eener leer, maar de hoogste zedelijke daad des menschen". De mensch mag zich alleen buigen voor datgene, wat hem innerlijk heeft overmocht. Niemand mag van hem eischen, dat hij iets zal gelooven, wat zich niet vermag waar te maken in de diepten van zijn zieleleven, dat is: langs ethischen weg.

Het uitgangspunt is dus bij beide hetzelfde. Wanneer dan ook de „ethische" richting verklaart: krachtens de wedergeboorte, het uit God in Christus mij meegedeelde leven, geloof ik, dat God zich in Christus openbaarde; dat Christus de Zone Gods is, dat God in Christus de wereld met zichzelven verzoende, dat God in Christus den mensch Zijn leven meedeelt — dan vallen de Evangelischen in: dat gelooven wij met u! Het verschil tusschen u en ons bestaat slechts hierin, dat gij verder gaat dan wat gij in uzelf hebt opgenomen en allerlei aanneemt — b.v. de geboorte uit een maagd — wat met het in u opgenomene andersoortig is.

Dat gij nu verder gaat, dan wat gij in u opnaamt — ontmoet bij ons geen bedenking, zoo zeggen de Evangelischen. Zoolang het maar in vast verband staat met het overige.

Maar wat wij wél afkeuren en bedenkelijk vinden is: dat onder hetgeen gij verder aanneemt, heel wat voorkomt, wat gij ervoert en in u zelf hebt opgenomen.

Die „rest" ligt niet op ethische lijn. Die „rest" neemt men maar aan, terwijl het zich niet met eigen gezag kan waarmaken in de diepten van ons zieleleven.

En dus mag die „rest" door de Ethischen ook niet wórden vastgehouden en beleden.

Dat moeten ze, krachtens hun eigen beginsel, los leeren laten — gelijk de Evangelischen dat geleerd hebben te doen. —

Zoo oordeelen de Evangelischen over d» Ethischen — die b.v. de 12 geloofsartikelen maar blijven nazeggen, hoewel dat niet is volgens hun eigen princiep van geloofservaring.

De Ethischen zijn dan ook in deze hinkende op twee gedachten.

Ze willen niet vasthouden, wat vastgehouden moet worden: het gezag der Schrift.

Ze kunnen niet toe met hun eigen beginsel van geloofservaring.

En omdat ze nu niet het gezonde gereformeerde princiep verstaan: de openbaring Gods is mededeeling èn van leer èn van leven (zie b, v. art. 5 Ned. Gel.bel.) hangen ze tusschen twee.

Waarbij ze helaas hoe langs hoe meer de H. Schrift als openbaring Gods loslaten, om af te drijven op het gevoelen van het schepsel, dat dwaas, zondig en wispelturig is.

De Ethischen kunnen niet blijven staan waar ze staan.

Ze moeten of rechtsaf of links heen.

De motie der Vrijzinnigen.

In Odéon te Amsterdam vergaderde Donderdag 11 Maart j.l. de Vrijzinnig Hervormden, in verband met het Synodale voorstel in betrekking tot de schrapping van de woorden „geest en hoofdzaak" in art. 39 Regl. op het Godsdienstonderwijs.

De Voorzitter, Dr. Niemeyer van Bolsward, las bij 't begin van de vergadering een motie voor, door hem opgesteld, waarvan hij hoopte dat men die motie met algemeene stemmen zou aannemen. Men moest eigen zienswijze maar loslaten, eigen tactiek vaarwel zeggen — en allen instappen in het bootje waarvan Dr. Niemeyer kapitein is, dan, zoo verzekerde hy, zou hij wel zorgen dat alles tot een goed eind zou komen. Als „vader aan boord" is, dan komt het wel terecht....

Men wilde wel instappen, maar men bleef toch eerst nog 3 uren praten eer men voet aan boord - zette. Te ongeveer 5 uur ging men scheep — en aan de mast, hoog in top, hing het dundoek, waarop geschreven stond: De Vrijzinnige Hervormden hebben de Herv. Kerk zoo lief en „zij begeeren zeer hartelijk overeenkomstig den geest en de hoofdzaak der bekende belijdenisvragen in de Herv. Kerk het Evangelie van Jezus Christus te verkondigen."

Ea daaronder hangt een ander doek, waarop staat: wij zullen nooit dulden gedwongen te worden om te belijden „ik geloof in God, den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde en in Jezus Christus,  Zijnen eeniggeboren Zoon, onsen Heere, en in den Heiligen Geest-"

Men verklaarde dus wat men wilde en men sprak uit wat men niet wilde.

En bij vernieuwing is het duidelijk gebleken, dat de Vrijzinnige Hervormden niet begrijpen waar 't om gaat — of, als ze het wel begrijpen, met een handig hocus pocus de menschen willen bedotten.

0! ze hebben de Herv. Kerk zoo lief. Ze willen het Evangelie van Jezus Christus verkondigen, overeenkomstig den geest en de hoofdzaak der bekende belijdenisvragen.

En intusschen eischen zij vrijheid om geest en hoofdzaak der bekende belijdenisvragen overboord te gooien.

Natuurlijk loopt dat al lang in de gaten, hoe handig de schipper van dit scheepje schipperen kan.

En wij hopen dat alle orthodoxen aan deze ondragelijke knoeierij en verderfelijke volksmisleiding een eind zullen willen maken, dan doen zij een goed werk, dat onze Herv. Kerk ten zegen zal zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 april 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 april 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's