De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

24 minuten leestijd

Van verborgen omgang.

III.

Het mysterie der Heilige Drievuldigheid boezemt immer aan Gods kinderen diepen eerbied in. Het is alsof daarvan geldt: de plaats, waar gg staat, is een heilige plaats, en daarom trek de schoenen van uwe voeten. De Heilige Drievuldigheid is voor Gods kind niet slechts een leerstuk, maar de Majesteit der heerlijkheid Gods zelve. Het weet dat in den Drieëenigeu God de levensbron zijner ziel ligt. Zonder Gods Drievuldig zijn was er voor den zondaar geene redding. Daarom is hem deze verborgenheid Gods zoo bij uitnemendheid dierbaar.

Het is dan ook niet toevallig, dat de gemeente van alle eeuwen de Drievuldigheid beleed. Over deze belijdenis was zij het eerste tot klaarheid. En toen de reformatie diep in het kerkelijk leven ingreep en de drang om terug te keeren tot den eenvoud der eerste Christenkerk zoo overweldigend werd, dat zeer veel, dat de middeleeuwen had verduurd, onderging, toen bleef toch de belijdenis der Heilige Drievuldigheid onaangetast. Geen der reformatoren sloeg de hand aan haar. Ja, veeleer kan getuigd, dat zij nog dieper werd ingeleefd door een man als Calvijn. In deze belijdenis klopt dau ook het hart der christelijke religie. En het is niet te veelgezegd, als beweerd wordt dat zij, die deze belijdenis erwerpen, in beginsel van de christelijke eligie zijn afgestorven. Zij kunnen, om met en Catechismus te spreken, Christus met den i ond roemen, inderdaad hebben zij Hem • rijsgegeven In de belijdenis van Gods Drie-! enig Wezen ligt ook het wezen der christelijke eligie. Wie den Drieëenige derft, kan zeer eligieus zijn, maar een christen in den hisorischen zin van het woord is hij in beginsel iet meer.

In de practijk der godzaligheid heeft dan ok God Drieëenig eene ailesovertrefifende eteekenis. En do vraag, die sicü .thans op en voorgrond dringt, is dan ook die naar den i erborgen omgang van Gods kinderen met j lk der drie Personen.

Uit den aard der zaak is daarmede niet gezegd, dat daarbij slechts telkens van één der drie met uitsluiting der beide andereu i sprake kan zijn. In alle gemeeuschapsoefening! met God hebben wij steeds met het goddelijke i Wezen-van doen, zooals in al Gods werken { de volheid van Zijn Wezen is betrokken. Maar | daarmede is niet uitgesloten dat in een bepaald werk de eene Persoon meer op den voorgrond treedt dan de anderen. Ook in de gemeenschapsoefening met God heeft het kind des Heeren met de volheid van het aanbiddelijk Opperwezen gemeenschap, maar toch is, ói naar de verhoudingen, waarin het zich ^ geplaatst weet, nu eens de Vader, dan weder de Zoon, dan weder de Heilige Geest de meer in het licht gestelde. In het werk der zaliging is God Drieëenig werkzaam met al de volheid Zijner goddelijke kracht, en toch is in de bedeeling van dat heil aan ieder der Personen een geheel eigen functie toebedeeld. Daarom dankt de Heere JBKUS Zijnen Vader, dat Hij den kinderkens Zijn heil openbaart, een heil, dat verkregen wordt door de.u Zoon, dia met den Vader den Geest der wijsheid en der openbaring geeft. In de gömeenschap tusscben God en Zijn kinderen is er dus ook in de toedeeling Zijner gaven' de orde der Drievuldigheid op te merken, \ zoodat er sprake is van een geestelijke kennis i der drie verschillende Personen op den weg j der zaligheid verkregen. '

De Eeiiige Schrift vertolkt ons daarvan op ! meer dan eene plaats. Als de apo.stel in 1 i Cor. 12 spreekt over de geestelijke ga ven, - die aan Gods kinderen worden toebedeeld, dan]' wijst hij op de menigvuldige verscheidenheid ! daarvan en roemt er in, dat zij toch zijn gaven j van denzelfden Geest. Als hij wijst op de ver-i scheidenheid der bediening, dan verblijdt hij er zich in, dat zij betrekking hebben op denzelfden Heere. En als hij zijne lezers bepaalt bij de verscheidenheid der werkingen, dan verheerlijkt hij denzelfden God. Het zijn de drie Personen, die gaven ons doen toekomen, en aoo zijn het de drie Personen, waarmede Gods kind van doen heeft in zijne nadering! tot God. Er is een gemeenschap met den Vader en met Zijnen Zoon Jezus Christus. Er is ook eene roeping tot de gemeenschap van onzen Heere Jezus Christus. En in den zegen, die bij het eindigen van den dienst des Woords krachtens ambtelijke macht der gemeente wordt opgelegd, is er sprake van een gemeenschap met den Heiligen Geest.

Elk der Personen heeft dus in de uitgangen van Gods kinderen naar den Heere, in alles wat zij waarlijk aan geestelijk leven smaken, een eigen op den voorgrond tredende werkzaamheid, waaraan bepaalde zielsdaden in het leven hunner ziel beantwoorden. Tegenover elke daad, die God doet, staat in de ziel van Gods kind een levensdaad, die aan de werking des Heeren haren oorsprong dankt.

In de heilsorde is de Vader de eorste. Als dan ook in de Schrift de heiligen Gods geteekend worden als die begeeren door te dringen tot den oorsprong van hun leven, dan kunnen zij nimmer rusten totdat zij gekomen zijn aan de bron van de eeuwige liefde des Vaders. Bij Hem zijn de uitgangen van hun leven. Hij is de springader aller zaligheid, en dat uit vrije, ongehoudene goedertierenheid, uit de aandrift Zijner wondere liefde. Heel het werk des Zoons is een getuigenis van de liefde des Vaders, die alzoo lief de wereld had, dat Hij den Zoon gaf. En zoo is er nu als een daartegenover in de ziel gewekte werking, waarin Gods kind geheel kan opgaan, wanneer hij aanschouwt hetgeen God deed tot redding van den verloren zondaar, de machtige uitgang eener liefde Gods, die de apostel als „liefde des Vaders" omschrijft. Zoo is er dan ook, als in de ziel van Gods kind het licht is opgegaan en klaarheid geboren werd over het wonder der genade, een machtige drang om tot den Vader der lichten hart en hand op te heffen. Als de apostel inziet in het wonder der ontferming over hem geschied, in de heerlijke roeping, waarmede hij geroepen is om den onnaspeurlijken rijkdom van Christus te verkondigen, dau buigt hij de knieën voor den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus. Dan klimt hij met het gansehe evangeliewerk' tot voor den troon des Vaders, uit welken al het geslacht in hemel.en op aarde genoemd wordt. De Heilige Geest, die in de harten van Gods kmderen het leven werkt en leidt, voert hen onmiddellijk tot den Vader als tot de fontein van ai het goede en schoone, van al wat tot zaligheid is in Christus. En zoo maakt dan ook de Schrift een duidelijke onderscheiding, die in bet gebed van Gods kind doorklinkt als lot den God en Vader zelf de verzuchting des apostels opgaat om onderwgs en voorlichting, om geleide op den levensweg, 1 Thess. 3 : 11. Dewiil in den Vader de levensuiigang der Heilige DrieYuldigheid is, uit den Vader Zoon en Heilige Geest zijn naar de bestaansorde van het goddelijk Wezen en ook in de verlossing die bestaansorde doorstraalt, ontwaakt ook in zielsdiepte der vrijgemaakte kinderen Gods een levensuitgang naar Hem, een aandrift der heilige en teederste liefde, die zich uit in een „ Abba, lieve Vader."

Doch hierbij blijft het niet. Het zich bewust wórden van de liefde des Vaders is wel het hoogtepunt in het geestelijk leven, maar niet hetgeen het eerst wordt gesmaakt. Die liefde is als de heerlijke, reine bloemkelk, als de lelie der dalen, als de roos van Saron. Zij ontluiken aan den stengel, die wortelt in de diepte. De wortel in de aarde en de stengel, j die opschiet, aijn er eerder dan de geurende} en de pralende bloemen. Zoo is het ook hier. | De liefde des Vaders is als de lelie, heerlijk' ontplooid aan den siengel der hope, die stoelt op den wortel des geloofs. Zij v/ordt niet genomen, niet gemaakt, , is geen vrucht van onze willekeur, maar gave Gods, die geschonken wordt met andere geestelijke goederen. Nergens blijkt meer dat het geestelyk leven geen vrucht is van onzen wil danjuistinde liefde des Vaders. Reeds in de natuurlijke liefde van meusch tot mensch is ons wilsleven geheel ondergeschikt, stelt het zich in dienst van de allesoverheerschende betooverende macht, die uitgaat over een mensch. In veel hooger mate is da1> hier het gev8.1.

De liefde des Vaders waakt op, maar als een vrucht der hope. Daaroaa spreekt de apostel de geloovigen aldus aan: „Gij die door Hem gelooft in God, dio Hem uit de dooden opgewekt heeft en Hem heerlijkheid gegeven heeft, opdat uw geloof en hoop op God zijn zou." Dat hij hierbij doelt op den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus is duidelijk. Reeds onder het O. V. was het j aan den profeet duidelijk, dat hij op grond van de geestelijke gaven, die hij ontvangen had, een hope op God mocht vestigen. In de Klaagliederen getuigt reeds Jeremia, dat de Heere zijn deel is en dat hij daarom zal hopen op Hem.

De hope is een heerlijke zegen Gods reeds voor het natuurlijk leven. Aan den mensch der zonde liet God nog de hop© als een staf te midden van zijn moeilijk leven. Zonder de hope was het leven des zondaars één donkere nacht, door geen enkele sterre verlicht. De hope.is als de oase in de woestijn. Zij is als de staf waarop de moede wandelaar steunt. Zij is brengster van eene goede tijding uit een ver laad en geeft water aan de dorstende ziel. Maar veel schooner wordt de hope in het leven van Gods kind. De goede tijding uit het verre land blijkt maar al te dik-1 wijis een ijdel woord, dat de verwachting! van den natuurlijken mensch beschaamt, j Zijne hope is dikwijls als de oase, die de i reiziger der woestijn in een luchtspiegeling I aanschouwt. Zij laat hem dorsten en sterven. Maar de hope op den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus beschaamt niet. De God der hope stelt niet teleur. Want de hope in het geestelijk leven wordt ook verwekt door Gods Geest. Zij is dan ook anders, dieper en werkelyker dan de hope der wereld. De hope, van Gods kind is een staat der ziel, waarin gewacht wordt op den Heere. De hope is niet een ledig zijn, maar een machtige zielstrekking naar God en daarom allereerst ook een trekking naar den Vader, van wien wordt ingewacbtïïe vervulling aller nooddruft. Zooals de Vader ons in de Schrift geteekend wordt als in wonder ontfermen nederziende op de duisternis der wereld, als schouwende in den afgrond onzer ellende en als ontroerd vanwege onzen diepen val, zoodat Hij bewogen wordt tot het machtig werk der verlossing door de overgave van den eengeboren Zoon, zoo leert de hope Gods kind van Hem, die de oorsprong aller zaligheid is, verwachten al wat tot zijn leven behoort. Wat het hier behoeft en wat het voor de eeuwigheid niet derven kan, het wordt alles met gebeden en smeeking verwacht van den Vader der lichten, van wien alle goede en volmaakte gift nederdaalt.

En dat moet wel zoo z^'n, want was de liefde des Vaders de bloem aan den stengel der hope ontloken, de hope staat niet op zichselve, zij komt op uit het geloof. Het geloof is de wortel, waaruit alle plant van zegening opgroeit. Zonder geloof is er geen waar geestelijk leven. Zonder geloof kan er wel veel vrome schijn, en overvloed van vrome woorden zijn, maar geestelijk leven niet. .Het geloof, waarachtig en levend, is de eerste voorwaarde om verborgen omgang met God te oefenen. En dat geloof is de zekerheid van Gods gaven. Dit is het geloof: als Asaf van zichzelven in Psalm 72 belijdt, dat hg' onvernuftig was en niets wist, ja dat hij een groot beest bij God is, de dichter er op eenmaal op volgen laat: „Ik zal dan gedurig bij U zijn; Gij hebt mijn rechterhand gevat."

Het geloof is juist hetgeen een waarla bekommerde ziel ontbreekt. En daarom jj het dan ook dwaas, als in de prediking jj bekommerden gestreeld en geprezen worden zooals zoo menigmaal • gebeurt. Het vleiejj l der bekommerden is een miskenning, een loochening van Gois Woord. Wie de bekom. | merden prijst en vleit, zet de zielen op « ^ droggrond. Daarom wordt er da, n ook onder | ons zooveel gevonden, dat valsche bekom. mering moet genoemd. Immers, het karakter I der bekommering is gebrek aan geloof, jj ongeloof, ongeloof in Gods reddende en vet. lossende macht. En dat ongeloof is raaat 1 niet een onschuldig ontbreken van geloof maar dat is zonde voor God, ontzetteode zoude voor God, want het is de verwerping van Zijn genadewoord en feitelijk de loo. chening van Gods Wezen zelf. Als God zegt, dat het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonde, dan uegt het ongeloof, dat dit niet waar is; als God zegt: wendt u tot i Mij en wordt behouden, dan zegt het ont; e. loof: neen, bet zal niet mo.geJijk ztjn; als | God zegt, dat Hij geen lust. heeft in den dood des zondaars, dan zegt bet ongeloof, dat er redding zou zijn, als de Heere maar zoo gewillig was om te behouden, als de zondaar meent gewillig te zijn om behouden te worden. De bekommerde gelooft niet, en dat ongeloof is zo.nde voor God. En daa, rin is dan ook het onderscheid tusschen de ware 1 en de valsche bekommerden. De valsche bekommerde heeft behagen in zijn bekommering, hij pronkt er mede; hij wordt gevleid en geprezen tot in de prediking toe; bij wekt een zekeren eerbied en zelfs jaloerschheid en hij geniet van de rust. Maar de waars chtig bekommerde, hij staat beschaamd over zijn ongeloof, .hij ligt als een ongeloovige voor God in da schuld. Hij ziet de wonderwerken van Gods genade in Zijn Woord en hij zelf heeft er geen levend deel in vanwege Kijn ongeloof. Hij klaagt met Asaf: ik ben on vernuftig en weet niet, ik bon een groot beest bij U. En hij heeft geen rust en hij wordt niet geprezen en niet gevleid, omdat het hem een onteettende waarheid is, dat hij met, al die vrome woorden het Koninkrijk Gods niet kan zien. .De lof en de vleiïng kan hij niet aanhooren en hij moet het met zijn God uitworstelen, dat hij als een ongeloovig zondaar de heerlijkheid van Gods Woord en belofte, ja het Wezen van den Heilige zelf heeft verloochend, dat hij nietige zondaar den moed had om tegen Gods ja, zijn neen te zetten.

Het geloof is dus de wortel, waaruit alle geestelijke zegening opkomt, want het is het middel, waarvan God zich bedient om aan Zijn kinderen het leven te geven. En ook dat geloof richt zich op den Vader. Zeker, niet buiten den Zoon om. Niemand komt tot den Vader dan door Hem. Maar toch het vindt eerst rust in den Vader. Daarom zeide de Heere tot de Zijnen: Gijlieden geloolt in God, gelooft ook in Mij. En toen Hij met Zijne discipelen ging langs den vijgeboom en gewezen werd op zijne verdorring, luidde des .Heeren antwoord: Hebt geloof op God. En zoo zegt ook Petrus, dat de geloovigen door Christus gelooven in God, die Jezus uit de dooden heeft opgewekt. Het geloof gaat dus door tot den Vader. Zooals het licht der zon ons wordt toegedragen door de uit' straling, maar wij toch ook in de uitstraling de zon kunnen waarnemen, zoo schouwt ook het geloof door Hem, die het afschijusel is van Gods heerlijkheid en het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid, op den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus. De liefde, de .hoop en het geloof van Gods kind gaan dus alle drie üit tot den Vader, en vinden in Hem, als in de bronwei van alle leven, de schoone en heerlijke levensgaven, die in den verborgen omgang worden gesmaakt. In de kennis des Vaders bereikt het geestelijk leven zijn hoogtepunt en is tevens de bestemming van Christus' komst. Niemand heeft ooit God gezien, de eeniggeboren Zoon, die in den schoot des Vaders is, die heeft Hem ons verklaard.

Zoo is er dus voor Gods kind een gemeenschap met den Vader, waartoe de Heere zelf de Zijnen leidt, een gemeenschap, waarin het geestelijk leven zijn hoogtepunt bereikt, omdat het verstaan wordt, dat de liefde des Vaders de eeuwige oorsprong is van alle ritseling des heils, die in de zondaarsziel wordt beluisterd. Daarom keert ook in de gewaarwording van dat wonder ontfermen de zondaat weder tot den Vader. Hij kan niet blijven bij den Zoon, maar wordt door den Geest geleid tot de kennis des Vader? , opdat het woord vervuld aal worden, dat uit Hem, door Hem en tot Hem alle dingen zijn. Ook tot Hem, Gods kind zal niet kunnen rusten totdat het is gekomen aan de heilsfontein der eeuwige Vaderliefde Gods.

En toch hoe weinigen worden opgevoera tot die liefde, tot die hope en tot dat geloof. Hoe weinigen klimmen op den berg des Heeren en baden sich op zijn top in de lichtzee van Gods Vaderliefde. Hoe weinigen smaken de rust en de kalmte, die daar worden gevonde.a. Velen van Gods kinderen leven lager te midden van vreeae, van wolken en onweer, van donkerheid en nacht.

verstaan sier. dat God de Heere liefheeft, opdat Hij geHefd sa! worden: dat het geestelijk leven" begint in Gods liefde ea eiadigt iu'df' liefde tot Hem. En dat alles, omdat 2E niet leven ait bet Woord Gods alleen, Biet*"wiUea le^en uis dat Woord. En toch bij'alle woord, dat uit Gods^mond uitgaat, xa'i er alben een leven rijn in de goedgunstigheid aes Heeien.

Onmaeht.

Voor ten-kerkelijk leven zija niet slechts menschen noodig, maar mensehen, die met elkander één zg-n ia ; le diepste ievensbeginseleD. Om het kerkelijk leven inderdaad te ocderbouden is noodig de oefening van gemeenschap des geloofs. Zoo is het dan ook altijd verstaan, totdat de moderne richiing meï haar volkomen misverstand van net wezen der religie, een kerk proclameerde, waarin voor elk wat wils moest zijn. Een kerkelijk leven zocht zij zonder gemeenschap des geloofs en dus feitelijk was een kerk, die geen kerk is, haar hoogste ideaal. Zoo ontstond er een partijleven, waar saamhoorigbeid, een partijstrijd, waar de eenheid des hvens zich moest doen gelden.

Voor de kerk is dit niet slechts uit geestelijk oogpunt een groote zonde en een zware ramp, maar ook voor de stoffelijke nooden der kerk werkt niets sehadel^ker dan deze verkrachting van ons kerkelgk leven. De partijschap leidt uit den aard der zaak tot een groote wrijving en dus tot eeu onderling wantrouwen, dat op de mededeelzaamheid een druk legt. Alles wat dan ook door onze kerk ais zoodanig ondernomen wordt, leidt een zeer kwijnend bestaan. Neem de collecten voor Noodlijdende kerken en personen. Hoe bitter pover is haar resultaat. Natuurlijk niet daarom, dat men niét wat voelt voor kerken en mensehen, die in nood verkeeren. Dat blijkt telkens wei anders. Neen, de oorzaak schuiit hier, dat de gereformeerde zijncaven Vöor dese collecte zoo klein mogelijk maakt, omdat hij vreest dat met zijn geld de moderne prediking zal gesteund worden, die hij door Gods Woord verboden acht. De ethische geeft minder, omdat hij de vrees kan hebben, dat er links of rechts van genoten worden zal, en de modernen hebben zoo weinig kerkelijk publiek, dat hun collecte nit den aard reeds gering is, „ - „ , , .. . ., , ,

Zoo geeft üus bijna niemand en a^s er dan , h crpc^^v^r, rr^or-t, oTTidat de r.n.lente VPT--toch gegeven met, mda colc ver^ plicht is gesteld, dan houdt men die in een van die beurten, die weinig bezocht zijn, of men houdt zijn gaven terug.

Noodlijdende kerken en personen worden alzoo het slachtoffer van de beiijdenisloosheid der kerk, die zich van zelf het meeste daar gevoelen doet, waar het modernisme zijn triumfeu vierde. Het grootste deel der noodlijdende kerken behoort tot de nieuwlichters.

Zoo gaat he. feitehjk met alle werkzaamheden, die direct van de kerk uitgaan. De. inkomsten zijn in geen geval zoo groot, als zij bg de bescheidenste verwachting van dei millioenen, tot de Herv. Kerk behoorende, i konden wezen. De kleinste tractementen ge-; nieten over het ^geheel die gemeenten, die van de waarheid het verst zijn afgeweken, Waren er geen , staatstractementen ^ en geen - . goederen van de vaderen, er zou voor menig modern predikant geen brood meer zijn. De., schraalste predikantstractementen blij ven dus uit den aard der zaak, ondanks de bijdragen j hier en daar gegeven mt de algemeenefondsen voor dit doel, nog schraal. Want anderspensenden weigeren voor zulke doeleinden; hunne gaven. i

Maar wat het ergste moet geacht is, dat' onder die beiijdenisloosheid, die allen drang tot steunen doodt, ook lijden weduwen en weezen. Nog steeds is de verzorging der predikantsweduwen en - weezen in de handen van onze kerk zoo dieptreurig, dat zij inderdaad een schande moet worden genoemd. De kerk trekt zich het lot dezer eenzamen zoo min mogelijk aan. Zij predikt de barmhartigbeid voor de armen, beijvert zich om door; de diakonale fondsen zooveel mogelijk te' steunen, maar zij vergeet op de schromelijkste Dgmgen om in die: nooden te voorzien. En dit alles als uitsluitend i gevolg van haar nrijsgeven der belijdenis, : van hare verloochening van de gemeenschap i der heiligen, van het wegwerpen barer eer . als kerk.

God heeft gezegd: Daarentegen zal het geschieden, indien gij de stem des Heeren uws Gods niet zult gehoorzaam zija, om waar te nemen, dat gij doet al zijne geboden en inzettingen, dan zal vervloekt zijn tot uw korf, en uw baktrog toe. Is deze Schrift niet aan de kerk vervuld? En is het geen tijd tot; wederkeer?

Tusseheii twee ^upen.

Sedert 1816 hebben de Synodalen gezegd: zonder belijdenis te zijn in de Kerk staat zoo gek — en een belijdenis te hebben in de Kerk is zoo lastig.

Ea toen hebben ze een belijdenis genomen en gezegd dat ze haar zouden bewaren — maar inlusschen hebben ze de reglementen der Kerk ingericht, dat ze er geen last van konden krijgen.

O! die Sj'nodalen.

't Zijn toch knapperts van 't eerste water!

Toch wordt het tijd, dat aan dat wonderlgk gedoe in 't midden van Christus' Kerk een einde gemaakt wordt.

Wonderlijke vrijheid.

Neen — het kind mag niet op schoolkomen of het moet ingeënt zijn.

Dat is tot waarborg, dat de kinderen bewaard zullen worden voor de pokken.

Men wil de kinderen niet ean de gevaren van die ziekte wagen.

En daarom moet elk kind ingeënt worden. Dus... in de school mag nietaUesworden I toegelaten.

I toegelaten. Éu dus eigenlgk ook in de maatschappij niet.

Men moet ingeënt zijn. -

Overal waar menschen zijn wil men voor-; zorgsmaairegelen nemen, opdat de een niet' door den ander zal worden besmet en aan-: gestoken.

Maar hoe aaders wü de vrijzinnige in de Kerk handelen!

Daar geen formulier van onderteekening voor den leeraar.

D-aar geen vragen bij de toetreding ais! lidmaat.

Geen voorschriften voor de prediking.

Geen formulieren bij de bediening der; sacramenten.

Geen vragen bij de bevestiging van ouder-i liogen en diakenen.

Vrij-Volkomen vrij.

Neen —gevaar is er niet voor afdwaling; voor j-erleiding; voor verval; voor ondergang; der Kerk — zegt de modernist.

Neen — vrijheid, blijheid.

Alles komt best terecht. Ook al verkondigt men de meest radicale denkbeelden — aangaande God en Christus, aangaande Schrift en belijdenis, aangaande leven en sterven.

Vrijheid, blijheid

Om in bandeloosheid alle geopenbaarde ^^^arheid onder den voet te loopen, aUe orde ^^ , ^^^^ ^^ verachten — en de Kerk ten gronde te richten!

Zal men dat toelaten?

Afglijden.

Die zich spiegelt aan een ander spiegelt zich zacht, zegt net spreekwoord.

hebben we wel te bedenken, wagr er een drijven gevonden wordt m onze Herv., Kerk om de bepalingen omtrent de belijdenis zoo slap mogelijk te maken.

Dat loopt mis.

Zie maar op de geschiedenis van de Ee-! monstranten. De remonsirantsche gemeenschap is langzamerhand een ^/lodmie gemeenscliap; geworden. Oordeel zelf.

1633 wordt door de Kemonstranten verklaard: dat zij zich omeranderhjk «^^n-1 schen te houden aan de Heilige Schrift, en dat zt; " lüillen persisteeren bij de confessie"

Maar in het Reglement van 1861 werdlg bepaald: „dat de broederschap is eene chn^-\ ieZi? l-e Kerkgemeenschap, in ïoe^^e het evangeüe van Jezus Christus over eenkomstig de Schrif-, ., , - , . - , - , ten m vrijheid en verdraagzaamheid ^vordt verkondigd en beleden".

De formuleering van 1861 is dus veel ruimer, vrijer, „verdraagzamer" dan de omschrijving van 1633.

Maar zelfs deze formuleering vonden velen nog te positief,

De „confessie" was wel verdwenen.

Maar „de Schriften" wedden nog genoemd

Dat moest er ook uit.

Eu in 1879 werd de formule „dat de Be manstranische broederschap ien doel heeft het godsdienstige leven op den grvndslag van het'

Met eeüt-moueme neeit aus ge

Geen gebondenheid aan het Woord.

Geen gebondenheid aan de confessie ren, 't Is op nu: den het grondslag godsdienstig van het leven evangelie bevorde-; van Jezus Christus, vasthoudende aan het beginsel.... '

Aan welk beginsel?

Aan het beginsel der. raagzaaraheidl vrijheid en ver-iVrij.

. Ieder is nu vrij in de Rsmocstrantsche \ broederschap.

in"drhuishoudeliike bepahngen is iedere | cremeen^e volkomen "vrij

" Niemand heeft daar iets over te zeggen, ; dan de eem-^ente zelve '

In de prediking vrij.

De doop is niet verplichtend.

Gedoopten en niet-gedoopten zgn gelijk.

Eu wil iemand gedoopt worden of laten doopen, dan is de keus vrij tusschen kinderdoop en bejaardendoop.

Ook'^is 't zelfde of men in de kerk gedoopt wvordt of thuis.

Vrij.

Vrij in alles.

Vrij in pradiking, in gemeen tele Yen, in liturgie, ia lied en gewoonte.

En 200 is ds Remonstxantsche bioederschap .een vereeniging van vriiheidlievende en verdraagzame menschen, die op den grondslag van het evangelie van Jezus Christus' het godsdienstig leven wenschen te bevorderen.;

Wat in de practijk is geworden: een vereeniging van ontwikkelde vrijzinnigen, die' wenschen te leven naar eigen idee en voorstelling, maar er voor het godsdienstig gevoel (immers een mensch kan zonder godsdienst niet!) er nog prijs op stellenvan tijd tot tijd des Zondags een gewijde samenkomst bij te wonen, waar een geleerd man of ontwikkelde vrouw de nieuwste ideeën verkondigt, in [ eere goed gestyleerde redevoering, over God, deugd, zedelijkheid enz.

Ea dat wil men ook van onze llerv. Kerk maken; van stap tot stap verder gaande in| ^vrijheid en verdraagzaamheid, "

Dat is de toeleg van de modernen.

Maar die zich aan een ander spiegelt, | spiegelt zich zacht.

Een gewaarschuwd man telt voor twee.

En daarom opgepast.

Schouder aan schouder ons gesteld tegen-1 over dit verderfelijk pogen en rampzalig drijven van hen, die zich zelf hebben ontslagen van de banden Schrift ea belijdenis en nu ook de Herv. Kerk willen maken tot 1 een vereeniging tot nut van Igemeea; | tot een Kerk zonder eenige belijdenis, zonder eenige tucht, tot een Kerk^ die ... geen Kerk meer is; tot een vereeniging van eik-wat-wils; j tot een religieuse vereeniging waar het geavaneeerd modernisme de meest , , verlichte" denkbeelden kan propageeren, ook al zijn deze aan alle christelijkheid vreemd; tot een Kerk, waar men alles duldt en alles verdraagt, alleen niet, dat men spreekt van ... Schrift en belijdenis.

Laat men gewaarschuwd zijn!

* Wél beüjdenisvragen.

Ds. M. Beversluis heeft geschreven Het Confessioneele en het Ethische beginsel, in ver band met de kwestie der Belgdenisvragen, (Groningen, P. Noordhoff 1914).

De hoofdgedachte van den schrijver is: volkomen vrijheid in zake Beüjdenisvragen,

Maar Dr. G. Vellen ga, die dit gelegenheidsgeschrift recenseert in Theologische Studiën (32ste jaarg. afl. V en VI) zegt er o.a. van: „Doch het minst beviel me dit Geschrift op het eigenlijk punt in kwestie. Indien de ^^rkelifke belijdenisvragen afgeschaft werden, ^„^ de verwarring eerst recht ten top gevoerd en kregen we inderdaad een geestelijk elk-wat-wüs. Hoe hooger persoon en gemeenschap religieus en _ zedelijk staan, des te g^^öter mTtrvan vrijheid kunnen ze'verdragen, jjjaar daar is ook eene vriiheid welke niets anders dan willekeur is. En zulk'een toestand, vrees ik, kregen we in de Kerk, indien de ^gj^s^^t^g^ , ^an Ds. Beversluis vervuld werden. Trouwens, is er éen gemeenschap, corporatie • ^f yereenigino-welke zulk eene individueele vrijheid dulden zou als Beversluis van de ^g^j.^ verlangt? Ook dit Geschrift eert het ^^^^^^^ karakter van den Schrijver, maar ^^^ j^ji^oudeischt onmogelijke dingen. De Kerk en niet - het lid stelle bare - Belijdenis vast en •^^^^ daarmede overeenstemmendeBelijdenisvragen op." (blz. 362.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 april 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 april 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's