Stichtelijke overdenking.
Vrees niet, Ik ben de eerste en de laatste en die leef en Ik ben dood geweest en zie Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels der hel en des doods. Openb. I : 17—18.
Ik heb de sleutels der hel en des doods.
't Was bij Johannes, den ziener van Patmos, geheel anders geloopen dan de vijand zich had voorgesteld. Deze wilde hem — door hem ganschelijk aan het wereldverkeer te onttrekken, door hem elke aanraking met de menschenwereld te ontzeggen, leed aandoen, smart veroorzaken, i. e. w. hem allerpijnlijkst treffen. En voor een deel was dit resultaat verkregen: het was een allersmartelijkste weg voor het vleesch.
Maar wat hier tegenover staat is des te heerlijker. Wat deze Apostel heeft mogen smaken van Gods gemeenschap klimt boven elke beschrijving uit.
't Was op een Zondagmorgen, dat hij in den geest was — heel de zichtbare wereld ontzonk hem. Hij hoort achter zich een stem als van een bazuin. Hij keert zich om, om te zien de stem, die met hem gesproken heeft. En daar ziet hij voor zich in het midden der zeven kandelaren Eénen, den Zoon des menschen gelijk, in een blinkend kleed, met een gouden gordel om de lendenen. Zijne gedaante was enkel heerlijkheid, niet om te aanschouwen als de zon in hare kracht.
Dit was hem al te machtig, deze sprake al te grootsch; hij viel als dood neder aan Zijnen voet.
Zou de Heere hem nu thuis halen? Hem voor goed doen aanliggen in Zijn schoot? Hem koesteren als een moeder haar kind?
Neen, nog niet, Hij heeft voor dezen dienstknecht nog een aardsche taak. Kan hij niet prediken met den mond, hij zal het doen met de schrijfstift.
De Kerk des Heeren van alle eeuwen ontvangt de allerkostelijkste troostreden: vrees niet. Ik ben de eerste en de laatste en die leef en Ik ben dood geweest en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels der hel en des doods.
Verstaat ge wat dit inheeft: „vrees niet. Ik ben de eerste en de laatste"?
't Was ook hier, gelijk het telkens is met Gods kinderen: van buitén strijd en van binnen vreeze.
Nu komt de liefdevolle Heere zich hem voorstellen: Ik, Die zorg droeg voor uw begin, zal ook zorg dragen voor uw einde. De eeuwige Ontfermer laat inblikken in Zijn eeuwigheidswerk.
O, als ge er iets van peilen moogt, van deze liefdezee, waarin de Heere Zijn discipel hier laat zwemmen, zult ge 't zoo lezen: zie zoo ver ge wilt achter u, achter alle menschen, achter heel de wereld, daar sta Ik. Ik was er reeds. Ik heb al die dingen niet enkel geschapen, maar Ik hield ze in Mijne hand, want niet alleen de Eerste, maar ook de . Laatste zal Ik zijn. Ge kunt nooit zoo ver zien in de toekomst, in die donkere toekomst, zooals ze u schijnt, of daar sta Ik.
Ik schiep en formeerde u, zegt de Heere, Ik draag u u help u dragen en straks wacht Ik u weer op. Die de Eerste was zal ook de Laatste zijn. üw werk, uw persoon, uw leven is in Mijn b-^nd veilig. Daar is geen vijand zoo machtig of Mijne macht reikt er boven uit.
Hij gaat verder. Hij neemt hem bij de hand om hem te laten inblikken in heel Zijn werk: Ik, Die thans leef, ben dood geweest — dood Voor u, om nu te leven voor u. Ik ben levend in alle eeuwigheid. Ja, 't is gewis, Johannes! 'tis zekerlijk waar.
Vandaar midden tusschen deze woorden een „Amen." Ge hebt wellicht reeds gevraagd: hoe verwonderlijk — midden zoo in de gedachte, nier geuit, staat „Amen." 't Is nergens anders om begonnen dan om gerust te stellen, 't Is hier de oliekruik, ik mag haast zeggen: geledigd, 't is de volle uitgieting van Gods vertroosting.
Neen, toch niet, het kan nog hooger: Ik, zegt de Heere, heb de sleutels der hel en des doods.
Hierin nu ligt al de vastigheid verscholen.
De macht is overgedragen. Satan, die de sleutels dievelijk had ontstolen, moest ze weer overreiken.
Christus heeft de sleutels.
Ge zult het beeld niet verstaan, als ge u niet voorstelt de wijze van oorlogvoeren in het verleden. Dan ging de strijd om de versterkte plaatsen, de vestingen. Met muren en wallen omgeven kreeg men alleen toegang door de poort. En om deze poorten te kunnen openen, moest men de sleutels hebben.
Nu, de sleutels van hel en dood, waar berustten ze, in wiens hand had Adam ze moeten overgeven? Smadelijk in de hand van zijn verleider. De eerste mensch had den dood in de wereld ingedragen. De eerste mensch had een graf gedolven, waar het nooit had moeten zijn. Het Paradijs was omgeschapen in het doodenrijk.
En Satan betrok de wacht.
Schrikkelijk, het kon niet schrikkelijker.
Dood en daarachter de eeuwige dood was het domein, waar Satan zijn prooi kon heenvoeren: hij had de sleutels.
Evenwel zou hij ze behouden?
Voor den eersten kwam de tweede mensch.
De worsteling vangt aan.
Satan strijdt boven zijne krachten en — schijnbaar is de overwinning zijne. Ook deze heeft zich te bukken, om in te blikken in de diepten der hel. Maar dat was een vreugde van korten duur. Simson ontwaakt en de poorten van Gaza werden ontwricht. Satan had zijn macht verloren.
Mag ik 't u aanschouwelijk voorstellen: Als in vroeger dagen een van de strijdende partijen het onderspit had gedolven, heesch hig de witte vlag. Hij trad vrijelijk uit — en, als hij zich dan overgaf, kwam hij op deze wijze: op een kussen werden de sleutels gelegd van alle de poorten. En met dit kussen vooruit trad hij den overwinnaar tegen.
Zie, dat heeft Satan gedaan, toen de steen werd afgewenteld van de groeve.
In den geest zien we daar den duivel toetreden; met schuchteren tred en met gebogen hoofd, van schaamte, draagt hij voor zich uit een kussen, d.i. het kussen der machteloosheid en daarop liggen twee sleutels, kruisgewijs over elkander heen, hel en dood.
Dat was een ontmoeten!
De Satan de sleutelmacht overdragend aan den Heere.
Hij vermag niets meer.
De Heere zeide het reeds van te voren: Ik zie den Satan vallen van den hemel als een bliksem. Hij is gevallen — nu is de Heere de machtige, de machtige over dood en hel.
We zullen van onze beeldspraak terugkeeren. Wat Adam in de wereld had ingedragen, heeft Christus zich toegeëigend. Toegeëigend op rechtvaardige wijze, 't Is Zijn eigendom geworden door in den dood te gaan. Hij heeft de sleutels verkregen.
Voor twee gedachten wordt hier opening gegeven: een gedachte.van allerheerlijkste vertroosting en een gedachte van allerschrikkelijkste beangstiging.
Stelt u voor: die uwe ziel haatte, is degene, die u staat op te wachten. De poorte van dood en graf — wie kan er aan ontkomen. De grootste monarch, de machtigste gebieder staat hier op ééne lijn met den nietigsten hutbewoner, met den afhankelijksten slaaf. — Ze moeten ook beiden ingaan. Nu, de poorte staat onder opzicht, de sleutels berusten in iemands hand, in wiens ? Ge weet 't: 't is de Christus.
Men kan hier op deze wereld zich heel wat inbeelden, men kan een hoogen toon aanslaan, evenwel, daar komen andere tijden. Voltaire, de wereldberuchte spotter verzocht op zijn krankbed zijn geneesheer, zoo 't maar iets kon, zijn leven te verlengen.
„Zoo niet, " voegt hij er stamelend aan toe, „dan vaar ik naar de hel en neem u mede."
Wie het tegen Christus heeft gewaagd in dit leven, moet het ook wagen tegen Christus in den dood. Hij moet passeeren: de sleutels.
Onderzoekt u op dit punt, maakt er u niet al te genïakkelijk af.
't Is zulk een hoogst ernstige zaak.
We zien het vaak van zoo nabij: 't Kan zoo afgesneden worden en dan zullen we Hem ontmoeten, want de sleutels zijn bij niemand anders.
O, als achter graf en dood de hellepoorte open moet staan, wijl wij niet wilden bukken gedurende dit leven.
Valt Hem te voet, smeekt om goedertierenheid en ontferming. Hij wil het zoo gaarne geven aan degenen die geheel ontbloot zijn.
Maar nu een andere gedachte, ik mag zeggen precies het tegenovergestelde.
Is het voor den goddelooze iets om voor te beven, dat de Christus de macht verkreeg over dood en hel — voor de zoekende, de beangste ziele is 't zoo heerlijk.
Èen van de kenmerken van het geloof is dit, dat men er zich zelf zoo geheellijk buiten plaatst. Daar is wel een heimwee naar, maar zoo zelden een vastheid van. O, die dood en die hel, wat kunnen ze verschrikken.
En zie, nu treedt de Heere toe en buigt Zich over hen heen: Ik heb de sleutels van dood en hel.
Zijt ge niet over uzelven tevreden, kunt ge 't niet vinden in u en uw doen, als ge 't dan maar zijn kunt in uw Heiland.
O ja, zegt ge, als dat alles van mij is, ben ik geholpen.
Nu, laat u dan los.
Laat u dan nederzinken in 's Redders armen. Hij is de eerste en de laatste en Die leeft en is dood geweest. Hij leeft tot in alle eeuwigheden. Ja, zelfs de sleutels van dood en van hel zijn Zijne.
Leeft veel in dezen troost, gij, die den Heere gelijk hebt gegeven, dat gij in den dood hadt moeten blijven.
Ik ben de eerste en ik ben de laatste.
't Is zoo midden in hun zielestrijd ingegrepen: „vrees niet."
't Is telkens zoo bang.
En nu te mogen hooren: Ik heb om u den cirkelboog gespannen: de eerste en de laatste; Ik ben een vurige muur rondom u.
Gelijk 't gebergt, dat, hooggerezen, Om Salem ligt gespreid. Zoo is in eeuwigheid
De Heer rondom hen, die Hem vreezen
Rondom Zijn volk, 't welk Hij wil hoeden Voor tegenspoeden.
Ik ben dood geweest.
O, denkt het in, die voor het recht Gods hebt leeren beVen. In dit enkele woord ligt zooveel heil. Hierin wordt de sluier als 't ware opgelicht, waarachter het kruis van Golgotha verborgen ligt. Ik heb de schuld betaald, den dood gevangen genomen, het handschrift uwer zonde zit daar vastgenageld voor eeuwig.
Dood geweest. Ge hebt nu te doen met een levenden Christus. Hij leeft tot in alle eeuwigheid voor de Zijnen.
Verliest vooral dit laatste niet uit het oog. 't Is ten bate en ten voordeele van degenen, die bang zijn het leven te zullen moeten derven.
Wat Hij leeft, leeft Hij voor ons;
Satan mag u nog wel eens verschrikken, natuurlijk, hij is de verklager der broederen, zoo lees ik in Openb. 12. Hij klaagt aan waar hij maar gelegenheid kan vinden, voor den Troon en hier beneden. Hij kan van hen de hand niet afhouden. En nu is een van de moeilijkste punten dit: hij daagt u ook telkens voor de rechtbank van uw eigen geweten. En dan moet gè hem zoo volkomen gelijk geven. En als hij dan zegt: dood en helle wachten, immers Gods Woord laat hier geen' twijfel ineer overig. Of staat daar niet: vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al wat geschreven staat in het boek der wet om dat te doen.
Wat is het dan heerlijk zulk een Evangelie te beluisteren, zulk een Heiland te ontmoeten : Ik ben dood geweest en zie. Ik ben levend in alle eeuwigheid. Ja, zegt de Heere, Ik wil 't verzegelen. Ik weet, dat ge een dubbele zekerheid behoeft.
Ik wil 't Amen er onder zetten.
't Zal eeuwig zeker zijn.
Laat u niet langer verschrikken door al die bedreigingen van Satanas. Hij heeft de sleutels niet meer.
Hij is ze kwijt geworden, voor eeuwig kwijt. Ik heb ze verkregen.
Wilt ge ze zien, van heel nabij beschouwen? Wilt ge deze heerlijke waarheid eens smaken, gij bekommerde zielen en allen, die God vreest?
Hier komt een expresse noodiging: volgt me eens van heel dichtbij. Ziet ge daar in 't binnenste van Mijn heiligdom wel een tafel aangericht, die is voor al Gods volk, voor den kleinsten zoowel als voor den grootsten, daar liggen de beide teekenen van Mijn overwinning. Daarmee heb Ik vrij gemaakt de poorte van dood en hel. Mijn lichaam liet ik verbreken en Mijn bloed liet ik wegvloeien. Ik heb niets achtergehouden: het volle leven gaf Ik, opdat Ik het volle leven mocht schenken.
Gij zijt eeuwig vrij.
Verstaat ge 't zoo?
O, drinkt het dan in.
Houdt u nauw aan Hem en Zijn Woord. En troost u hiermede: tegenover de donkerheden van dood en hel staat het licht dat van de 7 kandelaren uitstraalt.
Hiertusschen is uwe plaats straks van eeuwigheid tot eeuwigheid.
Eens zal zich 't hoogste ontvouwen Dan hebt ge al uw lust Ge zult uw Borg aanschouwen
In zaalge zielerust.
.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 april 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 april 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's