Psalm LXXXV.
Gij hebt, o Heer', te voren Uw land in gunst bezocht, van Jacob, Uw verkoren, 't geboeide vrijgekocht; Gij hebt de schuld vergeven, de zonden toegedekt, waarmede Uw volk misdreven, Uw toorn had opgewekt.
Gij hebt Uw toorn bezworen, Uw grimmigheid gebluscht; o, keer dan als te voren en schenk ons weder rust. Of zoude er aan de stroomen van al Uw toorn dan niet, dan nooit een einde komen, een eind aan ons verdriet?
Of wilt Gij ons weer leven, weer nieuwe kracht en moed, Uw volk ter blijdschap, geven na zooveel tegenspoed? Laat ons Uw gunst aanschouwen en zend üw hulp ons neer; o, God van ons vertrouwen, verlaat ons nimmermeer!
Heeft niet mijn oor vernomen dat woord uit 's Heeren mond, dat zegen aan Zijn vromen, aan al Zijn volk verkondt? Dan — dat zij zich niet keeren tot dwaasheid en niet weer boosaardig rebelleeren texi aanzien van den fleer'!
Ja, allen, die Hem vreezen, wacht heil in overvloed; ons land zal beerlijk wezen, waar gunst dé trouw ontmoet, het recht den vree zal kussen, de trouw ontspruit aan de aard en lachend daarentusschen 't heil van den Hemel staart.
God zal ons gunst verleenen, onze akker zijn gewas; het recht gaat voor Hem henen en volgt Hem pas voor pas.
H., April 1915.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 april 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 april 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's