De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

22 minuten leestijd

Van verborgen omgang.

IV.

Gemeenschap met den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus is dus onmisbaar voor waar geestelijk leven. Er is geen geestelijk leven, zonder dat het wederkeert tot Hem die het leven in zichzelven heeft en de bron is, waaruit alle geestelijke ademtoclit ons toekomen moet. De aandrift van waarachtig leven is immer naar zijn eersten oorsprong weder te keeren, opdat den eeuwigen Ontfermer lof en aanbidding zal worden toegebracht. In die verheerlijking Gods is immers de eindbestemming van het werk der genade.

En toch is juist dit een der bedenkelijkste verschijnselen in het leven van Gods kinderen, dat er van die gemeenschap met den Vader zoo bitter weinig sprake is. In de practijk der godzaligheid schijnt de liefde Gods des Vaders maar een zeer ondergeschikte beteekenis te hebben. Van haar wordt het minst beluisterd. En daaruit blijkt, dat er maar al te dikwijl» een wolkenfloers geschoven is voor de zón van Gods heil en dat er roof gepleegd wordt op onze zielen, een roof, waaraan wij zelven meestal de eerste schuldigen zijn.

Bij alle roep over de dingen van Gods Koninkrijk, bij alle grootspraak soms over geestelijk leven, bij het aan de markt brengen van veel quasi-bevindelijkheid en ervaring op geestelijk gebied, heerscht er menigvuldige onkunde over de groote daden van Gods genade, over den rijkdom van de geestelijke gaven, die Hij aan Zijn volk heeft geschonken. En daarom gaan er zoovelen in het zwart der rouwe, klagend en jammerend langs hun levenspad. Zij kennen de vreugde van het kindschap Gods niet. Van blydschap in Hem is geen sprake. Zij verstaan het heel niet, hoe de psalmdichter kon zingen: „In U zal ik mij verblijden en van vreugde opspringen", noch hoe de apostel kon zeggen: „verblijdt u in den Heere te allen tijde; wederom zeg ik: verblijdt u". En dat alles omdat er van een genieten van de liefde des Vaders geen sprake bij hen is. Als zij aan de dingen des geestelijken levens denken, dan wordt er misbaar gemaakt en daarin de heerlijkheid gezocht en het echte merkteeken van Gods kinderen. Er zijn er die meenen, dat er bij God in het geheel geen ontferming is voor een arm verloren zondaar en die met angst en vreeze en ontzetting jegens Hem zijn vervuld en van Zijne wondere goedertierenheid en Zijn Vaderl^ke goedgunstigheid zelfs liever niet hooren ; die niet begrijpes, waarom onze Catechismus ons geleerd heeft, dat wij van de hemelsche majesteit Gods niet aardsch gedenken zullen. Het wordt vergeten, dat er wel is waar geen toegang is tot den Vader dan alleen laugs den verschen en levenden weg van Hem, die de weg, de waarheid en het leven is, maar dat ook die Christus er niet zijn zou, indien Hij het eeuwig leven, hetwelk bij den Vader was, ons niet geopenbaard had. Christus zelve is de openbaring des Vaders, Zijne gave, God uit God en licht uit licht, opdat in Hem het Vaderlijk ontfermen Gods zou worden gekend en gesmaakt.

Het is geen gezond geestelijk leven, als er van de liefde des Vaders nooit iets wordt gesmaakt en er nooit anders van Hem gesproken kan worden dan alsof Hij in grimmige ontevredenheid zich voor ons stelde en als nooit kan worden verstaan, waarom de dichter zong: „Hij zal niet altoos twisten, nocheeuwiglijk den toorn behouden."

Zeker, Gods kinderen kennen dagen van donkerheid en strijd, van vreeze en beven, als de Heere hen betrekt in het gericht, maar er is ook geen van Gods ware kinderen, die niet anders kennen leerde dan onweer en storm. De Heere gaat ook voorbij in de zachte koelte, doet ook Zijne lieflijkheden genieten, geeft zich aan Zijn volk als een Vader vol van mededoogen. Zij weten ook te spreken van de liefde des Vaders in Gods gemeenschap ervaren. Waar dat ontbreekt, daar is van geene Godskennis sprake. Daar staat de mensch buiten het leven, hoe zeer hij zich ook moge inspannen om den schijn te hebben van gefondeerde kennis. Zonder een inzicht in de teederheid Zijner Vaderlijke liefde is er voor een verborgen omgang geen plaats. De Heere woont in het verhevene, Zijn Naam is heilig, de gloed Zijner heiligheid is verterend, zoodat geen zondaar God kan zien en leven, maar de Schrift leert ook, dat die Hoogheilige zich zoo diep nederbuigt, dat Hij wonen wil in het hart der verslagenen, opdat Hij het heele en geneze. De Heere openbaart zich aan Zijne kinderen niet slechts in Zijne Majesteit, gestrengheid en grootheid, maar ook in Zijne wondere liefde en in de teederheid van Zijn ontfermen. En wie ooit Hem als een zondaar ontmoet heeft en genade ontving, die zal daarna nooit kunnen ophouden van een heimwee naar de hernieuwde ontsluiting van de bronnen Zijner liefde. Daarom, als Gods kind in de behoefte verkeert, zal liet bedelen om een kruimel van genade. En die smeeking zal niet altijd aan Goda oor voorbijgaan. De Heere is geen God, die gezegd heeft: zoek Mij te vergeefs. Hij is geen God, die den hongerige zonder brood heenzendt en den nederige nog neerslaat. Integendeel. Hij geeft den hongerige brood, den gebogene richt Hij op, den gevangene maakt Hij los. Hij doet het Zijn kind ervaren en daarom moet er op gewezen, dat Hij een Vader is van barmhartigheid en dat in de donkerheid mag bedacht, dat er bij Hem is een volheid van vrijmachtige liefde en van eeuwig ontfermen.

Te midden van den strijd des levens kan Gods kind door benauwdheid worden omklemd, want er is een groot onderscheid tusschen hem en de kinderen dezer eeuw. Ook de kinderen dezer eeuw kunnen gekneld worden in kunne conscientie, als de zondedaad wel de lust voldaan, maar ook den vrede geroofd heeft. Maar zij weten zich spoedig te troosten door het alles te omzwachtelen met den sluier der vergetelheid. Het middel der verstrooiing, de glans der eere en de heerlijkheid, die de wereld biedt, de bekoorlijkheid harer genietingen zijn evenzoovele middelen om gemakkelijk heen te glijden over de conscientie. Er zijn gewetens met een brandijzer toegesehroeid, maar er zijn er ook wier wonden zacht gepleisterd zijn.

Hoe gansch anders echter is de ervaring van Gods kinderen. Ook zij zondigen, ook zij komen onder de machtige betoovering, die van alle zijden uitgaat op het gemoed; ook zij komen maar al te dikwijls tot hetgeen zij in de diepte van hun ziel verfoeien. Zeide niet de apostel, dat hij wel een vermaak in de wet Gods had naar den inwendigen mensch, maar dat hij in zijne leden een wet zag, die streed tegen de wet zijns gemoeds, die hem gevangen nam onder de wet der zonde? Ook Gods kind kan overwonnen worden en onder het juk der zonde bukken. Het komt maar al te menigvuldig voor, dat hij doet hetgeen hij meende nooit meer te zullen doen. De zonde, die overwonnen scheen, bleek nog een diepen wortel in het hart te hebben en kon nog een verraderlijke macht oefenen. Uitwendig beschouwd kan Gods kind zichzelven niet altijd van de kinderen dezer wereld onderscheiden. Dat moet hij met schaamte belijden. Maar is er dan altijd uitwendig geen onderscheid op te merken, inwendig is het des te aangrijpender. Gods kind zondigt duur. Ook hij poogt wel den zwachtel der vergetelheid er over uit te spreiden, ja soms de consicentieklacht te verstikken, maar slagen kan hij daarbij niet. Zijn zonde is als het vuur te midden van brandbare stoffen. Het laait telkens weer op ook als men meende het onderdrukt te hebbeu. Het smeult onder de asch en laat zich niet dooven. De sprake der conscientie wil bij hem niet zwijgen, zij komt altijd weder zich aandienen, zij vergalt zijne vreugde, die hij meende te smaken. Zij vergiftigt zijn vrede door het verwyt, dat hem volgt. Én wat nog erger is, zij spreekt hem van Gods recht, van Gods waarheid, van Zijne liefde, zoo heerlijk vroeger gesmaakt. En door dat alles wordt zijn last zwaarder, zijne kwelling pijnlijker. De schroef der benauwdheid wordt aangezet. De twijfel komt over hem, de vreeze bevangt hem en met den dichter klaagt hij: „heeft Hij Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten? " Hoe zou hij dan Gods Vaderliefde op de lippen durven nemen? Zou er dan eene liefde in God zijn, die zich uitstrekt naar hem?

En toch, in zulk «en donkerheid is zij het licht. Hij mag denken aan Gods daden, aan Gods wonderen van oudsher, aan Zijne eerste wondere liefde. De Vader is geroerd door eeuwige en vrijmachtige liefde. Zijne liefde is de liefde van Hem, die zichzelven genoegzaam is. Hij heeft in Zijn eigen Zoon, dien Hij, als het eeuwig Woord, ook eeuwiglijk aanschouwt in al Zijne heerlijkheid, een bron van eeuwig springende blijdschap. Hij is daarom de zalige, de alleen machtige Heere, die het schepsel niet noodig heeft om heerlijk te zijn, maar die juist daarom door de ellende van Zijn kind niet verhinderd wordt om de majesteit Zijner wondere liefde te openbaren ondanks al ons ongeloof, al onzen twijfel, al onze zonde. Omdat in Zijn Vaderhart een vrijmachtige liefde woont, mag gehoopt worden op Hem ondanks alles wat bij ons en in ons er tegen pleit. Zooals wij in de donkerheid van den nacht mogen verstaan, dat in de diepten des hemels toch de zon haar licht uitzendt naar de sterren, zoo mag ook hier bedacht, dat deze geestelijke donkerheid toch niet het licht Zijner liefde kan dooven. Wij mogen gedenken aan Zijne groote, wondere, onze voorstelling ver te boven gaande liefde. En daarom zeide reeds de profeet: „zoo Hij vertoeft, verbeidt Hem. Hij zal gewisselijk komen." Buiten de liefde des Vaders kan niet voorgoed de mensch, die eens hare heerlijkheid smaakte. En omgekeerd de liefde des Vaders is niet als de liefde des menschen. De menschelijke liefde is niet bestendig van duur. Er is slechts weinig noodig om haar [te doen verkeeren in haat. Maar de liefde des Vaders is eeuwig. Zij ligt achter die scheppingsorde, waarin wij verkeeren. Zij was over Zijn kind reeds voor de grondlegging der wereld. Zij was reeds over hem, toen het met héél die wereld nog sliep in Gods eeuwige gedachte, zooals in een eikel een eikenwoud slaapt. En daarom is er ook niets in die schepping, dat het vuur dier liefde kan blusschen. Alle wateren onzer zonde zijn niet in staat haar gloed te dooven.

Zij is eeuwig en dus onveranderlijk. Heeft Hij niet gezegd: Kan ook eene vrouw hare zuigeling vergeten? Ofschoon deze vergate, zoo zal Ik u toch niet vergeten. En daarom, als alles wegzonk, als zelfs van ons vroeger genoten geestelijk leven getuigd moet, dat het voorgoed schijnt weggesloten te zqn, dan mag nog bedacht worden, dat Zijne Vaderlijke liefde nimmermeer van Zijne kinderen wijkt, noch wijken kan, omdat zij reeds in de stilte der eeuwigheid, toen geen schepsel nog een ritseling des levens deed hooren, inde mysterieuse diepte van Gods eeuwig Wezen de onuitblusschelijke vlam zijns levens was. En daarom, wij mogen en moeten er altijd toe wederkeeren, als tot de eeuwig springende fontein des heils.

En het is een onbedriegelijk kenmerk van waar geestelijk leven, dat wie eenmaal dronk levenswater uit de geestelijke steenrots van Christus, ook altijd weder'opziet tot de zonne dier wondere, eeuwige liefde, wier afstraling ons tegenblinkt in Immanuël.

Zoo is er in dit alles dus reeds overvloedig grond om te midden van wat ons veroordeelt, wat onze ziel verdonkert en ons hart doet beven, op te zien tot Hem, die als de God ; en Vader van onzen Heere Jezus Christus niet ophoudt Zijn kinderen te minnen met eeuwige liefde.

 Doch behalve dit alles is er nog ééne oorzaak, die de vrijmoedigheid onwedersprekelijk maakt. Ook zij ligt in het wezen der liefde des Vaders. Die liefde namelijk strekt zich uit tot elk van Gods kinderen afzonderlijk. Zij komt tot hunne personen. Zy worden er door onderscheiden van de wereld. „U heb ik liefgehad", zoo ruischt het uit den hemel hun toe in de ure, waarop zij op den berg van Gods heiligheid mogen klimmen. Daar onder juist kan Gods kind zoo klein worden. Als het maar voor de vraag wordt gesteld naar het waarom dier liefde des Vaders. Waarom komt zij over ons, terwijl anderen voortgaan in verblindheid des harten? Waarom zijn zij dat groote goed deelachtig ? Als zij zich daarvan rekenschap geven, dan blijft niet anders dan diepe verootmoediging voor Gods aangezicht. Zij waren niet beter; door niets onderscheiden, onder het juk der zonde en in de boeien des doods gelijk ook de anderen. Ook in hen was geen ritseling des levens, ook in hen vlamde geen vuur der liefde Gods. Ook zij dwaalden voort door dit leven zonder dat er een hooger licht straalde op hun pad. Ook zij wandelden over den weg des doods, zonder hope en zonder God. Maar juist daarom wordt dan ook het wonder der genade zoo machtig, zoo onuitsprekelijk, zoo heerlijk. Dat Gods kind van die liefde des Vaders mag roemen, het is alleen te danken aan die wondere Vaderliefde zelf. Dat zij nu mogen hopen, dat zij nu, gedragen op de wieken des geloofs, mogen naderen tot die bron van heil en troost en zalig zielservaren, zij danken het alleen aan den Vader der lichten zelven.

En wat nu in den gang des levens onmisbaar moet geacht, dat is zich telkens dien oorsprong van alle heil klaar voor den geest te stellen door Gods eigen Woord, waarin de Heere zelf ons verkondigt, en getuigt, hoe Zijn Vaderhart leeft voor Zijn kind. We zullen nooit buiten Gods Woord om die zekerheid des heils deelachtig kunnen worden, die uit de liefde des Vaders ontspringt.

Het Woord stelt Hem ons voor in al de heerlijkheid van Zijn ontfermen. En Hij wil, dat Zijn kind het zal hooren, het zal weten en verstaan, opdat het in al zijn nood en donkerheid, in zijn strijd en angst, in die klinkende sprake uit den hemel een onmiddellijk getuigenis zal hebben, waardoor zijn ziel zal worden geschraagd.

Dit blijkt zoo menigmaal het karakter der valsche bevindelijkheid te wezen, dat zij de zielen afleidt van het Woord. Dit is een onderscheid tusschen wat verkregen wordt in waarachtigen verborgen omgang met God en wat geoogst wordt aan vleeschelijk vroom op eigen zielsakker. De waarachtige bevinding komt steeds door Gods Woord en belofte, de valsche wordt gevonden bij ons zelf. Het ware geestelijk leven drijft uit om te delven in de mijn van Gods getuigenis en uit Zijn mond de sprake des levens op te vangen. De valsche bevindelijkheid leert alleen te graven in eigen hart om daar te vinden wat fundament zou kunnen zijn voor het gebouw der hope. Het ware leven is een uitgaan uit zichzelf om door Christus te smaken de liefde Zijns Vaders, het valsche daarentegen is een ingaan in zichzelven om daar de steunsels te vinden, waar het vrome vleesch zich aan vasthouden kan. Het ware leven groeit alleen door het brood dat uit den hemel is, het valsche teert op de schimmelplant, die welig tiert in de donkerheid daarbinnen. Daarom roept de Heere Zijn kind altijd weer op tot vrijmoedigheid des geloofs om toe te gaan tot den troon der genade, want Hij weet, dat er buiten Hem voor Zijn kind geen levensadem overblijft. Hij weet, dat wij buiten Hem en in onszeiven nooit zullen kunnen vinden wat noodig is tot zaligheid. Aan onszeiven overgelaten en zoekend in onszeiven de steunsels onzer hope, komen wij nooit tot de zekerheid en de blijschap des heils, zal nooit gesmaakt worden de vreugde van Gods kinderen, wier gewetens gereinigd zijn van doode werken om den levenden God te dienen. Ook binnen in ons schuilt niet anders van nature dan de liefde dezer wereld. En deze woont niet samen met de liefde des Vaders, Zoo treedt ook hierin het onderscheid on tusschen het ware en het valsche bevindiags. leven, dat de verborgen omgang met dej Vader, dat de gemeenschap aan Zijne liefde dat het verkeer met Zijn heilig, vlekkeloos Wezen altijd in zich sluit een wandel in teedere vreeze. Daarom zegt de apostel: „indieal gij tot eenen Vader aanroept Dengene, zonder aanneming des persoons oordeelt naat eens iegelijks werk, zoo wandelt in vreeze den tijd uwer inwoning." Met een vervalsclit| leven daarentegen, dat zijn levenssappen betrekt niet uit Gods Woord, maar uit de| diepten van eigen ziel, blijkt gemakkelijk bestaanbaar de koestering der begeerlijkheden die krijg voeren tegen de ziel. Daarom zijj er zoo velen, die onder den schijn eeuer christelijkheid, onder het masker eener vroom, beid, achter een scherm van grilligheden den naam des Heeren smaadheid aandoen. Eu daarom is het noodig zich te vergewissen van den weg des Woords, beproefd te worden door dat Woord en uit dat Woord te leereu kennen dien verborgen omgang met den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, opdat wij macht ontvangen kinderen Gods genaamd te worden.

Stelselloosheid.

Het Gereformeerd Protestantisme trekt in onze dagen in hooge mate de aandacht. Meer dan sinds vele jaren het geval was. Zeker mag dit een verblijdend verschijnsel worden genoemd. Niet slechts in ons land, maar ook daarbuiten wordt er weer kennis van genomen. In steeds breeder kring wordt het, zooal niet gewaardeerd dan toch weder erkend als een beginsel, dat in de ontwikkeling van heel ons cultuurleven een zegenrijke functie kan hebben. Vroeger had de smaad van de nachtschuit grif ingang. Thans begint het voor sommigen zich te ontpoppen als een splinternieuwe Dreadnought, die op de'wateren van ons volksleven meetelt. Wat men voor een dertigtal jaren niet droomen durfde, greep nu plaats.

Aan de Leidsche Universiteit trad een buitengewoon hoogleeraar op, die onderwijs zal geven in de geschiedenis van het Gereformeerd Protestantisme. Voor ons is dit eene oorzaak tot blijdschap. Allereerst omdat de man, die daarmede belast werd, de verwact ting wettigt, dat zijn historisch onderzoek niet partijdig anti-gereformeerd zal wezen, maar streng wetenschappelijk. Dergelijk wetenschappelijk streven kan niet anders dan aan onze beginselen ten goede komen. Onbevooroordeelde studie der geschiedenis zal, mits diep genoeg opgevat, een krachtig getuigenis afleggen ten gunste van onze beginselen. En wij hebben gewettigde hope, dat Dr. Eekhof in dit opzicht aan de school van Acquoy tot eere zal strekken.

Maar afgezien van deze benoeming is er in de vestiging van dezen leerstoel iets, dat ons niet behagen kan. De wijze, waarop dit professoraat is ingesteld, is een duidelijk symptoom van de volmaakte stelselloosheid, die er ten onzent in zake het Hooger Onderwijs heerscht. En moeilijk kan ontkend, dat deze noch in het belang van onze Universi teiten, noch in dat der belastingbetalende burgerij is.

De waarheid gebiedt te erkennen, dat wij hier staan voor de gevolgen van hetgeen onder het ministerie-Heemskerk is geschied. De heer Heemskerk was als minister een man, die er steeds op uit was zijne goedheid te toonen, maar aan hem is dan ook het Duitsche spreekwoord vervuld: „Allen zu getallen iat schwer." Hij was niet alleen goedlachsch, maar ook, als het er op aankwam, goedgeefsch. En in zulk een goedgeefsche bui zegende hij ons volk, natuurlijk niet het antirevolutionaire volk, maar ons Nederlandache volk, met de instelling van twee gelegenheidskatheders aan de Leidsche Academie.

Misschien weet gij, lezer, niet wat een gelegenheidskatheder is ? Welnu een gelegenheidakatheder is een professorale leerstoel, die opgericht wordt niet omdat er schreiende behoefte aan bestaat, maar omdat men het voor iemand gewenscht acht, dat hij hoogleeraar wordt. Als er dan geen plaats is, wordt er door zulk een gelegenheidskatheder in te stellen plaats gemaakt. Nu zou daarvoor nog wel wat te zeggen wezen, indien zulk een leerstoel of gratis werd bekleed of uit bijzondere fondsen werd betaald. De heer Heemskerk heeft er echter, gul als hij was, uit de staatskas een bedrag voor beschikbaar gesteld, inplaats van te zeggen, dat men moest do^n wat Roomschen en Gereformeerden ook doebi namelijk zelf kapitaal bijeenbrengen vooreen bijzonderen leerstoel. Zoo werd dus het budget weder jaarlijks verhoogd met een uitgave van e«nige duizenden guldens. Een dezer leerstoelen was bestemd voor de geschiedenis van het Oostersch Christendom. Plotseling had men het hoog belang daarvan ontdekt. Met een beroep op het groote gewicht van dit onderdeel der historische wetenschap werd de oprichting verdedigd, ofschoon ten onzent aan de voorziening in de eigenlijke behoeften der historische wetenschap nog heel wat, dat veel noodiger is, ontbreekt.

Maar zie, nauwelijks is de man, door wion dat Oostersch Christendom zal worden nageplozen, een blauwe Maandag aan het werk, of hij wordt te Groningen tot gewoon hoogleeraar benoemd en nam dezen leerstoel aan. Nu zou ieder natuurlijk verwachten, dat de belangrijkheid van die geschiedenis van het Oostersch Christendom eischte, dat er zoo spoedig mogelijk door de benoeming van een nieuwe specialiteit op dit gebied in de vacature zou worden voorzien.

Maar zie, tot elks groote verbazing is nu plotseling de belangstelling in die Oostersche historie gedaald. De leerstoel is niet meer aoodig, naar het schijnt, en de minister, die nu regeert, besteedt het vrijgekomen bedrag voor den buitengewonen hoogleeraar, die de historie van het Gereformeerd Protestantisme zal onderwijzen. Wij juichen deze door den minister Cort van der Linden aangebrachte , wijziging toe, omdat het hemd nader dan de rok is. Maar wij mogen toch niet verbergen, dat wij de door minister Heemskerk ingestelde gelegenheidskatheders niet gewenscht achten.

Allereerst is de inrichting vanonsHooger Onderwijs nog niet van dien aard, dat men zich luxe artikelen kan permitteeren, die niet beslist noodig zijn, afgezien van het feit, dat zulke gelegenheidskatheders ook om andere redenen niet aanbevelenswaardig zijn. Maar bovendien zou bij doelmatiger besteding van het staatsgeld meer verkregen kunnen worden. Verlossing van de heerschende stelselloosheid, gezonder organisatie op dit gebied is broodnoodig, sal óns Hooger Onderwijs in de toekomst op peil gehouden worden

Men wilde het niet.

In art. 39 Regl. Godsd.onderwijs was voorgeschreven wat de predikant te vragen had aan zijn leerlingen, die belijdenis des geloofs wenschten af te leggen en in het midden der gemeente begeerden bevestigd te worden.

Maar hoewel het voorgeschreven was welke vragen er gesteld moesten worden — van de woorden „geest en hoofdzaak" was toen nog geen sprake — begonnen onderscheidene predikanten van liberale richting willekeurig wijzigingen in die vragen aan te brengen. Zoo gebeurde het wel, dat bij de bevestiging héél andere vragen werden voorgelegd dan gereglementeerd was.

Ook Ds. Joh. Hooykaas Herderschee te Nijmegen deed dat. Maar werd toen door een ouderling aangeklaagd, daar deze zich niet kon vereenigen met de handelwijze van den predikant, die tegen den zin van de wet in de belijdenis der Kerk aanrandde en het karakter der Kerk schond, door de loochening van de Godheid van Jezus enz.

En de kerkelijke besturen veroordeelden Ds. Hooykaas.

Dit deed een groot aantal predikanten een adres opstellen aan de Synode, waarin geprotesteerd werd tegen dezen formulierdwang, met verzoek in het stellen van de belijdenisvragen vrijheid aan den predikant te verleenen of endere vragen op te stellen.

Tengevolge van dat adres besloot de Synode van 1875 op een eigenaardige wijze hierin te voorzien.

We zeggen op „eigenaardige" wijze. En wel hierom, dewijl de Synode niet in het Regl Godsd.onderwijs ging wijzigen, maar in art. 22 Regl. Kerkeraden wilde opnemen, dat de predikant naar eigen oordeel zou mogen te werk gaan in zake het al of niet gebruiken van den Heidelb. Catechismus, van de Liturgische schriften — en nu ook van de belijdenisvragen in art. 39 Regl. G. O. voorgeschreven.

Dan zou dus iedere predikant vrijheid ontvangen om de belijdenisvragen van art. 39 R. G. O. te stellen of niet te stellen, 't Stellen van de vragen werd facultatief gemaakt.

Maar hoe werd dit Synodale voorstel van het jaar 1875, — geboren uit de kwestie-Ds. Hooykaas Herderschee — door de Kerk ontvangen?

Met overgroote meerderheid hebben in 1876 de Prov. Kerkbesturen en Class. Vergaderingen dit facultatief stellen der belijdenisvragen afgekeurd; en op voorstel van de meerderheid der Commissie van rapport heeft de Synode van 1876 dan ook de verplaatsing der belijdenisvragen naar de liturgie afgekeurd.

{Handel.-Syn. 1876 blz. 177-185; 281-285).

Ook dat wilde men niet.

De Synode van 1876 wilde de belijdenisvragen van art. 39 Regl. Godsd. onderw. niet facultatief stellen. Ze waren voorgeschreven en ze bleven voorgeschreven. Maar dat bezorgde de Synode weer tal van adressen, waarin geroepen werd om vrijheidl

Lang en breed werd er over de kwestie gesproken. En voorloopig werd door de Synode van 1877 aangenomen een wijziging in art.' 38, 39 en 40 Regl. Godsd. onderwijs, waarbij bepaald werd, dat iedere predikant zijn eigen catechisanten mocht bevestigen, dat leerlingen van elders ook mochten worden toege laten en dat de belijdenisvragen van art. 39 zouden worden veranderd.

Bepaalde vragen zouden blijven voorgeschreven. Maar de nieuwe waren wat ouders gesteld dan de oude. Natuurlijk wat minder „dogmatisch" en wat meer elastisch, zoodat de zin wat meer rekbaar was en de uitlegging kon worden gedaan naar verschillend model!

Nu was men klaar!

Er werd aan de Kerk voorgelegd een nieuw stel vragen, opgesteld door Ds. Douwes predt. te Leens, luidende als volgt:

1 „Verklaart gij, in oprechtheid des harten u te vereenigen met allen, die God aanbidden als hunnen Hemelschen Vader, Jezus Christus vereeren als den Zoon Gods, hunnen leidsman tot den Vader, en door den Heiligen Geest zich willen laten besturen."

2 „Hebt gij mitsdien het ernstige voornemen, de zonde te verzaken en matig, rechtvaardig en Godzalig te leven, gelijk het waren Christenen betaamt? " enz.

Maar hoe ontving de Kerk dit voorstel, dat in de Synode met 13 tegen 6 stemmen was aangenomen?

Men vertrouwde het niet. „Eeniggeboren" was weggenomen; God aanbidden en Jezus „vereeren" stond er nu; er was sprake van „zich willen laten besturen door den H. Geest" enz. enz.

Neen! men vertrouwde het niet.

En er ging een storm op in het midden der Kerk. Zóo, dat de Synode van 1878 eenparig besloot om de vragen Douwes weer te laten vallen en terug te keeren tot de oude vragen van art. 39.

Maar, natuurlijk! daar zouden de liberale heeren niet stil onder blijven!

Er moest en er zou wat gedaan, worden, dat meer „vrijheid" bracht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 april 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 april 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's