Uit het kerkelijk leven.
Van verborgen omgang.
V.
Zoo is er dus voor Gods kinderen een gemeenschap met den Vader. Een geestelijk leven, waarin nooit gekend wordt het schuilen aan het Vaderhart Gods, waarin nooit genoten wordt van de koestering Zijner liefde, is niet in overeenstemming met wat de Heere in Zijn Woord aangaande het leven Zijner kinderen openbaart. God is voor Zijne kinderen geen woestijn en geen land der uiterste donkerheid. De weg der goddeloozen is duisternis, maar over Zijn volk gaat het licht op, waarbij zij aanschouwen de diepe afgronden in eigen hart, maar ook de bergtoppen, die gekleurd worden door het zonlicht der eeuwige liefde Gods. Zij zien niet alleen wat daar woekert in eigen ziel, wat gehuld is in de schaduw van het mysterie daarbinnen, maar ook hetgeen in Gods hart voor Zijn volk is. Wie slechts donkerheid kent en geen licht, wie niet anders kan spreken dan van dood en verderf, diens geestelijk leven is verkwijnd, mist den ademtocht van Gods Geest, derft het karakter van het ware kindschap Gods. Het echte geestelijk leven kent zeker donkerheid en strijd. De weg tot de levensontplooiing gaat, door het recht over onze zonde, naar de bron van de liefde des Vaders.
Maar het blijft niet staan bij donkerheid en strijd. De Heere leidt er Zijn volk door. Hij geeft hun ook Zijn manna, doet hen ook nederzitten aan de fontein, opdat het niet verdorste, biedt ook verkwikking in de schaduw der palmen. De weg is smal en steil, maar Gods kind moet ook bij wijlen opzien naar de tinne van den tempel in het Jeruzalem Gods, dat boven is en Hij laat ook het bazuingeschal in hun ooren weerklinken, opdat zij moed scheppen uit Zijne belofte. Gods kind draagt zijn kindernaam, omdat hij God aanroept als een Vader, Hem ontmoet als een Vader, gemeenschap oefent met den Vader.
Maar deze gemeenschap gaat niet om buiten den Heere Jezus Christus. Wel wordt er soms met zekere voorliefde over den hemelschen Vader gesproken, terwijl de Zoon wordt geloochend, doch daarin is slechts een schromelijke zelfmisleiding op te merken.Er is geen kennis des Vaders buiten den Zoon om, wijl de Zoon alleen den Vader openbaart. De Zoon Gods is gekomen en heeft ons het verstand gegeven, dat wij den Waarachtige kennen. Zonder den Zoon kan niemand van den Vader wetenschap hebben en dus ook geen omgang kennen met den Vader. Daarom zegt de apostel: een iegelijk, die den Zoon loochent, heeft ook den Vader niet. En de ervaring leert dan ook, hoe ijdel het geroep over den hemelschen Vader is, terwijl Hij verworpen wordt, in Wien Gods Vaderschap alleen openbaar is. Meestal blijkt het een ijdele term, die zekere godsdienstige stemmingen tot uiting brengt, maar dieperen ondergrond mist. In de practijk des levens merkt men dan ook van gemeenschap met dien Vader en gebondenheid aan Hem, weinig of niets. Waar er van een hemelschen Vader gerept wordt zonder erkenning des Zoons, wordt de godsvrucht uit het leven steeds meer teruggedrongen. De ervaring heeft geleerd, dat al die kringen, die zijn aangevangen met de uitschakeling van den Christus, geëindigd zijn met een godsdienstig leven, dat nauwelijks meer op dien naam mag aanspraak maken. Ook op dit gebied werd het woord vervuld: „Wie niet heeft, van dien wordt genomen ook wat hij heeft."Ook hier blijkt het een snelle afloop van wateren naar steeds dieper afval van God en Zijne waarheid. In dien weg zijn vele duizenden gekomen tot het schrikkelijkst ongeloof, dat zich uit in den godsdienst van de buik.
Buiten den Zoon om kan er van een aanroepen des Vaders in den zin, waarin de Heilige Schrift dit verstaat, geen sprake zijn. Het geestelijk leven, zooals het Woord des Heeren ons dat teekent, bestaat niet zonder een gemeenschap des Zoons. Ja, de apostel kent aan Gods kinderen juist dit groote voorrecht toe, dat zij geroepen zijn tot de gemeenschap van Jezus Christus onzen Heere.Die roeping ging uit van God den Vader, die, opdat de heerlijkheid Zijner liefde zal worden gekend, tot gemeenschap met den Zoon roept. En die gemeenschap wordt ons op meer dan ééne plaats geteekend als een in gezelschap van den Zoon smaken van de gave des levens. De Zoon zal tot Gods kinderen inkomen en avondmaal houden met hen, gelijk Hij als de pas verrezen Heiland avondmaal hield met de eenzame jongeren op den weg naar Emmaus, De Heere deelt Zijne gaven mede aan de Zijnen, opdat hun leven zal worden verkwikt en uitspruiten van de reuke dier wateren. Hij wordt ons voorgesteld als in die gemeenschap met de Zijnen genietend van de heerlijke vruchten des Geestes. Die gemeenschap, die genoten wordt, zooals wij aan een maaltijd met elkander gemeten, is het beeld der innerlijke vertrouwelijkheid, waarin het kind des Heeren met den Heiland verkeeren mag. Zooals wij aan den huiselijken maaltijd met de onzen genieten niet alleen van de spijze, maar ook van elkander, omdat in openheid en vertrouwelijkheid ongedwongen kan worden gekout, zoo wordt ons in het beeld van het aanzitten en eten met Hem de Heere Jezus als een vriend geteekend, voor wien ons hart zich ontsluiten mag en die ook het zijne voor ons niet zorgvuldig verborgen houdt.Maar elders in de Schrift wordt het geestelijk leven als een levensproces ons geteekend, gelijk het dan ook waarlijk is, en worden de levensbeelden ontleend aan de natuur.Reeds het O. V. had het geestelijk genieten van Gods kinderen vergeleken met het verkeeren in een heerlijken lusthof, die door zijn geurige vrucht het hart verheugt. In het Hooglied werd gezongen van een paradijs van granaatappelen, met edele vruchten, van een hof, waardoor Noorden-en Zuidenwind waaien zou, opdat de specerijen mochten uitvloeien. Het zoete en het geurige, het nuttige en het heilzame wordt gevonden in dien lusthof. En zoo is er ook door den profeet een klachte Gods beluisterd, omdat er een wijngaard is zonder vrucht, en wordt Israël vergeleken met een uitgeledigde wijnstok, omdat er geen hart was om Hem te ontvangen. En zoo is er ook daar eene voorliefde voor een vetten maaltijd als het beeld om de heerlijkheid der gemeenschap tusschen Christus en Zijn oude volk ons af te malen.En de geestelijke gaven, die Hij voor de Zijnen heeft, noemt Hij bij voorkeur een bruiloftsfeest. De stofifelijke genietingen worden alzoo .het, om .de duidelijkheid en bevattelijkheid, sprekende beeld van de blijdschap en het genot, dat Gods kinderen wacht in den omgang met Hem, die immers de Bruidegom hunner zielen is. Ja zelfs de schoonheid en de geur van de wereld der bloemen worden door Gods Heiligen Geest gebezigd om de liefelijkheid te vertolken, die der ziele wacht in de ontmoeting met Hem, die de begeerlijkste is voor den zondaar, omdat buiten Hem voor den verlorene geen redding blijft.
Zoo is er dan ook geen wezen in Gods schepping, waarvan de mensch op bijzondere wijze geniet, dat de .Heilige Geest niet aangrijpt om den Middelaar in de kracht Zijner zaligmaking uit te beelden. Als het oog zich ophief naar den hemel en zich verblijdde in de lieflijkheid van het zonlicht of in de majesteit van de blinkende morgenster, dan was de schepping des lichts voor de mannen Gods het beeld om Hem te verheerlijken, die het licht der wereld is en in wiens licht van gemeenschap een mensch niet dwalen kan. Én was de morgenster niet de profetie der sterre, die uit Jacob opgaan zou, begroet door de vreugde dergenen, wier zielen wachtten op den morgen, meer dan wachters op den morgen! Onder de dieren des velds was er geen, die met den koning des wouds zich kan meten. En was niet de Leeuw uit Juda de verwachting van het oude volk ? De roos van Saron en de lelie der dalen, zij beeldden in de schittering der kleuren en in de heerlijkheid van haar reuk de zalige ervaring uit, die genoten wordt in Jezus' omgang, van wiens liefde en gerechtigheid de bekorende en betooverende trekking uitgaat over het zondaarshart, opdat Hij zal verlossen en troosten.
Zooals er volgens den apostel van de eene offerande aan het kruis volbracht een geur ten hemel stijgt „Gode tot een weiriekenden reuk", zoo gaat er ook voor Gods kinderen van den Middelaar een allesovertreffende bekoring uit. Allereerst reeds door de majesteit van Zijn Persoon. Hij is schooner dan alle menschenkinderen, wijl Hij in ruime mate in sêüe geestelijke behoeften der Zijnen voorziet. Hij, in den rijkdom Zijner barmhartigheid, in de heerlijkheid Zijner gerechtigheid, past volkomen bij den armen, van alle geestelijke goederen beroofden zondaar. Zij trekken reeds krachtens de macht der tegenstelling elkander aan. De Christuis vloeit over van vruchten der genade. Hij is als de boom des levens, die afwerpt wat noodig is voor het eeuwige leven. Door de ziel van Gods kind gaat de ontdekkende werking van Gods Heiligen Geest. Bij Zijn licht komt er een klaar inzicht in de verzondigdheid van ons gansche wezen, een klaar inzicht ook in de heiligheid van Gods wet. Hij leert den afstand meten tusschen ideaal en werkelijkheid, tusschen wat wij zijn en wat wij moeten zijn.Maar daarmede wordt dan ook tevens gewekt dat heimwee naar de volmaking, dat de Schrift noemt de honger en dorst naar de gerechtigheid.
In die schreiende zielsbehoefte is Christus' Middelaarschap het begeerlijkste goed. Wie deze niet van noode is, hij moet een vervreemde geacht van de belofte. Hij mag over godsdienstig leven nog willen spreken, zich misschien beroemen op veel, dat den schijn heeft iets te zijn, maar hij derft wat God voor Zijne kinderen bereid heeft. Wie niet van noode meent te hebben in Christus te zoeken genade en verzoening, rechtvaardigmaking en heiligmaking, diens levenslicht is niet ontstoken door Gods Heiligen Geest.Hij is zonder schild voor de hitte van Gods toorn, zonder schaduw onder de vleugelen des heils en hij zal ook niet kennen de blijdschap der verlossing, noch de heerlijkheid der ruste, waartoe de Heere Jezus opriep met zijn: "komt tot Mij gij allen, die vermoeid zijt." Hij kent geen medicijn tegen de krankheden zijner ziel, geen vertroosting in zijn leven, noch in de ure des doods.
Zoo blijkt het dus klaar uit de Schrift, dat er voor Gods kinderen ook een gemeenschap is met den Zoon en zij put zich uit om de uitnemende heerlijkheid daarvan te schetsen.De beelden, waarvan zij zich bedient, ontleent zij daartoe aan wat streelend en aangenaam is in ons natuurlijk leven. In dat opzicht is er een groot onderscheid tusschen de wijze, waarop zij de heerlijkheid van de gemeenschap met den Vader teekent en die met den Zoon of met den Heiligen Geest. God de Vader en God de Heilige Geest leiden ons in de diepten van Gods Wezen, Zij treden voor het bewustzijn terug van het stofielijke, In Vader en Geest komt het geestelijk Wezen Gods op den voorgrond en dat in zoo alles overheerschende wijze, dat het beeld aan het stoffelijke ontleend, weinig gebezigd wordt om de gemeenschap uit te drukken met hen.Maar gansch anders is het met de gemeenschap des Zoons. De Zoon is niet slechts de eeuwige Zoon des eeuwigen Vaders, niet slechts het Woord, dat in den beginne bij God is en zelf God is, niet slechts is Hij de tweede Persoon; maar Hij onderscheidt Zich daardoor dat Hij vleesch wordt. Hij neemt de gestalte eens dienstknechts aan. Bij wordt mensch, onzer één, ons in alle dingen gelijk uitgenomen de zonde. En daarom dat Hij des vleesches en des bloeds deelachtig is, staat Hij ons zooveel nader. Door het feit dier vleeschwording is er dan ook in de kennis Gods de helderste opklaring. Er is niets, waarin de nederbuigende liefde Gods over een arm zondaar sterker spreekt dan daarin, dat de Heere zich verwaardigt tot ons te spreken in Zijn getuigenis met menschelijke woorden, dat Hij zich niet schaamt zich te voegen naar onze schepselmatige kleinheid en dat Hij zich bedient van beelden ontleend aan Zijne schepping om de gedachten des vredes en der ontferming, die in Zijn Vaderhart leven, te vertolken. Maar nog veel verder gaat die nederbuigende goedheid Gods en Zijne onmetelijke goedertierenheid, dat Hij in Zijne leidingen met Zijn volk het niet alleen laat bij de sprake uit den hemel, maar den Zoon zendt in de gelijkheid des zondigen vleesches. Hij die waarachtig en eeuwig God is en blijft, verschijnt in het vleesch als onzer één, ons in alle dingen gelijk, uitgenomen de zonde. Nooit kan er helderder licht Gods opgaan dan doordat Hij komt in onze natuur, dan doordat wij Hem mogen zien met onze oogen en tasten met onze handen. Dat is de schoonste, de heerlijkste, de sprekendste openbaring Gods. Grooter en duidelijker is niet mogelijk, want van Hem, die de geliefde Zoon is, klonk de stemme uit de hoogwaardige heerlijkheid desonzienlijken Gods: „hoort Hem". En dit is dan ook het groote verlossingsmysterie, dat de Schrift met voorliefde de verborgenheid der Godzaligheid noemt: God geopenbaard in het vleesch. Wie Mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien. In dat feit der vleeschwording komt God ons nader, krijgt Hij eene gedaante voor ons, waardoor de gemeenschap met Hem zooveel werkelijker wordt. Hij geeft zich daarin aan ons op eene wijze zooals wij Hem kunnen ontvangen. Daardoor alleen is gemeenschap met Hem mogelijk.Vandaar dat de volkeren tasten of zij Hem ook vinden mogen en rondwaren in eene duisternis zonder ooit iets anders dan schaduwbeelden te grijpen. En ook zij, die den Christus verwerpen, hebben in hun godsdienstig ervaren slechts de beelden van eigen zielsbestaan, waarin zich ongetwijfeld de diepe behoeften aan God tot uiting brengen, maar omdat zij Hem niet ontvangen zooals Hij alleen ontvangen kan worden, omdat Hij zich alzoo alleen gegeven heeft, daarom blijven ook zij bij roeringen des gemoeds zonder God zelf te ontmoeten. Zij gaan voorbij aan het wonder der ontfermingen, dat verschenen is in onzen Heere Jezus Christus, waarin God zich geeft in ons vleesch en bloed, opdat Hij in alle onze benauwdheden benauwd zijnde en door al ons lijden gaande, onze ellende peilende, een barmhartige Hoogepriester zou kunnen zijn, in alle dingen verzocht als wij, In Hem houdt de Heere gemeenschap met ons in onze ellende, opdat wij met Hem gemeenschap zouden hebben in Zijne heerlijkheid.
Daarom is er voor Gods kind in de gemeenschap met den Zoon zulk een groot en dierbaar geestelijk goed. Er is een zieleweelde in den verborgen omgang met Hem, een weelde geteekend door de Schrift in beelden ontleend aan de weelde van de feestmalen, aan genieten van zielevreugde in den hoogsten en reinsten zin. Wat in Christus' gemeenschap gesmaakt wordt, is als de wijn, die het hart verheugt en de zorgen doet vergeten; het biedt verfrissching zooals een dronk waters den dorstende verkwikt.
De genade van Christus sterkt, vertroost en is vol zielsgenieting voor Gods heiligen, zoodat er over Gods kinderen ten dage des lichts een glans opgaat, die over gansch hun leven uitstraalt. Door de lichtglansen van Christus klaart hunne donkerheid op, zelfs als zij op natuurlijk gebied worden gedrukt.
Zooals de bruid verrukt is over haar bruidegom en geniet van zijne nabijheid, zich verblijdt in de liefde, in de zorgzaamheid eu de vriendelijkheid, zoo geniet ook Gods gemeente van den omgang met den Zoon. Er is in de gemeenschap met den Zoon uiet alleen wat elk van Gods kinderen afzonderlek tot vreugde strekt, maar ook wat zi] gemeenscbappelijk, tezamen mogen smaken.De gemeenschap der heiligen komt het heerlijkst uit in de gemeenschap met den Heere Jezus Christus, die zich het Hoofd Zijner gemeente bewijst. Ook in dat opzicht trekt Hij meer dan de Vader de aandacht. Er ig een onmiddellijk levensverband met Hem als vrucht van het feit, dat Hij in deze wereld verscheen niet alleen, maar nog zich betoont de Middelaar, die het werk der verzoening voortzet. Gods heiligen vinden in Hem hun vereenigingspunt. En daarom ook gaat over Hem zooveel meer hunne sprake, wordt Hij zooveel meer genoemd. Jammer alleen, dat in onze dagen van die gemeenschap der heiligen zoo weinig wordt bespeurd. Dat is toch een kenmerk onzer dagen, niet slechts dat er zooveel verdeeldheid is in de wereld, maar ook en vooral, dat er onder hen, die Zijnen Naam belijden, zoo weinig genoten wordt van hetgeen zij allen in Christus deelachtig zijn.Maar waar gezond geestelijk leven wordt ge vonden, daar dalen Zijne gaven neder, in Zijne gemeente niet het minst. Waar Hij Zijn Woord stelt. Zijnen Geest bestelt, daar regent ook het manna van den hemel, of om het woord te gebruiken, dat de ziener op Patmos bezigde om ons die gemeenschap met de gemeente als zoodanig te teekenen, „ik zag zeven gouden kandelaren en in het midden van de zeven kandelaren eenen, den Zoon des menschen gelijk zijnde." Den Heere schouwde hij wandelend tusschen de kandelaren, die de zeven gemeenten vertegenwoordigden. Zoo wordt het ons dus duidelijk, dat er ook een gemeenschap is met Zijn lichaam, met Zijne gemeente als zoodanig. Reeds uit dat oogpunt is dan ook de samenkomst der gemeente van zoo hoog gewicht, heeft zij zoo groot belang voor het geestelijk leven. In dat samenzijn der geloovigen heeft de Heere wat te geven aan Zijn volk.
En ook hier blijkt hoe ongezond, hoe doodelijk krank het geestelijk leven dikwijls is. Zijn er niet, die stelselmatig zich aan het meeleven met de gemeente onttrekken ? Er zijn er die wegblijven uit de samenkomsten der gemeente, omdat zij vervreemd zijn van haar leven, omdat zij vervielen tot een wereldgelijkheid, afstierven van het geloof der heiligen, meenen dat de wereld met haar genietingen of hare wijsheid zooveel meer te geven heeft. Zij hebben geen lust meer in Gods waarheid.Die spijze smaakt hen niet. Maar er zijn er ook, die de samenkomsten der gemeente verwerpen uit wat ik zou noemen een geestelijke preutschheid. Zij zijn kittelachtig van gehoor. Zij komen niet, ook al wordt er het Woord Gods zuiver gepredikt. Zij genieten naar zij beweren meer op het conventikel, onder een aantal vrienden en vriendinnen.Zij paren aan de natuurlijke spijze, waaraan men zich te goed doet in gezelligheid ook een geestelijk genieten, als de hooge en sterke eikeboom der gerechtigheid de druppeltjes van zijn geestelijke dauw afschudt op de kleine plantjes rondom hem. En daarom naar Gods huis gaan ook zij niet. De prediking van het onvervalschte Woord Gods wordt versmaad en zij doen als de schapen, die afdolen van de kudde, om op vreemde wegen voedsel te zoeken. En dat velen daarbij omkomen op paden des verderfs, dat den jongeren geleerd wordt de prediking te verachten en er een geslacht gekweekt wordt, dat naar Gods dienst heel nietmeer vraagt, omdat deze vrome en zeer hoog staande conventikelgangers toonden, dat men vroom kan zijn en zonder de prediking van het Woord, het deert hun niet. Zij zoeken een gemeenschap met Jezus, maar niet in den weg, waarin Hij die wil doen smaken. Zijn Woord leert het, dat Hij wandelt onder de kandelaren en dat Hij in dien weg van gemeenschap der heiligen in de openbaring der gemeente genietingeii des levens aan Zijne kinderen bereidt. Hij laat het woord prediken. Zijn getuigenis uitgaan, opdat Hij zich een geestelijk huis zal bouwen, waarin Zijn volk zal vinden de genieting *van hetgeen God de Vader in den Zoon gegeven heeft. Daarom, hoezeer ook in den nood der tijden Gods gemeente soms wordt verstrooid en verdreven, het volk kan niet rusten, totdat zij Hem zien, die al wie ooren heeft, gebiedt te hooren wat de Geest tot de gemeenten zegt en elk, die overwint; te eten geven zal van den boom des levens, die in het midden van het paradijs Gods is.
Zelferblinding.
In het Weekblad voor'de Vrijzinnig Hervormden van Donderdag 29 April 1.1., wijdt de redactie naar aanleiding van Dr. Eekhofs optreden te Leiden, een artikei aan het Gereformeerd Protestantisme, dat weer op duidelijke wijze in het licht stelt, hoe het modernisme de geschiktheid voor streng wetenschappelijken arbeid ondermijnt. De heeren schimpen graag! op de onwetenschappelijke orthodoxie en leveren onderwijl de klaarste bewijzen, dat het modernisme den objectiviteitsdrang doodt, geweld pleegt op de werkelijke gegevens, deifeiten verdraait, opdat zij toch maar voor het moderniame pleiten zullen.
Dat iemand modem is ais de redacteur van dit vrijzinnig weekblad, is verklaarbaar en begrijpelijk. Ais iemand werkelijk er 'van overtuigd is, dat een mengsel van religieuse sentimentaliteit en een grootere of kleinere dosis van eene of andere philosophie als bijgift, een grond kan zijn en is om op te leven en te sterven, dan zuilen wij voor zulk een eerlijke overtuiging de waardeering hebben, die zij verdient, ook al kunnen wij er ons niet in vinden. Maar wat wij niet waardeeren kunnen en moeten afkeuren, dat is de wanhopige poging om zoo te meten en te passen, dat men nog kan doorgaan voor iemand, die bij het Gereformeerd Protestantisme kan worden ondergebracht. Is iemand modern, het zij zoo, maar laas hij dan de moeite sparen om zichzelven en anderen diets te maken, dat hij behoort tot een geestelijke beweging, waarvan hij principieel ten eenenmale is afgeweken en vervreemd.
Dr. Eekhof had aangegeven enkele karaktertrekken, die steeds in het Gereformeerd Protestantisme werden opgemerkt, n.L de absolute souvereiniteit Gods, drang naar vrgheid, liefde voor de wetenschap.
Fluks komen Groningers en modernen om zich met dese drie kenmerken te meten. En wonder boven wonder, de heeren hebben zoo o-emeten, dat zg ze alle drie hebben. Zg zouden zich zelfe , moderne Calvinisten" wiUen noemen, dxis Calvinisten van nieuwbakken model. Jammer echter, dat de heeren Dr. Eekhofs rede zelve niet gelezen hebben, maar blijkbaar slechts een uittreksel, want dan zouden zij gezien hebben, dat hij er terecht op gewezen heeft, dat die Souvereiniteit Gods zonder de erkenning van het gezag der Heilige Schrift niet kan zijn. , Wilde men, " zoo zegt Eekhof, „Gode de eer geven, dan moest men zich ook onder Zgn wil onvoorwaardelijk buigen, doch dan diende men dien wü ook te kennen en waaruit zou. men dien beter kunnen leeren kennen dan uit den Bijbel." Als de heeren zich nu nog eens weer meten, dan zal het hun duidelijk zijn, dat er van die gehoorzaamheid asn Gods Woord, zooais dit door het Gereformeerd Protestantisme steeds is verstaan, niets bij de modernen te speuren is. En als zij dan even nadenken, dan zal het hun tevens duideiijk zijn, dat èn de souvereiniteit Gods èn de wetenschapsdrang èn de vrgheidsidee daardoor bij hen een geheel ander karakter verkrijgen dan zij bg de Gereformeerde vaderen hebben. Hier vooral geldt het: als twee hetzelfde zeggen, dan is het niet hetzelfde.
Nergens is er op historisch terrein een Gereformeerd Protestantisme aangetroffen, dat het" volstrekt gezag der Heilige Schrift weigerde te erkennen. Zelfs de oude Eemonstranteii sloofden zich nog uit om te bewijzen, dat zij het schriftuurlijk bij het rechte eind hadden.
Naar deze heeren hebben daarvoor geen oog. Zg trachten de moderne rok zoo te knippen, dat hij een gereformeerd model krijgt, maar lukken doet het niet. Het zou royaler zijn als de heeren nu maar erkenden, dat zij met de levens-en wereldbeschouwing der vaderen geheel gebroken hebben.
Nog dwazer echter wordt het als deze moderne redacteur van het plaatsvervangend lijden en sterven des Heeren verklaart, dat daarin , niets kenmerkends Gereformeerds of Protestantseh is". Inderdaad, dit is verbijsterend. Wij weten niet welk woord hiervoor gebezigd moet: zelfmisleiding, onkunde, verblindheid ? Misschen alle drie. Immers, dezelfde Dr. C. J. Niemeyer schreef eens eene dissertatie over den strijd over de leer der praedestinatie in de IXe eeuw, waarin hij op biz, 21 van de reformatie schreef, dat zij zich afkeerde van het in de R. Kerk heerschend geworden Pelagianisme en semi-pelagianisme en , terugkeerde tot de diepten van Paulus en Augustinus". Zijn nu Paulus' en Augustinns' diepten denkbaar zonder het kruis der verzoening? En thans beweert diezelfde man, die dit schreef en niet herriep, die de reformatie noemde , terugkeer tot Paulus en Augustinus", dat het kruis niet is iets, dat het Gereformeerde of het Protestantsche kenmerkt.
Van onkunde kan er bij den heer Niemeyer dus moeilijk sprake zijn, van vergeten der historie wel. Blijft dus zelfmisleiding en verblindheid. Daar komt een mensch licht toe, die den moed mist om ronduit te zeggen, dat hij principieel met de Christelijke religie brak. Toch is dit met deze quasi moderne-Calvinisten het gevaL Zij zijn kinderen van de renaissance en de revolutie. En rij zullen zich voor elk, die der zake kundig is, van dien oorsprong niet vrij pleiten ondanks al hun meten en passen.
Misschien gelukt hun dat echter wel voor de handvol religieuse modernen; want gewoonlijk zijn deze, hoewel zeer verlicht, in de kennis der historie en der leligieuise vraagstukken niet al te best thuis. Voor de rechtbank der kenners e ven wei lukt het nooit.
Modem is modem en niet gereformeerdprbtestantsch en dat zal het nooit worden, zelfs nooit worden kunnen, omdat het woord "modern" niet een richting dekt, geen levensbeschouwing aanwgst, maar een verzamelwoord is om menschen aan te duiden, die met elkander hierin overeenkomen, dat zij negatief staan tegenover de Christelijke levens en wereldbeschouwing, zooais zij historisch is gegeven.
Moed houden.
In he'zelfde nummer van het Weekblad voor de Vrijzinnig Hervormden komt een verhaal voor over de opkomende moderne beweging in Rhenen. Dat gaat daar prachtig! Er is twe« keer gepreekt. De eerste keer waren er 54, de tweede keer 43 hoorders.Daaronder doopsgezinden en remonstranten meegeteld-Een veelbelovend begin, waaruit men kan leeren, hoe de modernen aldaar smachtende zijn om ter kerke te gaan.
Wat den redacteur echter vooral verblijdt, is het feit, dat Ebenen in Utrecht ligt.Luister slechts: ^De provincie Utrecht immers is zoo bijzonder donker. Zg telt geen enkele Hervormde gemeente, die gediend wordt door een vrijzinnig predikant. Met geene provincie staat het zoo slecht als met Utrecht."
Erg nederig en bescheiden klinkt dit niet. Het is blijkbaar nog het oude liedje der zelfverheffing, dat deze redacteur zingt. Zonder moderne dominee!? , dat is in bijzondere donkerheid. De moderne dominees, dat zijn je lichten I Waar die zijn, daar glanst het u alles tegen van licht en verlichting, van zedelijke verheffing, van intense religiositeit, van echte volksopvoeding, van ware cultuur.Vooral de volksvermaken bereiken daar een hoog peü in den vorm. van kermissen en bals en allerlei genietingen, die het voïk zedelijk verbeteren, de Zondagsrust bevorderen, de footballspelen doen bezoeken en de kerken ledig maken. Inderdaad het volk dankt veel aan de moderne heeren. Het is dan ook vreeselijk ondankbaar, dat deze lichtgevende modernen meestal niet gevonden worden in die provinciën, waar het hart van ons nationale leven klopt.
Zijn niet de Zuidelijke provinciën, die men immers graag als "eer donker qualificeert, bgzonder gezegend met moderne lichten ?
Geniet niet de Drentsche heide bijzonder van dien modernen glans en groeien daar de schapen der kudde niet weelderig in ken-^ nis en ontwikkeling op ? Is het niet Noord-Holland boven het IJ, dat zich in modem schijnsel verheugt en wordt daar niet het Protestantisme door Roomsche overvleugeling bedreigd?
Hoe jammer is het dan toch voor Utrecht, dat het den zegen van het moderne licht geheel moet derven, daar er geen enkele moderne dominee is, wiens kandelaartje daar scnijnsei geeft in den nacht.
Intnsschen, dat Dr. Niemeyer moed houde. De vrijzinnigen houden tegenwoordig ook zendingsieesten in Utrecht. Niet zoozeer om de orthodoxen te bekeeren als wel om de modernen op te fleuren, wier leven blijkbaar weinig voedsel vindt in den orthodoxen bodem. En van die zendingsfeesten gaat nui wel zooveel licht uit, dat er heel de provincie genoeg aan heeft.
Zij fungeeren als de electrische centralen, die op één enkelen Juli achtermiddag voor een heel jaar produceeren licht en kracht.
Inderdaad, het is hoopvol. Het wegstervend modernisme zegt tot zijn dominees als de stervende gladiatoren van het oude Eome: .die gaan sterven, groeten U." En de heeren staan met hun licht alleen. Wat moeten de Utrechtsche gemeenten dan met zulke dominees doen?
Die kan er van lusten.
In Sneek staat Ds. Wumkes, een rechtzinnig (ethisch) man, die tegenover zijn twee moderne coUega's .evangeliseert", maar nu in zake het Synodale voorstel tot schrapping van de woorden , , geest en hoofdzaak" met z'n moderne collega's één adres heeft opgesteld en geteekend, waarin aan de Synode gevraagd wordt om de voorloopige schrapping weer ongedaan te maken.
Dat samengaan — en zelfs vooropgaan — van Ds. Wumkes met de modernen heeftin den lande nog al verwondering en ergernis verwekt. Maar het blijkt nu, dat vooral de rechtzinnige geestverwanten van Ds. Wumkes te Sneek zich aan deze handelwijze van hun leeraar hebben gestooten en 't hem in deze lastig gaan maken. Men kan het daar maar niet begrijpen hoe hij, die van de moderne prediking beweert — deze bewering ook omzettend in daden — "dat zij niet in de Herv. Kerk thuis hoort en voor de zielen zoo zeer schadelijk is, nu zich er toe geleend , heeft den modernen de hand toe te steken en hen te helpen in hun actie tegen de voor • genomen schrapping van de bekende woorden in art. 39 Regl. Godsd.onderwijs.
De orthodoxe gemeenteleden van Sneek — althans een groot gedeelte — kunnen maar niet begrijpen hoe menschen, die het in geest en hoofdzaak ee^s zijn met de vragen van. art. 39, die vragen onmogelijk zouden kunnen stellen.
Die het in geest en hoofdzaak er nietva^e eens is, ja, natuurlijk — die moeten zs niet. Maar die het in geest en hoofdzaak er leel i mee eens zijn, ziet, hoe die ktmnen zeggen: ' ^ais ze letterlijk gesteld moeten worden, dan ' moet ik de Kerk uit", dat begrijpen ze in ; Sneek niet. ;
En dat Ds. Wumkes dat accepteert, dat gaat boven veler begrip.
Ds. Wumkes merkte die ontevredenheid ; in Sneek wel. En hij vond het goed en noodig i een Zondagavondbijeenkomst te houden in het „Gebouw voor Christelijke Belangen" om aan zijn geestverwanten zgn houding voor te leggen en die te verdedigen.
Evenwel bleek het, dat velen het nog maar [ niet begrijpen kunnen en het niet kunnen goedkeuren.
't Kan geen kwaad, dat het zoo gaat. De Ethischen, die tegen de voorgenomen schrapping rijn en met de modernen optrekken, kunnen er nog plezier van hebben.
De Gemeenten willen ook een woordje meespreken.
En of de Gemeenten het zuilen kunnen verstaan en zullen kunnen goedkeuren dat verscheidene Ethischen altijd partij kiezen tegen rechts en voor links, ais het gaat om zaken, rakende de belgdenis van den Christus Gods, dat staat nog te berien.
En dan kon 't den Ethischen heeren wel eens niet meevallen als ze zullen narekenen wat voordeel of hun deze wondere actie bereid heeft.
De Gemeenten voelen anders dan die Ethische predikanten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 mei 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's