Uit hét kerkelijk leven.
Van verborgen omgang.VI.
Zoo is er dus in het verborgen leven van Gods kinderen, gelijk het ons in de Schrift wordt geteekend, een gemeenschap ook met den Zoon. Met den Zoon gelijk Hij in het vleesch geopenbaard is, met Immanuel. En die gemeenschap treedt des te meer op den voorgrond, wijl in Hem God vleesch en bloed aanneemt. De Zoon wordt onzer één, ons in alles gelijk uitgenomen de zonde. Daarom spreekt ook van de Christelijke feesten dit het meeste en het klaarste tot ons gemoed, dat ons herinnert aan de vleesch wording des Woords. Het kindeke Jezus in de kribbe van Bethlehem vervult meerderen met blijdschap dan het Pinksterfeest. Niet daarom dat in het Pinksterfeest een heilsfeit herdacht wordt, dat minder beteekenis heeft. Integendeel, het feit van de uitstorting des fleiügen Geestes heeft voor het leven van Gods gemeente geen geringere waarde dan de boodschap, die tot de herders in Bethlehems velden kwam. Zonder Gods Heiligen Geest is er geen roering des levens mogelyk. Maar het kindeke Jezus verscbijnt zooveel klaarder in ons voorstellingsleven, omdat we daarin te doen hebben met een kind, dat de grijze Simeon kon nemen in zijne armen en drukken aan zijn borst. Daarom is Gods ontferming in de verschijning van Zijnen Zoon in het vleesch zoo groot, zoo treffend, wijl het blijkt, dat Hij om ons te bereiken zich zelfs zoo diep tot ons nederbuigt, dat Hij in het vleesch zelf verschijnt, de gestalte van een dienstknecht aannemende, den menschen gelijk wordende. En juist daarom is het dan ook, dat in den verborgen omgang met God de Christus zulk een overheerschende plaats inneemt en zoo veelvuldig op den voorgrond treedt.
Zoo is dan nu de vraag aan de orde, wat dan in die gemeenschap met den Heere Jezus Christus het kenmerkende is, wat het vooral is, dat Gods kind geniet in den omgang en de gemeenschap met Hem, Om die vraag te beantwoorden is het voor alles noodig in het oog te vatten hetgeen God in Hem schonk. Wat de bedoeling is van Jezus' komst, dat toekent ons vooral de apostel Johannes, die ons zulk een diepen blik gegeven heeft in het wezen van den Middelaar. Den eersten en diepsten indruk, dien Jezus op het gemoed van dezen zoo bevoorrechten discipel maakte, omschreef hij in deze weinige woorden: „vol van genade en waarheid." En als hij Jezus stelt in het licht van Mozes, dan getuigt hij, dat de wet door Mozes is gegeven, maar dat genade en waarheid door Jezus Christus is geworden En daarom als de apostel over den verborgen omgang met zijn Persoon spreekt, dan luidt het, dat wij uit Zijne volheid genade voor genade ontvangen.
Zoo ook wordt in den apostolischen zegen, hetgeen ons in den Heere Jezus Christus toekomt aan geestelijke gaven, samengevat in de genade van onzen Heere Jezus Christus, Genade is het groote en heerlijke goed, dat voor den apostel Paulus altijd met Christus verbonden is, zoodat hij zelfs zijne brieven daardoor een onderscheidingsteeken geeft. Als hij den Thessalonicensen de groetenis brengt met zijne hand, dan voegt hij eraan toe: „alzoo schrijf ik. De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met u allen."
Zoo blijkt het dus uit Gods Woord, dat in de gemeenschap met den Heere Jezus vooral de genade de aandacht trekken moet van Gods kinderen. Zij vooral is verschenen in Hem. Gansch het werk der verlossing is een daad van genade. En al wat Gods kinderen kennen aan levensgave is nooit een vrucht van eigen akker, maar altijd gewrocht van genade, die ons toekomt om, in en met Christus. Met Hem worden alle.dingen ons geschonken. Daarom heeft Hij dan ook zulk een machtige bekoring voor Gods kinderen, niet slechts omdat Hij gaven heeft uit te deelen, maar reeds om de waarde van Zijn Persoon. Hij is zelve een daad van genade, in Hem welt alle genade op, uit Hem vloeit alle genade toe, maar uitsluitend omdat Hij zelve eerst genade is. Hij is de verpersoonlijking der genade, de vleeschgeworden genade Gods. Hij zelf is daarom om zichzelfs wille zoo bij uitnemendheid begeerlijk. Uit dat oogpunt is er in Hem een heerlijkheid zoo groot, zoo boeiend, dat wie oogen heeft om te zien zich reeds daarom tot Christus getrokken weet. Zooals niemand waarachtige Godskennis kan hebben, zonder ook de liefde Gods te voelen opwaken, zoo kan ook nooit iemand voor den Persoon des Heeren een oog ontvangen, zonder dat de machtige begeerte opleeft Hem te mogen ontvangen, van Hem te mogen genieten, met Hem te mogen verkeeren om de uitnemendheid Zijner persoonlijkheid zelve.
Vandaar dat de Schrift ons dan ook telkens leert, hoe er een licht der heerlijkheid schittert in Hemzelven en dat niet slechts, omdat Hij waarachtig God is, maar ook omdat Hij onze Middelaar is, die ons vleesch aannam, die waarachtig mensch is. Zoo wordt Hij reeds in het Oude Verbond geteekend als die allen overtreft, die met niemand vergeleken kan worden. De Middelaarsheerlijkheid gaat reeds krachtens Zijn Persoon alles te boven. Hij is schooner dan alle menschenkinderen en dat niet met het oog op Zijne uitwendige verschijning alleen en allereerst, ook al moet Hij als mensch gedragen hebben in Zijne uitwendige verschijning de trekken van de schoonheid Zijner ziel. Zooals Adam, uit de hand des Scheppers voortgekomen, als drager van het onverdonkerd beeld Gods in den staat der rechtheid schoon geweest moet zijn, omdat nog geen zonde de heerlijkheid van zijne ongerepte natuur had bezoedeld, zoo moet ook de mensch Jezus eene schoonheid hebben gedragen als mensch, waardoor Hij als de tweede Adam, als de Heere uit den hemel heeft uitgeblonken. Maar toch niet daarom allereerst was Hij schooner dan allen. Zijne schoonheid blinkt allermeest in de innerlijke majesteit, in de innerlijke waarde van Zijne Persoonlijkheid.Een uitwendig schoon alleen zou niets beteekenen kunnen. Indien de Heere dit slechts gehad had, Hij zou door de wereld niet zijn uitgeworpen. Voor al wat uitwendig blinkt, heeft de wereld wel hart en oog. Daarover gaat haar vleiïng koesterend uit. Voor al wat straalt in uitwendigen glans heeft zij eerbied en lof en zelfs aanbidding over. Zij kent niets hoogers. En daarom dat alles hééft van de wereld niet te vreezen. Er is slechts één ding, dat zij niet kan dragen, slechts ééne zaak, die zij niet duldt en waarvoor zij nooit genade kent. En dat ééne is de adel der ziel. Want juist daardoor voelt zij zich veroordeeld en beschaamd. En daaruit is bet dan ook te verklaren, dat de profeten gesteenigd en gedood zijn. In hen glansde iets van de Christus-heerlijkheid en vanwege dat innerlijke goed konden zij geene genade vinden bij hunne tijdgenooten. En vanwege diezelfde innerlijke heerlijkheid van Christus kon van Hem getuigd, dat de vossen holen hebben en de vogelen des hemels nesten, maar dat de Zoon des menschen niet heeft, waar Hij het hoofd kan nederleggen. Vanwege die innerlijke beerlijkheid was Hij niet geacht, een smaad van menschen, veracht van het volk, werd over Hem geroepen het „kruist Hem" en werd Hij met de misdadigers gerekend. De adel van Christus was een aanklacht dor wereld. Zoo werd Zijne schoonheid zelfs voor haar iets, dat zij niet kon zien en waarvoor haar oog gesloten bleef.Zijne schoonheid is dus bovenal een innerlyk 'schoon.
Zijne goddelijke natuur schuilt weg in de diepste verborgenheid Zijns wezens. Zij kan niet gezien worden met het natuurlijk oog, want zij behoort tot de onzienlijke wereld.Vandaar dat velen, die Hem met het oog des vleesches aanschouwden en Zijne werken bewonderden. Hem toch niet hebben gekend zooals Hij inderdaad was. Als Hij aan Zijne discipelen vraagt: „wie zeggen de menschen dat ik ben? " dan luidt het antwoord: een profeet, Elias of nog iemand anders. Maar als Hij dan aanhoudt en wil weten, wat Zijn discipelen denken, dan belijdt Petrus Hem als den Zoon des levenden Gods. Doch dan verklaart Hij ook tevens, dat dit inzicht van Petrus niet te danken is aan diens wijsheid en verstand, maar uitsluitend aan het licht van dien Geest, die zelfs de diepten Gods doorzoekt. De mensch Jezus heeft uitwendig voor het natuurlijk oog niets, waardoor hij onderscheiden wordt. Zijne goddelgke majesteit en heerlijkheid is verscholen in de windselen Zijner menschelijke natuur, waardoor zij zich laat inbinden in den staat Zijner vernedering. Zij houdt haar kracht terug. Maar er waren omstandigheden in Zijn leven op deze aarde, waarin Hij ze liet uitstralen. Voor de oogen Zijner discipelen werd Hij veranderd van gedaante en Zijn aangezicht blonk gelijk de zon en Zijne kleederen werden wit gelijk het licht. In die ure liet Hij een oogenblik de glorie van Zijn goddelijk wezen uitstralen.De heerlijkheid van Zijn Persoon werd alsdan aanschouwd. Zijne onvergelijkelijke schoonheid bewonderd.
En die innerlijke heerlijkheid is nu niet alleen in Zijn Middelaars wezen besloten als waarachtig God, maar zij zet zich ook door in den adel Zijner menschelijke natuur. Hy had onschuld en heiligheid. Hij is een onbestraflfelijk en onbevlekt Lam. Van Hem kan getuigd: die geene zonde gedaan heeft en in Zijnen mond is geen bedrog gevonden.Hij wordt genoemd: heilig, onnoozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren. Hij kon tot al het volk zeggen: wie van u overtuigt mij van zonde. En als zoodanig gaat door gansch Zijn leven de gouden draad der waarachtige liefde, waardoor Hij Zijne Middelaars-heerlijkheid laat uitstralen als een wonder van ontferming; zoodat Hij in waarheid in Zijne verschijning bewijst, dat Hij vol is van genade en waarheid.
En die genade nu, die in Hem verschenen is, de persoonlijke heerlijkheid van Christus heeft voor het geestelijk leven van Gods kinderen de grootste beteekenis en is voor hun verborgen omgang met God van het grootste gewicht. Allereerst is zulk een Middelaar, die waarachtig God en waarachtig rechtvaardig mensch is, geschikt om het werk der verlossing tot stand te brengen.Als God. en mensch in de eenigheid Zijns Persoons komen hemel en aarde. God en schepsel in Hem samen. De afstand tusschen God en mensch, door de zonde geworden, is door Hem overbrugd. Die verre waren zijn in Hem nabij gekomen. Zulk een Christus is dus de voorwaarde voor alle gemeenschapsoefening. Indien Hij niet gegeven was, geen zondaar zou tot God kunnen komen. Zonder Hem zou der menschheid niet anders blijven dan omkomen in den nacht harer zonde.Zij zou wel smachten naar levensgemeenschap, zij zou wel worstelen met alle kracht om zich op te richten uit haar diepen val, maar het zou haar steeds vergaan als nog elk zondaar, die zich vleugelen aanbindt om door eigen kracht zich op te heflfen tot de vrijheid en de heerlijkheid van Gods kinderen en die steeds moet ervaren, dat het met eigen kracht ras verloren is en dus nog dieper wegzinkt in het bewustzijn zijner verlorenheid.
Indien God de Heere ons niet zulk een Middelaar beschikt had, waarin Hij zelf was tot ons gekomen, de menschheid zou eeuwig zijn afgesneden van gemeenschap met Hem.Maar nu is Hij in staat de zonde weg te nemen en haar straf, doordat Hij met de oneindige kracht Zijner Godheid verschijnt in het vleesch, dragende onse natuur. Met betrekking tot de hoogste Majesteit Gods is de zonde van het schepsel oneindige zonde, maar daarom-is ook Gods toorn met betrekking tot den mensch der zonde een oneindige toorn. En die beide, de oneindige zonde en de oneindige toorn, zij treffen saam in Hem, die geene zonde kende, maar tot zonde wordt gemaakt en alzoo draagt Gods eeuwigen toorn.En dat dit kan geschieden, wij danken het aan het ééne feit, dat in de eenigheid des Persoons van den Middelaar God en mensch te zamen komen. Daarom wordt dan ook, als er van den Persoon des Middelaars sprake is, nu eens van Hem als God, dan weer als mensch gesproken. Door deze vereeniging van beide naturen in de eenheid Zijns Persoons is het groote werk' der verlossing mogelijk en erlangt; het die oneindige waarde, die noodig is om de sonde des volks te verzoenen. Een Middelaarsgenade is in de heerlijkheid Zijns wezens ons geschonken. De uitoefening van het Middelaarsambt komt tot stand door den Persoon des Heeren, die als waarachtig God en waarachtig mensch door Zijne ééne offerande tot in eeuwigheid volmaken kan al degenen, die geheiligd worden.
Maar het is niet slechts de gepastheid van den Middelaar, die Hem stelt als vol van genade en waarheid, krachtens de personeele unie der Goddelijke en der menschelijke natuur, maar daarbij sluit zich nu ook aan de rijkdom der genade, waarover Hij beschikt.Zonder Zijne God-menschelijke Middelaarsheerlijkheid zou het niet mogelijk zijn, dat Hij droeg een volheid van genade om mede te deelen aan Zijn volk. Die volheid van genadegaven heeft Hij van den Vader ontvangen door de zalving met den Geest. Het was des Vaders welbehagen, dat in Hem al de volheid wonen zou, zoodat Hij den Geest heeft ontvangen niet met mate en alzoo in staat is aan Zijne kinderen te geven uit deze volheid genade voor genade. Daarom is er dan ook in den Middelaar eene onuitputtelijke bron, een altijd vloeiende fontein tot lessching der zieledorst van Gods kinderen.Zijne volheid kan niet worden opgeteerd.Had Hij de geestelijke gaven, zooals elk van Gods kinderen, met eene mate ontvangen, dan zou het brood uit den hemel spoedig zijn opgeteerd; dan zou Hij ook niet in staat zijn aan alle volken en aan alle tijden te geven wat zij behoeven. Hij zou onze nooddruft niet kunnen vervullen tot heerlijkheid.Maar krachtens de waardigheid Zijns Persoons en de eenige heerlijkheid van Zijn Wezen heeft de Heere Jezus Christus een volheid van gaven der genade, die oneindig is, zoodat al Gods kinderen altijd weder tot Hem kunnen komen, opdat zij drinken uit de immervloeiende steenrots van Christus. En daarom is dan ook de Heere Jezus zoo dierbaar aan Zijne arme kinderen. Uit de heerlijkheid Zijner levensvolheid komt hun ook toe de teederheid, waarmede zij Hem beminnen. Nooit is er een zondaar, door wiens ziel de behoefte schrijnt aan de geestelijke goederen, die in Gods verborgen omgang worden genoten, of de Christus zelve kan die nooddruft voorzien. Hij is de kracht Gods en de wijsheid Gods, de gerechtigheid en de zaligheid Gods voor al Zijn kinderen.
Als de zondaar moegeworsteld en moegestreden neerzinkt in zijne onmacht met de belijdenis van zijne onbekwaamheid tot het koninkrijk Gods, dan kan zijne toevlucht zijn tot Hem, die machtig is om te verlossen en voor wien het niet te wonderlijk is, dat een zondaarsziel leven zal. En wederom, als hij in zijne donkerheid en verduistering des verstands als een blinde moet tasten naar den weg en nergens uitkomst speurt, dan mag hij uitgaan tot Hem, in Wien ons gegeven is verlichting der kennis Gods en die, ook al is het kruis voor het natuurlijk verstand eene dwaasheid, toch als wijsheid Gods mag worden ingeroepen, omdat Hij de weg, de waarheid en het 'leven is. En als de zonde haar gewicht doet wegen op de zondaarsziel, als zij in ons het diep gevoel verwekt van door haar van God gescheiden en vervreemd te zijn, dan is het Christus in Zijne gerechtigheid, die het fundament is, waarop de zondaarsziel kan worden gelegd om rust en steun te vinden, om een plaats te ontvangen voor het hol van den voet, vanwaar door de nevelen der zonde heen geschouwd mag op de volkomenheid door het geloof: „Wij zijn, " zegt de apostel, „in Hem volmaakt die het Hoofd is van alle overheid en macht." En daarom is er dan ook in de gemeenschap met dien Christus een zien op de zaligheid Gods, die wordt ingewacht met een hope, die niet beschamen kan.
Gods kinderen weten dan ook maar al te dikwijls niet den rijkdom der heerlijkheid, die in Hem verborgen is. Zij gaan voorbij aan de - schatten van genade om uitsluitend stil te blijven staan bij de armoede, waarin zij verkeeren. Zij zien op hunne krankheden, maar gaan voorbij aan het het middel des heils. Én zij verstaan het niet, dat in dien éénen Christus reeds krachtens de heerlijkheid van Zijn wezen een bron is van licht in hunne donkerheid, van leven in hun dood, van blijdschap in hunne droefenis, van kracht in hunne zwakheid. Zij gaan voorbij maar al te dikwijls aan de volkomen gepastheid, aan het vermogen en aan de volheid der genade van Hem, die ons gegeven is tot volkomen verlossing. Voor den verborgen omgang hunner zielen genieten zij maar al te weinig van hetgeen in Hem geschonken is, omdat niet wordt verstaan, dat onze gerechtigheid en onze zaligheid niet moet worden gezocht in, maar buiten onszelven, in Christus Jezus, Het wordt vergeten, dat het licht Gods in Hem is opgegaan, dat Hij alleen is de Zonne der gerechtigheid en dat Zijne kinderen Zijn licht oyer den akker hunner zielen moeten ontvangen. En om dat licht te zien, moet niet het oog gericht worden naar beneden, maar naar boven, naar den hemel, waar Hij is als het Hoofd van alle overheid en macht en van waaruit Hij, naar Zijne belofte, onze nooddruft tot heerlijkheid vervullen zal. Zien op Jezus, dat is de boodschap, die uit den hemel tot ons komt, zien op Hem altijd weder, altijd opnieuw, om van uit de donkerheid onzer zonden ons te verblijden in Zijn licht. Daarin is geen naarheid maar wel die klaarheid, die Gods kinderen den levensstaf doet aangrijpen om voort te schrijden naar de stad, waarheen de stammen des Heeren opgaan om Zijnen Naam te danken.
De modernen veroordeeld.
Dr. Bronsveld, die eerst vóór de schrapping van de woorden „geest en hoofdzaak" (in art. 39 Regl. Godsd.onderwijs) was, is in dit opzicht veranderd. Hij is nu sterk tegen de schrapping.
Ook zelfs groote mannen kunnen falen en in meening veranderen!
Terwijl Dr. Bronsveld van deze omkeering rekenschap en verklaring geeft in de Kroniek van Stemmen voor Waarheid en Vrede, April 1915, laat hij tegelijk voelen dat hij 't vreeselijk vindt dat in onze Ned. Herv. Kerk de moderne leer wordt beleden en verkondigd door velen.
Hij zegt o.a.:
))De toestand waarin onze Kerk verkeert, is inderdaad zeer onbevredigend. Dat in dezelfde Kerk, in dezelfde Gemeente, van denzelfden kansel op het aanstaand Paaschfeest de opstanding van Christus uit het graf zal gepredikt en geloochend worden, is zeker in strijd met het karakter van een Christelijke Kerk. Het is een abnormaliteit, ja iets zeer stuitends, dat de gemeente in haar bedehuis moet hooren verkondigen: Christus is mei opgestaan.
En niet alleen wordt door vele predikanten dit centrale feit geloochend, maar tot welk een minimum is door velen het Xlltal van artikelen herleid van het algemeen christelijk geloof.
Hoe laag wordt Hij gesteld, voor wien de gemeente knielt als haar Heer, wien God een naam heeft gegeven boven allen naam.
Ik meen te mogen zeggen, dat slechts zeer weinigen volkomen vrede hebben met dit tweedrachtig gezelschap in één Kerkverband.
Daar komt bij, dat de Ned. Herv. Kerk nooit haar belijdenis heeft afgeschaft en de absolute leervrijheid gewettigd. Nog altijd behoort handhaving harer leer tot de verplichtingen van de Kerkelijke Besturen".
Toch wil Dr. Bronsveld de schrapping van de woorden „geest en hoofdzaak" niet — en wel om déze oorzaak:
»het doordrijven van het voorstel der Synode, het doortrekken van de lijn, nu aangeduid, moet leiden tot een uiteengaan van onze Kerk"-
Dr, Bronsveld zegt dus eerst, dat nu bij elkaar woont, wat niet bij elkaar hoort. Hij vindt dat vreeselijk. Ook zegt hij, dat slechts zéér weinigen ingenomen zullen zijn met dit tweedrachtig gezelschap in éen Kerkverbanden toch is Dr. Bronsveld er tegen om de lijn door te trekken dat dit tweedrachtig gezelschap uit elkaar zal gaan!
Wil Dr. Bronsveld de vrijzinnigen dan maar houden in de Herv. Kerk?
Neen!
Hij wil ze er niet uitzetten door een of andere bepaling in de Reglementen — die overigens spreken van handhaving van de leer en absolute leervrijheid veroordeelen.
Maar hij wil wel zeggen, dat tiet voor hem onbegrijpelijk is hoe ze er in durven blijven! Want hij zegt:
))Laat ons het den vrijzinnigen niet verborgen houden, dat wij 't ons niet begrijpen kunnen, dat zij begeeren predikant in onze Kerk te blijven, maar zij moeten dat voor God en hun geweten verantwoorden".
Dat is eigenlijk nog scherper oordeel, dan dat men in reglementairen weg duidelijk maakt dat ze er niet thuis hooren.
Alleen Dr. Bronsveld wil het nu aan de modernen zelf verder overlaten — en wij zeggen, dat de Kerk, wanneer zij er zóo diep van overtuigd is, dat het verkeerd gaat in haar midden, met lastering van het hoogste en het heiligste — de Kerk zelve ook zóo verstandig en zóo flink moet zijn, om handelend op te treden.
Wij dwepen niet met ouders, die wel lief en ernstig aan hun kinderen weten te zeggen, dat ze dit en dat niet mogen doen en intusschen nooit verhinderend en straffend optreden.
Dat kweekt een geslacht, dat ongebonden en roekeloos zich overgeeft aan alles; alles durft en bij alles brutaalrondkijkt, alsof men de meest gewone en alleszins behoorlijke dingen doet.
Intusschen zijn de modernen door Dr. Bronsveld weer eens veroordeeld, waar zij een onbegrijpelijke, scheve positie innemen in onze Herv. Kerk en er niet aan denken, dat dit onbehoorlijk is.
Wel slapper — maar ook beter?
Strenge bepalingen inzake leer en leven zijn er in onze Herv. Kerk niet. Predikanten en gemeenteleden kunnen bij alles eigenlijk doen wat ze willen. Socialist, anarchist, Buddhist kunnen gerust hun gang gaan. Alles is geoorloofd en ieder is welkom. Toch is 't maar 't kleinste gedeelte van ons volk dat we in onze Herv. Kerk hebben overgehouden.
Reken maar na: de bevolking van het Rijk was in 19i0 — 5.858.175 en het aantal Hervormden bedroeg 2.588.261. Naar berekening dus 44 van de 100 menschen. Dat valt niet mee.
Maar daarbij is méér nog op te merken.
In 1910 gaven 290.000 menschen op tot geen Kerkgenootschap te behooren.
Waarvan wel zoo ongeveer allen van huis uit „Hervormd" zullen zijn geweest. Die zijn we kwijt geraakt.
Die hebben de slappe practijken niet bi] de Kerk kunnen houden.
Ze hebben afscheid genomen van de Kerk- en daarin zeter voor 't grootste gedeelte van allen godsdienst.
En wat ons óók opvalt is dit, dat we in den loop der jaren 560.000 menschen kwijt geraakt zijn, die nu in de Geref. Kerken en in de Chr. Geref. Kerk thuis hooren.
Dat hebben onze slappe practijken in de Kerk gedaan. Omdat het zoo treurig gesteld is met de prediking, de sacramentsbediening, de „aanneming en bevestiging, " de tucht enz enz.
Men wil van „Volkskerk" spreken. Maar hooren die 560.000 menschen die nu in de Geref. Kerken e. a. leven niet tot ons volk?
Of zijn ze minderwaardig ten opzichte van God en godsdienst, van kerk en sacrament?
Hebben de slappe practijken voordeel gebracht aan de Herv. Kerk?
En wanneer ze blijven, zullen er dan weldra niet duizenden bij duizenden óók voor onze Herv. Kerk verloren gaan die er nu nog toe behooren ?
Wanneer er geen orde en regel komt in onze Herv. Kerk, gaat zij gewis ten gronde.
't Is zóó duidelijk dat een blinde het kan opmerken.
Zal men nog bijtijds maatregelen ten goede treffen?
Toeh doorzetten — maar mislukt
De belijdenis-vragen moesten weg. Of in elk geval, moest ieder predikant vrijheid krijgen om de vragen te kunnen stellen zooals hij 't wilde.
Als er dan maar een gepaste aanspraak bij de z.g.n. bevestiging gehouden werd, dan was 't al mooi.
Vrijheid, blijheid! Dit is allang het ideaal van de modernen geweest.
Want hebben de professoren Meyboom en Oort in 1914 aan de Synode verzocht eenvoudig de belijdenisvragen af te schaffen en heel de bevestiging van nieuwe lidmaten met een plechtige toespraak te laten afloopen — dit idee is vroeger ook reeds meer dan eenmaal ter tafel gebracht.
We denken aan het jaar 1878.
Toen kwam de heer Alingh Prins, predt.te Korte Zwaag, met een voorstel om de 3 belijdenisvragen te versmelten tot éene korte verklaring. Hij stelde voor, dat in 't vervolg slechts gevraagd zou worden: „belooft gij tot den bloei van het Godsrqk in het algemeen en van de Nederl. Herv. Kerk in het bijzonder met opvolging van hare verordeningen naar uw vermogen volijverig mede te werken". In art. 39 R. Godsd. O. moest dan worden bepaald: „ De voorstelling van lidmaten heeft plaats in eene daarvoor bepaalde Goded.oefening onder ernstige en hartelijke toespraak".
Zoo zou er dus geen sprake meer zijn van belijdenis-doen. Want alles wat maareenigszins met eene belijdenis des 'gelooft verband hield was weggeschrapt.
Maar dat was ook juist de bedoeling.
Want Ds. Alingh Prins zei o a.: „waar het zooveel moeite kost om voor de eerste vraag in art. 39 eene algemeen bevredigende formule te vinden, schijnt het mij beter toe de vragen bij de bevestiging te doen vervallen. Ik acht het voldoende, dat de aannemelingen eene verklaring afleggen, als door mij opgesteld; waarbij ik meen dat tot aanbeveling strekt, dat genoemde vraag geen leerstellig karakter heeft en derhalve geene aanleiding geeft tot twist." Verder stelde hij voor „de nieuwe lidmaten aan de Gemeente voor te stellen met de mededeeling der namen, wat gepaard moest gaan met eene ernstige en hartelijke toespraak, waarbij de plegtigheid niet minder indrukwekkend zou wezen."
Enkele leden der Synode vielen Ds. Prins bij.
Maar anderen brachten m het midden „dat het niet aanging om zoodoende de openlijke bevestiging af te schafifen, met voorbijzien dat de gemeente recht heeft om van de toegetreden aannemelingen de verklaring omtrent hunne geloofsovertuiging en gezindheid te vernemen." Het wordt ook opgemerkt, dat de voorsteller — die beweerd had, dat de openlijke bevestiging van lidmaten vóór 1816 niet geschiedde — bij zijn beroep op vroegeren tijd eene gansch andere aanneming wil als toen plaats vond, daar zij voorheen enkel eene aflegging der geloofsbelijdenis was naar de vragen van den Heidelbergschen Catechismus.
Men meent ook, dat eene „voorstelling" aan de gemeente, zooals Ds. Alingh Prins wilde, iets nieuws in onze Kerk zou zijn en geen bijval bij de gemeenten vinden en ook aan het karakter van toetreding tekortdoen, dat in overeenstemming moet zijn met hetgeen de Heere verlangde, immers, dat men Hem voor de menschen zou belijden.
Bij de stemming verklaarden zich 4 stemmen vóór het vooistel — en 15 stemmen tégen.
En dus was deze forsche zet van Ds, Prins mislukt.
In 1875 wilde de Kerk geen facultatiefstellen van de belijdenisvragen. In 1878 wilde de Synode geen afschaffing van de belijdenisvragen.
Maar... de brutale heeft de halve wereld. Men zou het nu anders doen.
Luister maar!
Lang gewacht - toch verkregen!
Door de Synode van 1877 was een nieuw stel belijdenisvragen (de vragen van Douwes) voorgesteld, die evenwel door de Kerk niet werden begeerd.
De Kerk — in meerderheid — wilde niet dat de belijdenisvragen zouden worden afgeschaft. Zij wilde niet, dat de belijdenisvragen facultatief zouden worden gesteld. Zij wilde niet, dat de belijdenisvragen zouden worden veranderd.
In de 28ste zitting van de Synode van het jaar 1878 (17 Augustus) brengt de Commissie van rapport verslag uit over de ontvangst van de voorloopig aangenomen nieuwe redactie van art. 39 Regl. Godsd. Onderwijs (de nieuwe belijdenis-vragen van Douwes), maar moet dan zeggen: „allen komen echter hierin overeen, dat de ongunstige consideratiën van het meerendeel der Provinciale Kerkbesturen en Classicale Vergaderingen eene overwegende reden is om haar niet vast te stellen; " weshalve daartoe dan ook overeenkomstig het advies der Commissie met algemeene stemmen besloten werd. (blz. 388 Handel. Syn. 1878)
De nieuwe belijdenis-vragen Douwes zijn dus van de baan; en de bestaande vragen van art. 39 bleven.
Maar dat is nu toch wel te veel voor een Synode, in meerderheid modern.
En ja de Kerk wil het wel niet, In 1875 was het gebleken. Maar de moderne meerderheid van de Commissie waagt het. De vragen in art. 39 moeten blijven. Die te veranderen gaat niet; dat voelt men. Facultatief stellen van de vragen, door ze over te brengen naar art. 22 Regl. Kerkeraden gaat ook niet; dat voelt men. De Kerk wil het niet. Maar wie waagt, die wint. En de Commissie doet nu het voorstel om in art. 39 te gaan lezen: „deze of soortgelijke met het Christelijk Hervormd karakter oneer Kerk overeenkomende vragen" (zie blz. 220 Handel. Syn. 1878)
Dus, zoo iets als „geest en hoofdzaak"! De orthodoxe leden van de Synode waren er tegen.
Vooral Ds. K. F. Creutzberg van Arnhem schijnt warm gesproken te hebben, aantoonende, dat men op deze. wijze den band aan de belijdenis der Kerk ging doorsnijden en vrijheid zou gaan geven aan alle wind van leer.
Met kracht werd geargumenteerd, dat een dergelijke invoeging door de Kerk niet begeerd werd, gelijk zoovele Prov. Kerkbesturen en Classicale Vergaderingen zich in zake de belijdenis-kwestie hadden uitgesproken.
Maar de moderne heeren — Hofstede de Groot Jr. c.s. — zeiden: 't zal wel wennen, 't Zal misschien wat onrust geven in 't begin, maar die storm zal wel bedaren. En trouwens — zoo spraken de moderne heeren — de leden van de Synode moeten zich niet laten intimideeren door de stemmen die hier en daar opgaan; de leden van de Synode moeten daar boven verheven zijn; de leden van de Synode moeten slechts vragen, wat hun geweten hun zegt dat recht is! Ze moeten doen, wat zij meenen dat hun plicht is! (Zie o.a. Handel. Syn. 1879 blz. 257).
En 't slot was, dat die woorden — waardoor ieder predikant het recht zou krijgen om zelf vragen te maken — werden ingevoegd, dewijl 11 leden zich vóór en 8 leden zich tegen de invoeging verklaarden.
Voor stemden: de heeren professoren Lasonder en Hofstede de Groot Jr., de secretaris der Synode S. F. van Hasselt, benevens de heeren Reitsma predt. te Groningen, Bruna predt. te Hasselt, Linckens oud-ouderl. te Kampen, Hofstede de Groot Sr. oud-ouderl. te Groningen, van Lakerveld predt. te Helmond, Kaub oud-ouderl. te 's Hertogenbosch, Heerspink predt. te Gieten, Luti Waalsch predt. te Middelburg, van Hoorn predt. te Hoorn, van Duyl predt. te Broek in Waterland en Alingh Prins predt. te Korte Zwaag.
Tegen stemden: de heeren Trip van Zoudtlandt, predt. te Hattem, Creutzberg, predt. te Arnhem, van den Brandeler ouderl. te 's Gravenhage, Janssen predt te St. Anna ter Muiden, Verhoeff predt. te Utrecht, Roodhuyzen ouderl. te Veenendaal, Pleyte oudouderling te Leeuwarden, en de President Ds.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 mei 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's