Uit de Pers.
In „de Heraut" van Zondag 16, Mei j.l. lezen we aangaande het Utrechtsche adres:
Van geheel anderen aard is het voorstel, dat thans, bijna ter elfder ure, door de professoren in de Theologie te Utrecht, - zoowel de staats-als de kerkelijke professoren - is ingediend n.l. dat de Synode maatregelen zal beramen om tot een modus vivendi te komen, waarbij de uiterlijke eenheid der Kerk zou bewaard blijven, maar elke groep in de Kerk zich zelfstandig zou kunnen organiseeren. Nieuw is deze gedachte niet. Ze werd reeds vroeger door Dr. A.Kuyper bepleit en vond toen bij een deel der modernen wel instemming, maar zonder dat dit plan toen bij de Synode in behandeling kwam. En wel is dit plan, toen de kerkelijke strijd te Amsterdam in 1886 ontbrandde, weer ter sprake gebracht door Dr. Hoedemaker, die daarin een middel van pacificatie zocht, maar de Synode wilde er geen goedkeuring aan hechten. Of het ditmaal beter zal gelukken? Ideaal is zoo'n modus vivendi niet en aan de uitvoering zijn zeker gewichtige practische en principieele bezwaren verbonden, die niet licht te overwinnen zullen zijn. Indien de eenheid der Kerk alleen financieel-administratief bedoeld wordt, zoodat elke groep niet alleen plaatselijk, maar ook wat de saamkomst in meerdere vergaderingen betreft, zich geheel zelfstandig kan organiseeren, is er in dit plan zeker wel iets, wat ons toelacht en zou het tot een zuivering der verhoudingen kunnen leiden. Feitelijk zou men dan naast elkaar krijgen een Gereformeerde, een Ethische en een Moderne groep van kerken, die elk 'in eigen kring volkomen autonoom zouden zijn, en die alleen voor de financieele belangen der Kerk een gemeenschappelijk college zouden hebben. Is de bedoeling daarentegen, dat elke groep zich wel plaatselijk zelfstandig zou mogen organiseeren, maar dat het kerkverband zou gehandhaafd blijven tusschen deze verschillende groepen en men dus gemeenschappelijk zou afvaardigen naar één, heel de Kerk besturende, Synode, dan zou de strijd nog veel heviger ontbranden en principieel hiertegen ook de meest ernstige bedenking bestaan. Intusschen dient afgewacht, hoe dit plan in de Hervormde Kerk zal ontvangen worden en vooral, op welke wijze men zich de uitwerking van dezen modus vivendi voorstelt.
We lezen in „de Standaard" van Dinsdag 18 Mei j.l. in betrekking tot het Utrechtsche adres aan de Synode het volgende:
Een Bondgenootschap.
Gelijk onder ons kerknieuws is medegedeeld, is door de gezamenlijke theologische hoogleeraren te Utrecht, except alleen Prot. Noordtzij, een bede tot de Synode der Hervormde Kerk gericht, om den gerezen strijd over «geest en hoofdzaak* door een puur administratieve alliantie te beslechten.
Het denkbeeld is niet nieuw. Het houdt in, dat het kerkelijk gekef en getjank, nu reeds driekwart eeuw, toch feitelijk alleen loopt over het zeer materieele geding, wie recht op de kerkgebouwen zal hebben, en wie de tractementen, pensioenen en donatiën zal ontvangen.
Zoo stond de quaestie reeds in 1870, toen Dr. Kuyper, als predikant der Herv. Kerk, naar Amsterdam kwam, en door hem het geding herhaaldelijk met de moderne predikanten Hugenholtz, van Gorkum, Modderman enz., besproken werd.
Reeds toen werd er, ter afkoeling van den hevigen strijd, die aanstonds in den Kerkeraad rees, op aangedrongen, dat men toch geestelijk een ieder vrij zou laten, en den band die alsnog saambond, van het genootschappelijk karakter dat vooralsnog bestond, zou ontdoen, om er een nieuw en dat wel vennootschappelijk karakter voor in de plaats te stellen.
Niet natuurlijk om 't daarbij te laten blijven. Maar was eenmaal het genootschap in een vennootschap omgezet, dan loste het geding zich op in een rekensom, waarbij alle geestelijke animositeit vanzelf kon uitblijven.
En dan, natuurlijk, was 't slechts een quaestie van korte jaren. Zoodra men toch met zijn rekensom gereed was, kon men tot afdoening en ontbinding van zaken overgaan. Het vennootschap zou dan eenvoudig ontbonden worden.
Het lacht ons wel toe, dat deze proeve tot oplossing van het geding, die door onzen hoofdredacteur reeds in 1870 aan de orde is gesteld, thans de sympathie mocht verwerven van de zeer geschakeerde Faculteit niet alleen, maar zelfs van de hoogleeraren die de Synode aanstelde. Dit toont, dat er overtuiging in de idee is.
Zij men nu alleen wel op zijn hoede, om geen vergissingen te begaan.
Zelfs de doopregisters moeten, gaat 't plan door, geheel uit elkaar worden genomen.
En noch doop-noch lidmaten registers moeten dan saamloopen voor meer dan êén kring heel 't land over.
Stel nu, dat deze omzetting van het genootschap in een pure vennootschap tien jaren neemt; dat alsdan voor de groote rekensom nogmaals tien jaren noodig zijn; en dat daarna alle Gereformeerden zich weer onder één Synodaal verband terugvinden, dan zou na een kwart-eeuw de radicale en eenig juiste oplossing van het kerkelijk vraagstuk gevonden zijn.
Mits we nu maar niet weer fouten begaan, die later voor geen correctie vatbaar blijken.
In „de Rotterdammer" (antirev. dagblad) van Donderdag 20 Mei 1915 lazen we het niet onaardige stukje dat hier volgt. Gevoegelijk bad de redactie er boven kunnen zetten: de aap komt uit de mouw. Want zoo iets is 't. 't Stukske luidt:
Het eigenlijk motief.
Als politiek orgaan hebben wij ons gehouden buiten den strijd, die thans in de Nederlandsche Hervormde Kerk wordt gevoerd over de bekende geesten hoofdzaakformule. Wij meenden, dat het hier een zuivere kerkelijke kwestie betrof, voor den Staat slechts in zooverre van belang, als een gezond kerkelijk leven in 't algemeen ook een staatsbelang is. Wat als gezond of niet gezond is te beschouwen, moet op kerkelijk gebied zelf worden uitgemaakt en ligt buiten de politieke sfeer.
Anders denkt daarover blijkbaar een inzender in de Nieutve Courant, voor wie het verband met de politiek in dezen strijd de hoofdzaak is. Hij schrijft onder meer als volgt:
De strijd, dien de Ned. Herv. Kerk thans doormaakt, is van bijzondere beteekènis voor alle vrijzinnigen die tot haar behooren, maar ook voor de vrijzinnig-godsdienstigen in het algemeen. Wanneer het aan de orthodoxie in die Kerk gelukken mocht de bestaande reglementen zoodanig te wijzigen, dat nieuwe leden der gemeente met de oude belijdenis-voorschriften hun instemming moeten betuigen, alvorens te worden bevestigd, inplaats van te kunnen volstaan met een instemming »in geest en hoofdzaak», zooals de laatste vijf en dertig jaren het geval was - zullen veel vrijzinnigen zich niet meer in die Kerk tehuis kunnen voelen en zal de toevloed van jongeren aanmerkelijk worden beperkt, zoo niet geheel eindigen. Het leven en werken voor vrijzinnige predikanten wordt onmogelijk gemaakt. Velen zullen zich aansluiten bij de vrijzinnige kleinere kerkgenootschappen, maar aangezien deze zoogoed als geen invloed oefenen op de groote massa van het Protestantsche volksdeel, zal waarschijnlijk de vrijzinnigheid in het algemeen groote schade lijden en de macht van de orthodoxie en met haar de macht van het politieke christendom aanmerkelijk worden vergroot. Daarom moet deze strijd allen ter harte gaan die ons volk willen vrijwaren voor bekrompen christelijkheid en leerstellig geloofsleven.
Prachtige beschouwing over een zóó het hart van het godsdienstig leven rakende zaak als de belijdenis-kwestie. Ziet ge, de vrijzinnige predikanten zouden zich wel kunnen aansluiten bij de kleinere vrijzinnige kerkgenootschappen, maar daar komt de middenstof niet en kunnen ze dus daarop geen invloed uitoefenen om ze te winnen voor de vrijzinnige politiek.
Verheven motieven!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 mei 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's