Uit het kerkelijk leven.
Van verborgen omgang.
IX.
Zoo is er dus in de heerlijkheid van den Persoon des Middelaars en in de uitnemende teederheid Zijner liefde een machtige bekoring voor Gods kind. Hij wordt er door bewogen Zijn verborgen omgang te zoeken. En de Heilige Schrift teekent ons dit alles door de meest sprekende beelden, opdat de begeerte zal worden gewekt en Hij zal worden gezocht, die van den Vader heeft ontvangen het leven te hebben in Zichzelven. En wij wezen er op, hoe de dienst des Woords tot taak heeft Hem in het licht te stellen, opdat daardoor Gods gemeente zal worden gebouwd. Zijne glorie mag niet verdonkerd. Immers, gelijk Mozes in de woestijn de slang verhoogd heeft, alzoo moet ook de Zoon des menschen verhoogd worden, opdat op Hem zal worden gezien door het geloof. Die verhooging geschiedt door de prediking des Woords, die als de staak is, waaraain de Christus voor de oogen der schare wordt vertoond om Zijne deugden tot verlossing der zondaren.
Dit geeft ons aanleiding nogmaals stil te staan bij den Persoon des Heeren, opdat het ons klaar zal wezen, dat aan gemeenschap met Hem alles gelegen is voor de zondaarsziel.
De Heere Jezus heeft ons zelf gepredikt, dat het eeuwige leven daarin ligt, dat wij God, kennen en Jezus Christus, dien Hij gezonden heeft. Het is niet toevallig, dat Hij op de kennis Gods zooveel nadruk legt. In dat opzicht is er ook een groot verschil op te merken tusschen het Woord des Heeren en het woord van sommige menschen, die zich om Hem zeggen te scharen. Vooral in onzen tijd zijn er talloos velen, die de kennis gering achten, die zulk eene prediking de beste prijzen, die hun de allerminste kennis aanbrengt. Zij vragen er niet naar of hun een blik wordt gegund in de diepte van Gods Woord, of zij ontvangen van het brood, dat uit den hemel is. Er zijn er zelfs, die meenen, dat een prediker, die zich met ernst voorbereidt op zijn predikdienst, die naarstig Gods Woord van te voren onderzoekt, veel minder beteekent en in geen vergelijk komt met hem, die dit alles naliet, er maar gaat staan en week aan week dezelfde vrome woorden uitstalt, zonder dat hij van eenige voorbereiding blijk geeft. Men acht dit een preeken „uit den Geest". De andere zou het maar uit het verstand doen. En het wordt niet bedacht, dat in zulk een oordeel een verachten van het werk van Gods Heiligen Geest wordt aanschouwd. Er is een bedroeven des Geestes in zulke oppervlakkigheid. En de gemeenten, die zulk een dienst des Woords genieten, worden dan ook langzaam maar zeker afgeleid van het fundament der waarheid. Zij glijden af van den weg Gods en komen tot allerlei dwaalleer, tot allerlei ziekelijkheid, tot allerlei vreemde, hoewel in de geschiedenis der Kerk geen onbekende, verderfelijke neigingen, waardoor het gezonde gemeenteleven wordt gesloopt. Straffeloos kan Gods Woord niet worden geminacht. Dat Woord toch is zelf vrucht van de werking des Geestes, het is gegeven als een licht op ons pad en als een lamp voor den voet. En de Heere Jezus heeft zelf opgeroepen om de Schriften te onderzoeken, die van Hem getuigen. En de prediker, die niet arbeidt voor zijne gemeente en die Gods Woord niet naarstig onderzoekt en aan zijne gemeente inplaats van de spijze des Woords, week aan week zijn eigen vrome woorden voorzet, is een man, die zijn plicht op schromelijke wijze verzaakt en een herder, die wel zichzelven, maar niet de schapen weidt. En de man, die dit geestelijk prijst, verstaat niet, dat er ook een vleeschelijke vroomheid is, die de gezonde leer niet verdragen kan.
Gods Woord leert ons, dat de Heere Jezus ook gegeven is tot wijsheid en dat Gods kinderen zullen opwassen in de kennis en in de genade van onzen Heere Jezus Christus. Eigenlijk heeft de zondaar alleen maar noodig voor het kindschap Gods ware Godskennis deelachtig te worden. Als God een zondaar redt, dan geeft Hij hem verlichting zijner kennis in het aangezicht van Christus Jezus. Wat Adam in het paradijs verloor, dat is juist zijne Godskennis. Omdat hij die derft, doolt de mensch in duisternis des harten rond. En tegenover dat in den val ons treffend gemis is nu ook in den Heere Jezus Christus ons weder Godskennis geworden. In Hem verschijnt de Godskennis, in Hem wordt zij geopenbaard. Alle schatten der wijsheid en der kennis zijn in Hem gegeven. En als een zondaar wordt vrijgemaakt van de banden der zonde en des doods, verlost wordt van de slavenboeien der ongerechtigheid, dan leert hij als het groote levensdoel kennen zich wijsheid te vergaderen, die der volmaakten is. En deze is in Christus, die niet alleen de kracht, maar ook de wijsheid Gods is.
Ook dat hangt saam met Zijne goddelijke natuur. Als de eeuwige Zoon, als het eeuwige Woord, waarvan de apostel Johannes spreekt in het begin Zijns Evangelies, is Hij ook het uitgedrukte beeld der wijsheid Gods. En als het vleeschgeworden Woord, als. de gekruisigde is Hij de openbaring dier wijsheid aan ons tot redding van zondaren. Daarom zegt de apostel Paulus, niet slechts dat Hij wijsheid geworden is, maar dat Hij ons geworden is wijsheid van God. En dat niet alleen omdat Hij als onze hoogste Profeet en Leeraar predikte en dus wijsheid verkondigde, maar ook omdat wij door Hem te kennen en met Hem in levenscontact te treden, met Gods wijsheid gemeenschap verkrijgen. In den verborgen omgang met onzen Heere Jezus Christus komt ons door de gemeenschap met Zijn Persoon reeds wijsheid toe. Feitelijk komt in dezen alles neer op de gemeenschap met Hemzelven en wordt daarmede ons een deel in Zijne gaven geschonken. Op Hemzelven moet in den verborgen omgang de nadruk worden gelegd, op een omgang met den verheerlijkten Middelaar persoonlijk. Ook daarin treedt maar al te dikwijls een verwording van ons geestelijk leven op, daar het geene zeldzaamheid is, dat er onder Gods kinderen meer begeerte schijnt te wezen naar Zijne gaven dan naar Hemzelven. Inderdaad kan er, zonder dat wij met Hemzelven gemeenschap hebben, van een genieten Zijner gaven geen sprake zijn. In dat opzicht is er ongetwijfeld soms een zelfmisleiding, die op teleurstelling uitloopen moet. De apostel had als hoogste begeerte, dat hij Hem kennen mocht en daarna ook de kracht Zijner opstanding. Maar eerst Hemzelven, omdat met en in Hem ons alles geschonken is. Zonder Hem is er slechts een vrome schijn, waaraan het wezen ontbreekt, kan er zeker gevoelsaandoening worden gevonden, kan er zelfs schoon gesproken worden over liefde en vrede en vele schoone goederen, maar omdat Hijzelf er in ontbreekt, komt er in de practijk des levens van dat alles niet openbaar. En dat er van al wat liefelijk is en welluidt ook onder hen, die zich bij Gods volk meenen mogen te scharen, zoo weinig gezien wordt, toont onmiskenbaar zeker, dat er in het geestelijk leven, ondanks de vormen der vroomheid, ontbreekt de werkelijkheid, de echtheid, de waarheid. Hij zelf ontbreekt er blijkbaar aan. En waar Hij zelf ontbreekt, daar heerscht de dood onder allen uitwendigen schijn, daar derft de planting des geestelijken levens den wortel. En daar wordt dan ook van het goede en schoone, dat in de Schrift als een vrucht van het geegtelijk leven wordt verbonden, niets gezien, maar openbaren zich veeleer de vruchten van onze zonde.
Zoo is er nu ook in den Persoon des Heeren eene wijsheid, waarin Gods kind deel krijgt door in gemeenschap te verkeeren met Hem. En dat wel zulk eene, die zich van alle wijsheid dezer wereld onderscheidt. De wijsheid dezer wereld is een vrucht van het menschelijk verstand. En dat menschelijke verstand is altijd tastend en zoekend of het ook vinden mag wat tot bevrediging en stilling dient onzer zielenooden. Heel de geschiedenis van den worstelstrijd van het menschelijk verstand toont, dat daarin naar Gods bestel is hetgeen Paulus op den Areopagus aldus omschrijft (Hand. 17 : 27): opdat zij den Heere zouden zoeken, of zij Hem immers tasten en vinden mochten". Maar hoewel het dus niet te vergeefs is, dat die menschheid worstelt en ook daarin de Raad Gods wordt vervuld, toch komen zij niet tot Hem, ondanks alle hunne wijsheid. De apostel noemt dat dan ook een „tijd der onwetendheid". En als zoodanig is de wijsheid dezer wereld eene dwaasheid. In de verschijning van onzen Heere Jezus Christus wordt die wijsheid eene dwaasheid. Immers, God hebben zij niet kunnen vinden, hoewel Hij toch niet verre is van een iegelijk van ons. De wijsheid wordt dwaasheid, want heeft nooit iemand God gekend, de eeniggeboren Zoon, die in den schoot des Vaders is, die heeft Hem ons geopenbaard. Wat de menschheid te vergeefs zoekt en zocht, dat is onmiddellijk van God gegeven. Hij doet het als een licht schijnen in de duisternis, in den Zoon, die vleesch wordt, ons in alles gelijk uitgenomen de zonde, In Hem gaat een Godskennis op, die den mensch door en in zijne zonde ontbreekt. De mensch, die tot God niet komen kan, noch komt, mag ervaren, dat God tot hem komt in de gave des Zoons, om Zichzelven in Hem te openbaren, zooals Hij is in de heerlijkheid Zijner liefde en in de glansen van Zijn recht. Christus is het licht, hetwelk verlicht een iegelijk mensch, komende in de wereld. Niemand kan eenig licht hebben buiten en zonder Christus. Wie licht heeft, die komt tot Hem, omdat het uit Hem ontvangen is. Wie in de duisternis is, komt tot Hem niet, omdat hij het licht niet heeft, dat van Hem uitgaat. Als in alles wat leeft, is er ook hier eene wisselwerking op te merken. Zijne schapen hooren Zijne stem en die Zijne stemme hooren zijn ook Zijne schapen. Hij is een licht, in de wereld gekomen, opdat een iegelijk, die in Hem geloojft, in de duisternis niet blijve. En omgekeerd, wie in het licht wandelt, die kent niet alleen gemeenschap der heiligen, maar verstaat ook dat het bloed van Jezus Christus, ons reinigt van alle zonde.
Zoo is er dus in Christus eene wijsheid, omdat Hij aan den mensch in de donkerheid zijner zonde God openbaart. Dien wij niet kenden en door onzen val niet kennen konden, ook al schrijnt de behoefte aan Gods gemeenschap door de menschheidsziel, zoodat zij naar Hem tastte. Hij verschijnt ons in Immanuel. In Hem is de wijsheid der ware kennis Gods. In den Gekruisigde is de glans van Gods heilig recht. Wat de zonde is voor het vuur der heiligheid Gods, dat zij het oordeel van vloek en dood in zich sluit, het wordt openbaar op Golgotha. Maar diezelfde Gekruisigde, die den vloek van Gods toorn draagt, is tevens de gave van het wondere ontfermen Gods, die door recht Zijn volk verlost. In datzelfde kruis schittert ook de liefde Gods, de vrije, ongehoudene liefde des Vaders over een arm en verloren zondaar, zonder welke de mensch de ellendigste van alle schepselen zijn zou. Want buiten Christus kan zeker verstaan en aanschouwd worden van de mogendheid des Heeren, van Zijne eeuwige kracht en goddelijkheid, maar van Zijne liefde zou nooit iemand iets aanschouwen kunnen. Dat God niet alleen liefde heeft, maar liefde is, eeuwige, vrijwillige, oneindige liefde jegens den in zichzelf verloren zondaar, dat kan slechts gekend in Christus, dat staat ons geteekend in Christus, dat wordt ons in Hem toegeroepen. En op grond van deze in Hem zich openbarende liefde, is er dan ook in Hem genade, genade der vergeving en der verzoening. En dat niet slechts als een wil van God, maar als een werkelijkheid in Hem verschenen. Eene genade is er in Hem, verdiend, verworven door de gerechtigheid. Een genade, die Christus als onzer één, voor heel die natuur des menschen tot stand brengt, door in onze natuur het recht Gods te boeten in de volbrenging der wet, in haar eisch en in haar vloek. Een genade, die het recht verkracht, een liefde, waardoor de heiligheid van Gods Wezen wordt verdorven en veracht, kan de zondaarsziel niet redden, kan de aanklacht der conscientie niet stillen. Alleen door volkomen, ongekrenkt recht kan de zondaar tot vrede komen. En dat is zoo, niet omdat wij niet anders zouden willen of kunnen, maar omdat Gods Wezen drager is van een deugdenbeeld, dat Zich niet verzoent en nooit verzoenen kan met wat Zijne heerlijkheid bevlekt. Hij kan Zijne eer aan geen ander geven, niets afstaan van de glorie Zijner majesteit. En al wat daar gebazeld wordt over de liefde Gods en over gemeenschap Gods, die omgaat buiten den Christus en dus buiten het recht en met voorbijgang en dus met krenking Zijner heiligheid, dat is nooit uit Hem, den Vader der lichten, het is geene kennis Gods, maar de kennis van een afgod, gewrocht der menschelijke verbeelding. God en Vader is de Heere alleen in en door den Zoon, in Wien ook 'zijn recht is vervuld, wijl Hij het s alles heeft volbracht. Het is dan ook vol z komen verklaarbaar, dat wie werkelijk aan zichzelven ontdekt wordt, inderdaad met de verzondigdheid van zijn leven in het licht der heiligheid Gods komt, ook nooit rust kan vinden buiten den Christus. Hij beproeft het wel, maar hij slaagt er niet in. Hij worstelt om zich aan den klem zijner conscientie te onttrekken, hij spant zich in om zich te bevrijden van het kruis der zonde, dat op hem ligt, maar hij slaagt niet. Als het geweten schijnt te zwijgen en de rust verkregen schijnt, dan blijkt het toch weldra, dat het niet meer was dan schijn. Het blijkt, dat zij hunne ziel bij het leven niet kunnen houden. De rust wordt eerst verkregen in de gemeenschap met Hem, die alle gerechtigheid volbracht heeft. Die wijsheid is in Christus geopenbaard, in Hem verschenen van Godswege, in Hem werkelijkheid gemaakt. En in den omgang met Hem wordt die wijsheid het deel van hen, die Hem kennen.
En daarin is nu ook een licht der wijsheid voor het gansche leven. In den wandel met Christus, in den omgang met Hem is ook voor het dagelijksche leven wijsheid gegeven. Ons leven is maar al te moeilijk. Wij worden bedreigd van allen kant. En wij zijn geneigd om van Gods weg af te dolen en paden in te slaan van dood en verderf. De paden der zonde zijn ook altijd paden der dwaasheid en der domheid, hoe wijs ze ook schijnen in de oogen van den natuurlijken mensch. De natuurlijke mensch stelt vleesch tot zijn arm. Hij vertrouwt maar al te dikwijls op onderdrukking en geweld, op bedrog en onrecht. En hij denkt, dat hij wiijs is, vooral als hij soms langs dien weg zijn doel bereikt. En toch, let op het einde. Het einde stelt teleur. Wat onder de groote koninkrijken dezer wereld gebeurt, wijst het uit. Den weg der gerechtigheid verachten zij. Het onrecht doen zij. Naar zij meenen straffeloos, omdat zij macht hebben.
Maar die in den hemel zit belacht hun raad. En Hij blaast in het onrecht. En waar zij meenden - zeer wijs te zijn door gebruik te maken van geweld en macht, daar worden zij beschaamd in hunne verwachtingen - en vallen zij ten laatste in de strikken des oordeels. In de zonde is altijd ook eene dwaasheid, ook domheid, ook gebrek aan wijsheid. Alleen in den omgang met Christus wordt ook wijsheid voor het leven ons deel. De goede werken zullen niet achterblijven, waar een leven in gemeenschap met Hem wordt gekend. De zonde komt op, waar Hij vergeten wordt, waar met Hem niet onderhandeld wordt, waar met Hem niet geraadpleegd wordt, waar uit Hem niet geleefd wordt. In Christus is alle wijsheid geopenbaard. Zijn leven is eene vervulling der gansche wet. Voor het oog der wereld scheen het, dat Hij er mede is ondergegaan en dat Hij zeer dwaas geweest is. Toen Hij in de woestijn verzocht werd en den verzoeker telkens afwees met het woord van God, toen was er onder hetgeen Hem werd voorgesteld veel, waarvan de wereld zeggen moest, dat het zeer dwaas was het te versmaden. Alle eer en alle glans en alle heerlijkheid, waarop de wereld gaarne prat gaat, versmaadde en verachtte Hij om een weg in te gaan, die wel was die der gerechtigheid, maar die toch leidde naar het kruis, naar de vernedering, naar smaad en hoon. Maar de uitkomst bewees ook hier, dat in dien weg de wijsheid waarlijk Zijn deel was. Hij ging door het kruis tot de heerlijkheid, terwijl de wijsheid der wereld zoodanig is, dat zij ons uit de heerlijkheid der wereld voert tot het kruis van een eeuwig oordeel. Wie den Christus deelachtig is, die mag in Zijne wijsheid deelen, die deelt in alle Zijne werken der gerechtigheid. In den verborgen omgang, waarvan Gods kind genieten mag, wordt Hg gekend als wijsheid ons van God geworden. De wandel met Hem is een wandel in den hemel, waaruit wij ook onzen Zaligmaker verwachten. Het is een wandel in alle werken van Christus, eene wijsheid voor ons gansche leven, een licht op alle onze paden. Zijn leven zal zich openbaren in het leven Zijner kinderen. Worden zij vanwege schuld en zonde ééne plante met Hem in de gelijkmakiug Zijns doods, zij zullen ook ééne plante met Hem zijn in de gelijk. making Zijner opstanding. En mag het nu het oog der wereld een dwaasheid zijn, die bij het kruis der verzoening zich voor ons stelt, in het licht der eeuwige dingen Gods is het de grootste wijsheid, want de wereld gaat voorbij en al hare begeerlijkheid, maar die den wil Gods doet, blijft in der eeuwigheid. Hem wacht de vreugde zijns Heeren. En alle verdrukking en strijd in de wereld is niet te vergelijken met de heerlijkheid, waarin Gods kind zal ingaan, geleid door Hem, die Zijne gemeente den Vader zal voorstellen, bekleed met Zijne gerechtigheid.
Geest en hoofdzaak.
Waar de Synode van 1914 voorloopig aannam de woorden „geest en hoofdzaak" uit art. 39 Regl op het Godsd.onderwijs te schrappen, daar zouden wij het een grooten zegen achten voor onze Kerk, indien de Synode van 1915 deze voorloopige wetswijziging bestendigen wilde. Niet, dat daarmee onze Ned, Herv, Kerk dan een Kerk met een belijdenis zou geworden zijn, terwijl zij nu een Kerk zonder belijdenis zou wezen.
Dat in 't geheel niet.
Want onze Herv. Kerk /lee/i een belijdenis en eischt handhaving van die belijdenis; vraagt óok in het tegenwoordig art 39 Regl. Godsd. onderwijs instemming met die belijdenis, wat geest en hoofdzaak daarvan betreft. De Synodale circulaire.van Aug.'1912leze men er nog maar eens op na!
In zooverre wordt dus door de aannemini van de voorloopige wetswijziging van 1914 noch ook door de verwerping daarvan in facto iets beslist.
De Ned. Herv. Kerk is en blijft een belijdende Kerk.
Maar we weten, dat er door de vrijzinnigen schandelijk misbruik gemaakt wordt van de vrijheid die er, binnen de grenzen van de belijdenis, in onze Kerk gevonden wordt.
Onze Kerk heeft het met het beginsel der vrijheid gewaagd langen tijd. Maar 't is slecht uitgekomen. Want de vrijheid heeft de vrijzinnigen tot brutale ontkenningen en publieke loochening van de dierbaarste fundamenteele waarheden aanleiding gegeven en het is voor degenen, die stonden op den bodem der belijdenis, in de prediking, maar vooral in de sacramentsbediening en in de oefening van tucht tot een zwaar kruis, tot groote verdrukking en ellendige moeite geworden. Zoó dikwijls, dat het conflict niet uitgebleven is, Waar men wel vrijheid had om in de moderne lijn tot het uiterste punt te gaan, werd hij, die in gereformeerde richting handelen en wandelen wilde, halverwege gekomen zijnde al op de vingers getikt, aangeklaagd, beboet, in de gevangenis geworpen of naakt aan den dijk gezet.
In de gemeente-A mag men den loochenaar van den Christus uit B wel aannemen. Maar B heeft geen vrijheid om naar het oordeel van Schrift en belijdenis en conscientie den loochenaar van den Christus te weigeren, zoodat de gemeente A over de gemeente B heerschen kan in zaken, die in strijd zijn met Gods. Woord en onze belijdenis en alzoo in onze Herv. Kerk niet thuis hooren.
Dat is de ongelukkige vrucht van de ellendige vrijheid, zooals die in onze Herv. Kerk in den loop der jaren gekomen is.
En ziet, waar nu zoo fchandelijk misbruik gemaakt wordt van de vrijheid, niet alleen in het formuleeren van de belijdenisvragen, maar meer nog in allerlei practijken, die bij het licht van Schrift en belijdenis niet door den beugel kunnen, zou het zoo'n grooten zegen zijn wanneer de woorden „geest en hoofdzaak" uit art 39 Regl. Godsd.onderwijs geschrapt bleven.
Dat zou onze Herv. Kerk, die een belijdende Kerk is, maar waar in de practijk zoo schrikkelijk willekeurig met die belijdenis wordt omgesprongen, naar die belijdenis meer doen overhellen en de practijk kon meer worden overeenkomstig den eisch der Kerk zelve.
Of de gevolgen van de schrapping van de woorden „geest en hoofdzaak" groot en vele zouden zijn?
Of men aanstonds veel van die schrapping zou bemerken?
Of de modernen er uit zouden gaan en of de gereformeerden aanstonds een zooveel betere positie zouden krijgen?
Of de Herv. Kerk zich dan weer kon openbaren als de Gereformeerde Kerk van Nederland?
We willen op dit alles niet vooruit loopen.
We gelooven dat er geen enkele moderne uit de Herv. Kerk zou uitgaan. Misschien een heel enkele. Ze zouden rustig blijven en zich naaf de omstandigheden wel schikken. De mazen van onze kerkel. reglementen zijn o! zoo wijd immers!
Maar waarom we de schrapping zoo gaarne zouden zien is dit: de Herv. Kerk zou daardoor zich meer openbaren als een belijdend* Kerk. En dê, t is ons zooveel waard. Gelijk dat ook noodzakelijk is.
Nu is door het lot in Drenthe beslist dat er vanwege Drenthe een modern ouderling naar de Synode zal gaan.
Naar gewone berekening zal dus de Synode van 1915 bestaan uit 12 orthodoxe leden en 7 modernen.
Immers Gelderland, Z.-Holland, Friesland, Overijsel en N.-Brabant met Limburg zenden dit jaar ieder 2 orthodoxe leden = 10. Daarbij zendt Zeeland en Utrecht ieder 1 orthodox lid, samen dus 12.
Waartegenover staan 2 leden van N.-Holland, 2 van Groningen, 2 van Drenthe en 1 van de Waalsche Commissie, allen modern. Dus 12 rechts tegenover 7 links.
Maar alle orthodoxen denken helaas! niet 't zelfde over de schrapping van die woorden „geest en hoofdzaak."
Wel is de Herv. Broederschap met mannen als Dr Slotemaker de Bruine en Dr. Riemens er voor.
Wel is de Confessioneele groep en de Gereformeerde groep van predikanten en ouderlingen er voor.
Zelfs Dr. Bronsveld was er vóór, maar is intusschen weer omgedraaid en is er nu tegen.
Dr. Bronsveld toch schreef Nov. 1914 in de Stemmen voor Waarheid en Vrede: „De Synode' besloot de woorden geest en hoofdzaak te schrappen. Wij meenen, dat zij daar wèl aan deed. Zij gaven aanleiding tot geschillen en tot het verrichten van allerlei tours de force. „Ruimte" is op dit terrein niet eensluidend met vaagheid, en wat is meer zwevend en onbestemd dan „geest en hoofdzaak"? De eerste belijdenisvraag, zooals zij nu luidt, eischt instemming met de kern van het algemeen ongetwijfeld christelijk geloof, wat wij zeer ruim vinden. Wij hopen, dat het hier genoemde voorstel der Synode zal worden toegejuicht door de Kerk."
Van Bronsveld 1914 tot Prof. Visscher toe is men het dus in onze Kerk er hartelijk over eens dat, zooals Prof. Visscher schreef: „de strijd tegen alles wat thans in dé Reglementen der Kerk de verwording van het kerkelijk leven en de ontkerstening van de Kerk bevordert, met alle kracht en te allen tijde moet worden gevoerd."
Maar hoewel allen het er roerend over eens zijn, dat de schrapping van de woorden „geest en hoofdzaak" een zegen voor de Kerk en een noodzakelijke zaak geacht moet worden — zoo waren toch in de Synode van 1914 drie orthodoxe leden: Dr. Weylandt van Veere (Zeeland), Ds Otto Schrieke van Ensche-. de (Overijsel) en de ouderling Menthen van Arnhem (Gelderland) tegen de schrapping.
En ziet, zoo zullen er dus in de Synode van 1915 wel 12 orthodoxe leden en 7 modernen zitting hebben, maar van die 12 orthodoxen zullen waarschijnlijk 3 links stemmen en zal dus de voorloopige schrapping, door toedoen van orthodoxe menschen, met 9 stemmen vóór en 10 stemmen tégen weer ongedaan worden gemaakt.
Waarschijnlijk.
Want 't is waarschijnlijk dat de 3 orthodoxe feeënstemmers wéér zullen tegen stemmen. Maar daarom zouden we zoo gaarne willen, dat alles wat orthodox is, van de Herv. Broederschap tot den Geref. Bond toe, tamelijk wel als éen man stonden om vóór de schrapping te pleiten, te schrijven, te adresseeren.
Ouderling Menthen van Arnhem moet goed voelen dat hij een onverantwoordelijk werk verricht om, afgevaardigd door Gelderland, tegen de schrapping te stemmen. En uit Zeeland moet in deze een krachtig getuigenis uitgaan, dat bewijst, dat Dr. Weylandt in deze niet de rechte man op de rechte plaats is. En zoo ook in Overijsel.
Maar meer nog dan dat.
Al zou de voorloopig aangenomen wetswijziging in betrekking tot art. 39 Regl. Godsd.onderwijs door de Synode van 1915 weer ongedaan worden gemaakt, dan moet toch elk jaar duidelijker worden, dat alles wat orthodox is geen genoegen neemt met het vrijheid geven aan alles wat modern is, om de dierbaarste fundamenteele waarheden van Schrift en belijdenis te loochenen en onze Herv. Kerk te ontkerstenen. Er moet jaar op jaar een zeer krachtige stem opgaan uit onze Kerk, dat ieder die niet eerlijk en ondubbelzinnig en onomwonden instemming betuigt met de kern van het algemeen ongetwijfeld christelijk geloof, in onze Herv. Kerk niet thuis hoort.
En daarom willen we ook vragen aan de Kerkeraadsledeu, die dit ons woord lezen: hebt gij, heeft uw Kerkeraad het gedrukte adres aan de Synode ontvangen, dat opgesteld is in de vergadering van enkele predikanten en dat onderteekend is door de Commissie van uitvoering te Amsterdam: Dr. P. J. Kromsigt, Chr. Hunningher en G. Oorthuys, mede-onderteekend door Ds. Becht van Arnhem, Ds. Beekenkamp van Delft, Ds. Blauw van Schoten, Ds. Datema van Muiden, Ds. Heemskerk van Dordt, Ds. Kelder van Charlois, Ds. Krop van Rotterdam, Ds. Locher van Waspik, Ds. Vellenga van Loosdrecht, Ds. de Zwart van Scheveningen, Ds. Schippers van Ede, Ds. van Ingen van Harderwijk enz. enz.
ledere Kerkeraad moet zoo'n adres ontvangen hebben.
En overal moet men nu dat adres in de vergadering bespreken. Waarbij we verwachten dat allerwege door de Kerkeraden dit adres zal worden goedgekeurd en geteekend; om het dan toe te zenden aan het Classicaal Bestuur, met verzoek om het te willen doorzenden aan de Synode.
Deze kalme, eerlijke, gestadige adresbeweging lijkt ons allernoodzakelijkst. En we zijn er zeker van dat dit adresseeren van Kerkeraden niet zonder vrucht zal blijven.
Het gaat dus niet zoo zeer om het dit jaar te „winnen" —hoewel ook dat ons tot zegen voor de Kerk zou voorkomen.
Maar het gaat veel meer om het belijdend element in onze Herv. Kerk te doen opkomen voor het belijdend karakter onzer Herv. Kerk. Opdat de kern van ons dierbaar algemeen ongetwijfeld Christelijk geloof ook in de practijk van ons kerkelijk leven veel meer dan tot nu toe tot z'n recht mag komen en zal worden gehandhaafd.
Nu is onze Herv. Kerk in woorden een belijdende Kerk, maar met de daad een Kerk die alles toelaat.
Om dat laatste in te perken en te beteugelen, daarvoor moet een krachtig adres aan de Synode gezonden worden, uit den boezem der Kerk.
Van alle orthodoxe Kerkeraden verwachten we dus inzending van bedoeld adres aan de Synode.
Maar we verwachten ook, dat deze zaak op alle Classicale Vergaderingen zal worden ter sprake gebracht.
Daar op die vergaderingen klopt eigenlijk nog 't meest — voor zoover 't mogelijk is — het hart der Kerk. Méér dan in de Besturen. Méér dan in de Synode.
En daarom, op onze Classicale Vergaderingen, die overal in den lande op Woensdag 30 Juni gehouden zullen worden, moet over deze zaak gesproken worden en ook van de verschillende Classicale Vergaderingen, die in meerderheid orthodox zijn, moet een adres naar de Synode om schrapping van de woorden „geest en hoofdzaak" te verzoeken.
Laten allen die in geest en hoofdzaak het met onze belijdenis eens zijn en staan op den bodem van de 1ste belijdenisvraag, er voor zorgen, dat de woorden „geest en hoofdzaak" uit onze Reglementen verdwijnen.
Het zal tot zegen voor de Kerk en voor ons volk zijn.
Het Utrechtsche adres.
Te midden van de velerlei voorbereiding van den laatsten tijd om in de actie in zake proponentsformule, belijdenisvragen enz. saam zooveel mogelijk één lijn te trekken en zoo kalm en zoetjes aan een stap voorwaarts te komen in het midden van onze Herv. Kerk, die in wezen een belijdend, gereformeerde Kerk is, maar in de practijk van bet kerkelijk leven schandelijk afwijkt en afwijkingen duldt — is op het alleronverwachts het Utrechtsche adres, opgesteld door de Utrechtsche theologische professoren, naar voren gekomen.
Begeerd was het door niemand in de Kerk. Noch onder de gereformeerden, noch onder de ethischen, noch onder de modernen was er om gevraagd. Die er van sprak handelde er terloops over en was en bleef een eenling in een eenzame plaats.
En toen kwam het Utrechtsche adres. Zooals de pers zegt door Prof. v. Veen naar voren gebracht; waarbij niet vermeld staat dat hij in deze zijn eigen zoon droeg.
Wat dit adres wil is bekend en niet bekend. Bekend is, dat men van de Synode vraagt een commissie te benoemen, welke onderzoeken zal of 't mogelijk zal zijn een zoodanige toestand te scheppen, dat in onze Herv. Kerk iedere groep op zich zelf zal kunnen leven, ieder met eigen kerk, eigen prediking, eigen sacramentsbediening, eigen kerkelijke vergaderingen enz. terwijl men toch bij elkaar blijft (geref., ethische, moderne groep) in administratieve eenheid.
Verschillende Kerken in éen kerkelijk verband in administratieven zin.
Daarvoor zal een commissie moeten worden benoemd. En die commissie zal naar de mogelijkheid van deze zaak een onderzoek instellen.
En met het rapport van die commissie kan de Synode van 1916, bestaande uit 11 orth. en 8 moderne leden, dan doen wat zij wil, zonder dat zij eenige verplichting op zich genomen heeft in deze.
Tot zoover kan het in theorie geen kwaad.
Laat men maar eens denken, praten, onderzoeken, vergelijken en adviseeren.
We zullen dan nader zien wat het worden moet. .
Zoo hebben tal van leden van de Synode in betrekking tot de beheerskwestie óok gedacht.
Laat men maar eens een reglement maken, laat men maar eens komen met voorstellen, met de rechten van de Synode enz. We zullen, zoo zeiden ze, we zullen dan wel eens zien wat de Kerk, wat de juristen, wat het Algemeene College van toezicht inbrengt, en dan zullen we wel verder zien.
We weten, dat er zoo leden in de Synode van 1914 geweest zijn. Die hebben meege holpen dat het nieuwe syn. reglement op het beheer voorloopig is aangenomen, hoewel zij er in principe tegen zijn. Zij hebben de zaak mee naar voren willen brengen — of liever, men heeft niet willen verhinderen dat die zaak door anderen naar voren geschoven werd — om meer licht te krijgen eener-èn anderzijds.
In zooverre kan het Utrechtsche adres volstrekt geen kwaad. En in zooverre hopen we, dat er door de Synode een commissie zal worden benoemd om deze zaak eens te onderzoeken en rapport uit te brengen.
Het vóór en het tegen zal dan meer aan 't licht komen en we vermoeden, dat de bezwaren zóo groot zullen zijn, dat men ongeveer algemeen zal zeggen: weg er mee!
Maar men voelt, dat is heel iets anders, dan dat we zeggen: we verheugen ons er in, dat dit adres van de Utrechtsche professoren is geboren en op de Synodale tafel is gelegd.
Want dat vinden we jammer!
Ten eerste wat den tijd betreft.
Als men na veel samenspreking een weg heeft gevonden, waarbij men tamelijk wel gemeenschappelijk optrekt, om het belijdend karakter onzer Herv. Kerk te bevestigen en te versterken, waarbij het resultaat in betrekkelijk korten tijd iets meer is geweest dan nul op 't rekwest, ziet, dan is het schrikwekkend wanneer een paar mannen, die geheel buiten de practijk van het kerkelijke leven staan, plotseling op dezelfde synodale tafel, waar honderden predikanten, honderden kerkeraden en tal van classicale vergaderingen ernstig een zaak neergelegd hebben, zooiets als een bom werpen.
Is dat voorstel van de Utrechtsche hoogleeraren niet veel vérder in strekking en over veel méér beslissend, dan 't geen „de geest en hoofdzaak-beweging" bedoelt?
Immers jal
En dus, wanneer bij de behandeling van de geest en hoofdzaak-kwestie, dat Utrechtsche voorstel plotseling voor den dag komt, zou het zeer begrijpelijk zijn wanneer een combinatie van synode-leden, orthodox en modern saam misschien wel, een voorstel doet om eerst dat Utrechtsche adres in behandeling te nemen, dat aan te nemen en alle verdere besprekingen en beslissingen inzake de belijdenis der Kerk stop te zetten tot na de ontvangst van het commissie-rapport.
Dat zou zeer goed kunnen.
Waarom zal-men klein werk doen als men groot werk van plan is uit te voeren ? Laat het kleine dan nog maar even zitten, 't Kan straks bij het groote werk dan veel beter geregeld worden; en dan in ééns.
Daarom spijt 't ons zeer, dat de hooggeleerde heeren te Utrecht, Prof. Visscher en Prof. Cannegieter in bond, dit ballonnetje hebben opgelaten. De wijze moet tijd en plaats kennen.
Maar meer nog is dit adres van de Utrechtsche professoren ons onwelkom, daar het door niemand van confessioneel beginsel zal kunnen worden aanvaard.
Niet alleen omdat het practisch onuitvoerbaar is, dat elke partij afzonderlijk zal kunnen wonen in één huis, maar immers dan is het geen Kerk meer met belijdenis en levensorde, doch een vogelkooi waarin vogels van diverse pluimage bewaard worden, ieder met een eigen etensbakje en waterfonteintje.
Waar men in de Pers dan ook reeds zoo vriendelijk was om dit voorstel, dat overigens duidelijk als een voorstel van de Utrechtsche theologische hoogleeraren is aangekondigd, op den rug van den Geref. Bond te schuiven en in deze te gewagen van een sympathiek getuigen van „de Waarheidsvriend, " daar hebben wij hier nu het genoegen er op te wijzen, dat dit voorstel met den Geref. Bond niets heeft uit te staan en dat „de Waarheidsvriend" er geen heil in ziet.
Integendeel, „de Waarheidsvriend, " als orgaan van den Geref. Bond, betreurt het ten sterkste, dat dit voorstel in de wereld is gekomen, daar het veel verwarring en geen voordeel zal geven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juni 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's