Uit het kerkelijk leven.
Van verborgen omgang.
X
Zoo werd ons dus in Christus eene wijsheid Gods openbaar, eene verlichting Zgner kennis, 'waardoor Gods kind mag inzien in Hem als in een spiegel Zijner wondere liefd", waardoor het ten laatste Hem noemen moet met den Vademaam. Hij ontvangt er macht toe in de zekerheid, dat hem het kindschap Gods ten deele viel.
Maar Gods deugdenbeeld draagt niet alleen een glans Zijner eeuwige liefde. Het breekt zich als een eeuwig licht veelvoudig in het leven der schepselen. Hij heeft een eeuwige, oneindige liefde en daarom ook een eeuwig recht. In de liefde Gods is de genade geworteld, maar ook het recht. Immers, Gods liefde strekt zich allereerst uit naar de heerlijkheid van Zijn Wezen. In onze menscheiijke liefde is toch ook wat zich richt op de verwerkelijking van eigen wezen. Nu is ons ik verdorven door de zonde en daarom is ook onze liefde verkankerd en vergiftigd tot een booze eigenliefde meestal. Maar God is een Licht en gansch geene duisternis is in Hem. Zijne liefde is de doorzetting Zijner eere, die Hij immers aan geen ander geven kan. Daarom schittert Zijne Liefde ook in Zijn recht. Zij glanst tot in de diepste oordeelen, die over de schepselen gaan kunnen. En zoo wordt ons dan ook in den Heere Jeztis Christus Gods gerechtigheid openbaar allereerst zooals zij zich als straffende gerechtigheid kenmerkt. In de gemeenschap met den Heere Jezus Christus wordt die dan ook klaarlijk ervaren, levendig gekend, helder gezien,
In onze dagen wil men van Gods straffende gerechtigheid weinig weten. Zelfs als.de.oordeeIen Gods op de aarde zijn, zooals nu, ontbreekt nog de vernedering voor Gods heilig aangezicht. En toch is niets klaarder dan dit. In de scheppingsorde der wereld zelve is ook het recht gegrond. God schiep deze wereld zoo, dat er zich Zijn recht wel in moet openbaren. God heeft aan de zonde zelve Zijne straffen vastgelegd. Als wij oogen hadden om diep genoeg in te zien in de orde der schepping, dan zouden wij Gods recht zien dagen, waar het schijnt te toeven. Als wij in Gods orde diep genoeg konden doordringen, dan zouden wij nooit meenen kunnen, zooals het nu maar al te dikwgls geschiedt, dat volkeren en personen straffeloos het recht verbreken en de gerechtigheid vertreden kunnen. Dan zouden wij achter en door dit gruwelijke onrecht en de uitgieting der goddeloosheid God den Heere schouwen met het zwaard van Zijn recht. Dan zouden wij er niet aan twijfelen, dat Gods getuigenissen zeer getrouw en dat de heiligheid Zijnen huize sierlijk is." Duizenden meenen in hunne dwaaseid, als zij het geweld en het onrecht aanschouwen, dat er in deze wereld alleen een recht is van den sterke en dat dus het onrecht het laatste woord spreekt. En zij vergeten dat de gansche geschiedenis daar is om te toonen, dat de Heere regeert en dat Hij de geeselroeden beschikt, de volkeren sterk maakt en doet versagen, ze gebruikt tot de volbrenging van Zijn Raad en dat Hij gerechtigheid en gericht liefheeft. Zijn recht gaat toch door, niet slechts ondanks het ongeloof, maar door het ongeloof zelf, dat immers in zijn diepste wezen de ontkenning van het deugdenbeeld Gods is en dus als zoodanig alle oordeelen draagt in zijn schoot
De Heere heeft dan ook in Zijn Woord ons een veel dieper blik gegund in de geschapen zedelijke orde der wereld dan de wetenschap er ooit in sloeg, doordat Hij in Zijne heilige wet ons de schittering laat zien van het vuur Zijns toorns, en door den blik, dien Hij ons geeft op de geschiedenis der wereld, ons toont, dat de toom Gods wordt eopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid der menschen als die de waarheid in ongerechtigheid ten nder houden. De menschheid moet ten slotte an Hem getuigen, dat Hij een God des" ordeels is. En wie licht mag ontvangen over de verborgenheid van zijn eigen leven, die al ook daarin God den Heere ontmoeten als en God van recht, die zal zich voor Zijn angezicht diep verootmoedigen en belijden, dat Hij een God van heiligheid is, die zal ok in Christus de straffende gerechtigheid Gods zien schitteren. vanwege de waarheid en de gerechtigheid Gods kan voor onze zonde niet anders betaald worden dan door den dood des Zoons Gods.
In het lijden van Christus als Borg en Middelaar blinkt Gods recht het klaarst. Zooals in de gave des Zoons alleen Gods liefde gekend wordt, hoewel de menschen toch ook zonder die wetenschap gaven ontvangen, die hen tot de kennis dier liefde niet brengen, zoo wordt ook Gods gerechtigheid eerst waarlijk gekend in het recht aan den Zoon voltrokken, ook al ervaren zij, die daarvan niet weten, maar al te dikwijls Gods straffend recht. Daar zijn vele oordeelen in deze wereld, die de menschen aanzien, zonder dat zij er Gods recht in zien. Zij gelooven dikwijls aan dat recht niet, zelfs als de roede henzelven treft. Maar wie den Heere Jezus Christus in Zijn lijiden waarlijk aanschouwt, die zal Gods recht inderdaad zien zooals het gaat over de zonde. Wie Hem volgt op Zijn kruisweg, wie Hem aanschouwt zooals Hij worstelt eu klaagt en kermt en bidt, wie Hem schouwt genageld aan het hout der smarte en schande, de hemelen met donkerheid omfloersd daarboven Hem, wie opmerkt, dat Hij op Golgotha als tusschen hemel en aarde hangend door beiden als uitgeworpen wordt en Hem dan kent als onzer één, als Borg en plaatsbekleeder, als tot zonde gemaakt, wijl onze zonde Hem wordt toegerekend, die zal verstaan, hoe het recht Gods over de zonde uitgaat als een straffend recht. En die zal o zoo diep zich voor Gods aangezicht vernederen, als hij bedenkt dat daar Gods recht over onze zonde gaat. Maar hij zal ook ervaren, hoe dierbaar die Middelaar is, die in Zijn eeuwig ontfermen zich in onze plaats voor Gods gericht gesteld en onzen vloek gedragen heeft.
In den weg van ontdekking laat de Heere in den verborgen omgang met den Middelaar Zijn kind inleven in den weg Zijns lijdens, zoodat het met den Heere Jezus Christus door Gods recht gaat. Hij wordt met Christus gekruist, wordt ééne plante met Christus in de gelijkmaking Zijns doods. En in dien weg wordt hem de heiligheid en het recht Gods geopenbaard, dat door de diepte van zijn eigen ziel heengaat, zoodat ook daarvan wordt verkregen een levende kennis, tengevolge waarvan kan worden verstaan, waarom de Seraphijnen het driemaal heilig aanheffen en waarom de psalmdichter zong: „O God! Uw weg is in het heiligdom, wie is een groot God, gelijk God? "
In het kruis schittert dus de glans van Gods recht, waaronder de zondaar leert bukken, Gods recht leert belijden en erkennen, zoodat Hij in het recht wordt gesteld. Maar dat is het niet alleen. In den verborgen omgang met Hem, die wordt verbroken om onze zonden en verbrijzeld om onze ongerechtigheid, wordt nog meer ontdekt van de heerlijkheid Gods. In Christus' kruis schittert Gods liefde als een zon van heil, blinkt Zijn recht als een licht van heiligheid, waarin geen duisternis wezen kan, maar spreekt ons ook toe de lankmoedigheid des Heeren.
Zijne lankmoedigheid is zeker ook in alle leiding Zijner voorzienigheid klaarlljk werkzaam, maar ook zij is nergens helderder openbaar dan in Hem, die het Lam Gods is.
Dit is zeker opmerkenswaardig in Gods regeering, die over Zijne schepselen uitgaat, dat Zijne oordeelen niet onmiddellijk worden voltrokken. De wijze, waarop de Heere in de zedelijke wereld regeert, is anders dan die in de natuur aan den dag treedt. In de natuur heerscht Gods wet op eene wijze, die voor de schepselen geene keus laat. Door de diepte der hemelen wandelen de hemellichamen langs hunne banen, gedragen door de almacht van God. En op deze aarde doet de zomerwarmte der lente de bloesems uitschieten, zooals de winterkoude alles verstijft en ontbladert. In geen schepsel is daartegen eenigen weerstand op te merken. In dat alles is de stem des Heeren met kracht, is de stem des Heeren met heerlykheid. (Ps. 29). In Job 28 wordt het ons bezongen, hoe de Heere den regen eene gezette orde maakte en een weg voor het weerlicht der donderen. Maar daar wordt ons ook aangewezen, dat Hij tegenover den mensch, als het redelijke schepsel, dat Zijn beeld draagt, ganseh anders doet. Job omschrijft het aldus: „Maar tot den mensch heeft Hij gezegd: Zie, de vreeze des Heeren is de wijsheid en van het kwade te wijken is het verstand." En daarom is er dan ook met betrekking tot den redelijken mensch een regeering van Gods voorzienigheid, die aan dat redelijke des menschen recht laat wedervaren. Gods straffende gerechtigheid zet zich' door in de geschiedenis der menschen, maar altijd zoo, dat Hij den mensch nog tot rede brengen wil. Daarom, bij het recht Gods is altijd op te merken, dat er tusschen de daad en de straf der daad een tijd verloopt. Daarom kan het ons zoo dikwijls toeschijnen, alsof die in den hemel zit geen acht zou geven, alsof er geen recht is op deze wereld, alsof de menschen en de volkeren straffeloos zouden kunnen zondigen. Omdat het recht niet wordt uitgevoerd, wanneer wij het verwachten, omdat het onrecht schijnt te zegevieren in strijd met onze diepste zedelijke gevoelens en als wij zouden meenen, dat het tijd was voor den Almachtige om blinkend te verschijnen met het zwaard der wrake. Daarom is er bij ons zooveel twijfel aangaande Gods recht. En dat alles is zoo, omdat wij van nature blind zijn voor de heerlijkheid der Godsregeering over Zijne redelijke schepselen en niet kunnen zien, dat er daarom een tijd is tusschen de zonderen hare straf, opdat Hij Zijne lankmoedigheid zal betoonen, waardoor de mensch nog tot bekeering geleid wordt. Maar Zijn oordeel is er niet minder zeker om. Ook ais er bekeering intreedt, wordt aan de bekeerden nog Zijne gerechtigheid openbaar. Ook Gods volk zondigt nooit straffeloos. Ook de mannen Gods hebben voor hunne zonden straffen ondervonden. Maar dan altijd zoo, dat er een oogenblik is in Zijn toorn en een leven in Zijne goedgunstigheid. En als de bekeering uitblijft, dan is er een tijd der twisting, waarin Zijn Geest twist met den mensch, opdat hij zich bekeere, maar van die twisting geldt het, dat zij niet eeuwig duren zal. Aan de lankmoedigheid Gods is een einde. Maar hoe waar dat ook is, Gods kinderen leidt zij tot bekeering. En het Kruis van Christus openbaart aan Gods kinderen ook die deugd des volzaligen Gods. In de wet spreekt alleen het recht, vloek en oordeel, maar in Christus is de bediening der verzoening, want God was in Christus de vwereld met zichzelven verzoenende, hunne zonde hun niet toerekenende. Wat in Christus verborgen ligt en in Hem geopenbaard is, dat is het uitzien des Heeren om zondaren genadig te zijn. Er is bij Hem een wachten om Zijne liefde en Zijne genade te toonen. En voor Gods kind is er in de gemeenschap met den Heere Jezus dan ook deze heerlijke ontdekking van die lankmoedigheid Gods, als hij er klaar van overtuigd is, dat er bij den Heere een voorbijgang is geweest aan de overtreding, omdat Hij lust heeft aan goedertierenheid. Daarom komt er ook de belijdenis, dat het een wonder van ontferming is, dat zij niet verworpen werden van voor Zijn aangezicht en niet werden afgesneden van Zijne gemeenschap. Gods kind leert het in den verborgen omgang belijden, dat er een wondere lankmoedigheid in God is, waardoor Hij hem geleid heeft en verdragen heeft, dat er eene vergeving der zonden is, die tevoren geschied zijn, onder de verdraagzaamheid Gods. Door Zijne lankmoedigheid leidt Hij Zijne kinderen tot de volkomen vergeving der zonden, tot de vaste wetenschap, dat de ongerechtigheid is verzoend en de zonde niet meer wordt gedacht.
Daar is ook eene lankmoedigheid Gods, die uitgaat over den mensch buiten Christus, eene lankmoedigheid, die de strekking heeft aan een goddelooze alle verontschuldiging te benemen. Hij regent over boozen en goeden, over onrechtvaardigen en rechtvaardigen. Hij verzadigt al wat daar leeft. Maar de lankmoedigheid, die in Christus geopenbaard wordt, heeft de strekking om te behouden, om toe te brengen, om te zaligen. En uit dat oogpunt zegt dan, ook de apostel, dat de Heere de belofte niet vertraagt, die Hij aan Zijn kinderen gegeven heeft, niet willende, dat eenigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekeering komen. Zijne lankmoedigheid in Christus doelt op de verlossing van Zijn volk, op de redding Zijner kinderen. En daarom breekt ook in Christus het licht der liefde Gods door als de zachte glans Zijner lankmoedigheid, waardoor ten laatste elk van Gods kinderen, als hij gekomen is tot de wetenschap, dat hij blind was en nu ziet, verwonderd staart op de grondelooze barmhartigheid Gods, die zulk een onwillig en wederspannig kroost bij Hem doet wonen.
Zoo vindt dus Gods kind in den verborgen omgang met den Heere Jezus Christus een wondere algenoegzaamheid, waardoor in Hem verkregen wordt hetgeen de met zijne zonde worstelende zondaar behoeft. Daar is in Christus eene algenoegzaamheid voor Zichzelven, een onuitputtelijke volheid, maar Hij heeft ook een algenoegzaamheid voor anderen. Hij kan doen deelen in Zijne gaven. Hij kan schenken hetgeen hun hart begeert en behoeft.
In alle werken der schepping legde de Heere iets van Zijne heerlijkheid. Het stempel Zijner goedheid staat er op. Daarom juicht dan ook de dichter, dat Gods Naam heerlijk is op de gansche aarde. Maar hoe waar dit ook zijn mag, nergens straalt toch Zijne goedheid heerlijker uit dan in de gave van Christus, waarin Hij Zich geeft om genoten te worden door Zijne kinderen. In Christus ontdekt Hij Zijne goedheid. In Christus geldt het woord, dat tot Mozes eenmaal gezegd werd : „Ik zal al mijne goedigheid voorbij uw aangezicht laten gaan." In Hem stelt Hij zich voor ons als den God en Vader, den God des Verbonds, die Vele weldadigheid bewijst. Wie ontdekt aan zijne zonde, aan zijne ongerechtigheid, met eigen verlorenheid en armoede geleid wordt aan Zijne voeten om een verborgen levensgemeenschap met Hem te oefenen, die vindt inderdaad een algenoegzaamheid van gaven in Hem. Voor hem, die nergens uitkomst ziet, is er een wondere wijsheid Gods in den weg der verlossing geopenbaard. Wat bij de menschen onmogelijk is, dat wordt hier mogelijk in Hem. Buiten allen twijfel is de verborgenheid der godzaligheid groot. In Christus is niet slechts wat vergeving der zonde mogelijk maakt, in Hem is wat haar werkelijk doet zijn. Hij kan tot ons zeggen: „Uw zonden zijn u vergeven", want Hij beschikt over genoegdoende gerechtigheid, over vervulling der wet en over uitdelging der schuld. En daarom ook kan Hij ons eene toekomst bereiden, die wenkt tot eeuwige heerlijkheid. In Hem is verschenen wat in geen menschenhart is opgekomen, wat God bereid heeft dien, die Hem liefhebben. In het hart des mensehen kon het niet opkomen.
Een zondaar durft het niet te denken, dat iemand als hij is, zoo bedolven onder de bezoedeling van zonde en schuld, in het licht van Gods heilig recht zoo afgesneden, een toegang zou hebben, tot de lichtstad der heerlijkheid. In zijn hart kan het niet opklimmen. Daarom staat hij maar al te dikwijls van verre als de tollenaar in Gods tempel, bekommerd en bevreesd, zonder verwachting en zonder moed en zonder troost, want hij kan niet inzien, hoe de eere zijns Gods zich zou vereenigen met zijne verlossing. Maar dat alles wijkt terug, als de Heere Jezus hem in ^ijne algenoegzaamheid en goedheid wordt ontdekt als de gave des Vaders, als God, die zich in Hem geeft aan zijn arm kind, opdat het zal genieten van alle levensvruchten, die Hij verworven heeft.
Zoo is er dus in hetgeen van Gods deugdenbeeld in Christus openbaar wordt, een klare kennis Gods, algenoegzaam tot zaligheid van Zijn volk. Daarom heeft Hij zelf in het hoogepriesterlijk gebed ons verklaard: En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den eenigen waarachtigen God en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt.
Het doet schrijver dezer artikelen zeer leed, dat hij deze reeks niet meer zal kunnen vervolgen. Het is hem uit het vorige artikel der redactie, getiteld Het Utrechtsche adres, gebleken, dat het Bestuur van den Geref. Bond in het kerkelijk vraagstuk een standpunt is gaan innemen, waardoor, naar het schrijver dezes voorkomt, er voor den Geref. Bond geen reden van bestaan meer overblijft.
Hij acht zich derhalve tot zijn diep leedwezen geroepen zijne medewerking aan dit blad te onttrekken. Het gaat natuurlijk niet aan in het bondsblad het bondsbestuur te bestrijden. Maar anderzijds is het den schrijver ook niét mogelijk een kerkelijke politiek te steunen, die hij in strijd acht met de belangen der Gereformeerde beginselen, omdat zij in hare eenzijdigheid alleen kan leiden tot eindelooze partijtwisten en niet tot herstel der kerk.
Weldra hoopt hij daarvan nader rekenschap te geven.
Het doet ons leed.
De lezers van „De uit het onderschrift verborgen omgang", de schrijver daarvan Waarheidsvriend" zien van het artikel „Van dat Prof. Visscher — — om oorzake van het artikel „Het Utrechtsche adres" bedankt als lid van den Geref. Bond en hiermee zijn pasbegonnen medewerking aan ons Bondsorgaan beëindigt.
Dat spijt ons zéér. Gaarne hadden wij gezien, dat hij lid van onzen Bond was gebleven, en zéér stelden we zijn medewerking in ons wekelijksch Orgaan op prijs.
En te meer spijt het ons, waar hij een zoo allesbeslissende keuze in deze deed naar aanleiding van een verschil tusschen ons in zake een voorstel van Prof. van Veen.
Dat voorstel is geheel losstaande van onzen Bond. De Bond heeft lang en breed op zijn laatste jaarvergadering over het kerkelijk probleem gesproken, waarbij ook Prof. Visscher tot onze vreugd het woord voerde, maar van een dergelijk voorstel hoorden wij niet.
Intusschen is ook na die vergadering geen woord gewisseld met het Hoofdbestuur van den Bond over een dergelijk adres. En als dan geheel los van den Bond en geheel buiten weten van den Bond door Prof. v. Veen een dergelijk voorstel uit de oude doos wordt opgehaald, dat mede door Prof. Visscher werd onderteekend, mag dan de Geref. Bond naast het oordeel van Prof. v. Veen en Prof. Visscher er geen oordeel op na houden, dat in deze van elkander verschilt? En moet dé Geref. Bond om recht van bestaan te hebben zich hals over kop binden aan het voorstel van Prof. V. Veen, wijl zijn plaats anders wordt uitgeroeid ?
Ziet, dat Prof. Visscher hier in deze ons voor de keus stelt: meedoen met Prof. v. Veen, of anders hebt ge geen recht meer van bestaan — dèt lijkt ons wat machtig en komt ons bedenkelijk voor.
De eerste vrucht van het Ütrechtsche adres is dus, dat er verdeeldheid is gekomen in het midden van onzen Geref. Bond, dat we Prof. Visscher moeten missen als lid en zijn artikelen verder moeten missen in ons Orgaan.
Dat zal gejuich geven in de tenten dergenen, die niet van ons zijn.
't Is óns tot droefheid.
DE HOOFDREDACTEUR.
De Dienst der Verzoening.
Over Dr. Wumkes, Ned. Herv. Predt. te Sneek, schreven we onlangs reeds een en ander in verband met zijn samengaan met de modernen wat betreft de actie tegen de schrapping van de woorden „geest en hoofdzaak" in art. 39 Regl. Godsd.onderwijs,
Dat heeft men in orthodoxe kringen Dr. Wumkes nogal kwalijk genomen, dewijl meu niet begreep, hoe een rechtzinnig predikant, die in Sneek tegenover zijn eigen collega's evangeliseert, nu zoo plotseling zich er voor ging warm maken om de modernen toch vooral in niets te bemoeilijken.
Men heeft er over verbaasd gestaan en men heeft te Sneek Dr. Wumkes min of meer ter verantwoording geroepen. Daar schreven we vroeger reeds iets over.
Maar nu heeft Dr. Wumkes, na die vergadering, waarop hij zich nader zou verklaren en zich zou verantwoorden, een brochure uitgegeven: , Dienst der verzoening", (bij A, J. Osinga, Sneek) en daarover wilden we toch nog een enkel woord zeggen.
't Is daar te Sneek nogal hoog geloopen.
In het inleidend woord zegt de schrijver; „Kerkelijk Nederland heeft er zich over verbaasd, dat een predikant, die zich het meest geestverwant voelt aan Dr. F. Kohlbrügge, met vrijzinnige Kerkeraadsleden van zeer uiteenloopende overtuiging, het bekende adres richtte aan de Synode inzake art. 39. Men heeft die daad verklaard voor een verloochening van Christus, voor verraad aan zijn zaak, voor een uiting van kleurloos Christendom, voor doorvloeiïng, ja het gerucht ging, dat ik modern was geworden."
Men ziet, er is nogal gepraat over de houding van Dr. Wumkes.
Nu, dat verheugt ons. 't Blijkt, dat de Gemeenteleden er gelukkig niet toe kunnen komen, om een dergelijke daad van een rechtzinnig predikant wijs en verstandig te noemen. De Gemeente voelt, dat hier de predikant verkeerd gaat. En er is nog overtuiging genoeg, dat men tegen dergelijke handelwijze protesteert. Men duldt het eenvoudig niet.
En wat antwoordt Dr. Wumkes nu in zijn brochure „Dienst der verzoening"?
Allereerst, dat hij een Kolilbrüggiaan is! „De leeraar uit EIberfeld heeft sedert lang met zijn diepe kennis van zonde en genade beslag op mij gelegd", zoo schrijft hij.
Dat wisten we niet.
We dachten dat Dr. Wumkes „ethisch" was — en toen we er anderen naar vroegen, dachten die anderen, óok predikanten, óok dat Dr. Wumkes „ethisch" was.
Hierin hebben we ons dus vergist en vragen we Dr. Wumkes excuus.
Verder zegt Dr. W. dat hij in alles precies dezelfde is gebleven. „Laten alle bezorgde menschen weten, dat mijn denkbeelden aangaande de dingen Gods, aangaande de verhouding tusschen rechtzinnigen en vrijzinnigen, aangaande de lidmatenbevestiging, dezelfde zijn gebleven."
Hoe dan zijn tegenwoordige houding bij zijn samengaan met de modernen verklaard moet worden?
1e. zijn bij al de groote gebeurtenissen op 't wereldrond onze kerkelijke geschillen o zoo nietig — zegt Dr. W.
Da's een ongelukkig standpunt, vinden we. Want de wereldellende is mee te verklaren uit het afzakken van de Kerk van Christus van haar fundament, dat door God gelegd is. Daar komt een geest, ook in 't midden van de Gemeente, die niet uit God is. Een geest die aftrekt naar het materialisme, die heen trekt naar wereldgelijkvormigheid, die ook ontkent wat altijd vast stond, die loochent den Christus der Schriften.
En zouden nu ernstige christenen te midden van het vreeselijk wereldgebeuren gaan zeggen: de geschillen op 't terrein van de Kerk, de kwesties rakende de dingen van Gods Koninkrijk, de vragen aangaande den weg der waarheid en des levens, de strijdpunten rakende den Christus Gods komen ons o! zoo nietig voor?
Immers dat mag niet!
Neen, juist zal het van den Heere zijn af te bidden, dat de Kerk des Heeren in alle landen, dat onze Herv. Kerk in Nederland, weer mag terugkeeren tot" de woorden des eeuwigen levens en dat de Kerk van Christus weer mag gaan leven naar haar aard, zijnde Zijn lichaam, waarvan Hij 't hoofd is.
Deze kwesties zijn niet nietig.
Dat maakt de duivel ons wijs.
Juist omdat het raakt het groote levensprobleem is het groot, ' allergewichtigst, ons aller aandacht ten volle waardig.
't Gaat over de Kerk, die moet srtaan als een pilaar en vastigheid der waarheid.
't Gaat over het licht, dat op den kandelaar behoort te staan tot verlichting van land en volk. 't Gaat over het zout, dat niet smakeloos mag worden, daar het anders niet tot behoud is maar op de mesthoop geworpen wordt.
Hierin gaat Dr. Wumkes dus verkeerd. Maar wat erger is, hij beweert dan in de 2de plaats dat, waar Golgotha voor hem 't middelpunt der wereld is en hij gegrepen is door de macht der eeuwige liefde Gods die voor hem is belichaamd in den Gekruiste, alle mogelijke verschillen tusschen menschen en menschen, ook tusschen orthodoxen en vrijzinQiKen ten slotte wegvallen, waarbij hij tot allen wil gaan met dat evangelie der verzoening.
Daarin ligt een heerlijke waarheid.
Wat baat het ons of we man of vrouw zijn, heer" of knecht, orthodox in belijdenis of vrijzinnig in overtuiging?
Ten slotte zijn we allen verloren voor God vanwege onze aangeboren en dadelijke zonden. Ea daarom, wie we ook zijn, we zullen allen door de poorte van vrije genade, door het bloed van Christus, als arme zondaren behouden en verzoend en verlost moeten worden.
Maar het is een domme en onvergeeflijke fout van een dominé als hij bij dien dienst der verzoening gaat zeggen verzoeningsgezin te moeten zijn tegenover de moderne belijdenis, die de godheid van Christus loochent en de verzoenende kracht van het bloed des kruises ontkent.
Die redeneering begrijpen we niet.
We dachten, dat uit zijn beweren aangaande den dienst der verzoeningjuist volgen moest, naar uitwijzen van de Schrift, dat we onverzoenlijk moesten staan tegenover alle geesten die niet uit God zijn, tegenover alle leeringen die tegen het evangelie des kruises ingaan, tegenover alle richtingen en partijen die de goddelijke waarheid in deze verdraaien of ontkennen.
Juist, omdat we gelooven dat de eere Gods er mee gemoeid is, de eere van den Christus en het heil van onsterfelijke zielen, mogen we hier geen waarheid en leugen officieel naast elkander stellen en laten voortbestaan.
Het raakt het wezen der Kerk.
Het raakt het heil van Sion.
Het raakt God en menschen.
Wanneer we dat uit het oog verliezen en den eenvoudigen bijbelschen weg niet willen bewandelen, dan worden we wijzer dan God zelf, dan worden we meer verdraagzaam dan Gods Woord is, dan zullen wij een beteren weg banen dan ons is voorgeschreven in het Goddelijk getuigenis!
En dan komen we tot allerlei gróote woorden, die o zoo groot en zoo verstandig en zoo lief en zoo goed schijnen, maar die in werkelijkheid o zoo klein en zoo dwaas en zoo verkeerd zijn. Dan komen we b.v. tot woorden, gelijk Dr. Wumkes neerschrijft: „alleen in den weg van het offer zal de orthodoxie de heterodoxie overwinnen en opvoeren tot meerderen geestelijken rijkdom. Daartoe zal zij afstand moeten doen van allerlei Kerkbegrippen en systemen, van alle aandringen op leertucht, zal zg haar doctrinair kleed moeten afleggen en als een stille Godsvriend naast den andersdenkenden broeder op één bank moeten gaan zitten, hem vertrouwend in de oogen zien, hem leeren verstaan in zijn twijfel, strijd en afdwaling. Dat is Eeuwigheidswerk. Het geloof in Christus knutselt niet met reglements-artikelen, maar grijpt de overwinning, ziende op Hem die over alle machten der duisternis heeft getriomfeerd. Om Christus' wil ga dan ook, hoe eerder hoe beter, dit Synodale voorstel van de baan, dat tweespalt brengt, de Kerk verscheurt en vaneen rijt wat één kan zijn in Christus enz." (blz. 8 en 9.)
We maken ons sterk, dat ieder lid onzer Kerk, die op den bodem onzer Geref. belijdenis staat, dit lezende, zal uitroepen: wat onzinnige redeneering is dat!
Dan zijn al de vermaningen des Heilands en der discipelen in zake onderscheid maken van waarheid en leugen, in zake verwerping van dwalingen, in zake zuiveren van het gemeenteleven — dan zijn al die woorden, in de Schrift ons bewaard, te beschouwen als peuterig, kleinzielig, stumperig, zondig, eigenzinnig en hoogmoedig knutselwerk, dat niet sterk genoeg te veroordeelen is.
Wat dwaas om hier, waar 't het handhaven van de belgdenis der waarheid in het midden van de Kerk van Christus betreft, te gaan spreken van „op éen bank te gaan zitten" van „grijpen van de overwinning".
De dienst der verzoening kan niet verzoeningsgezind zijn tegenover de loochening van den Christus der Schriften. En het offer van Christus vraagt ons op te komen voor de waarheid door den Heere zelf ons toebetrouwd.
De „verzoening" vraagt geen wegdoezelen van beginselen.
Het „offer" duldt de loochening van het kruis niet.
Daarom is ook het slot van de brochure zoo dwaas.
Daar lezen we: „Maar ik moet eindigen. Ik doe het met de legende van Selma Lagerlöf, die verhaalt van Petrus' moeder, dat zij Wet naar den hemel kon opstijgen, omdat zij zich onderweg de arme zielen, die zich aan haar vastgeklemd hadden, van den hals had geschud." Waarbij Dr. Wumkes dan de toepassing maakt: wij, rechtzinnigen, moeten de vrijzinnigen met ons zoeken opwaarts te voeren. Wij zullen niet zonder hen voor Gods aangezicht mogen verschijnen. Dateischt de dienst der verzoening in Jezus Christus, onzen Heer."
Wat worden de dingen hier weer verward en scheef getrokken!
't Gaat immers niet over de roeping welke de een tegenover den ander heeft; maar 't gaat over de Kerk en haar belijdenis.
En mag nu de rechtzinnige meedoen om de kerk dubbeltongig te doen spreken? Om ja en neen tegelijk te zeggen ? Mag de rechtzinnige meedoen om te verhinderen, dat de Kerk zich naar haar aard en wezen openbaart? Mag de rechtzinnige meedoen om te bestendigen, dat in onze Herv. Kerk in hetzelfde kerkgebouw door den een wordt afgebroken wat door den ander wordt opgebouwd? Mag de rechtzinnige meewerken, dat de gemeenten zullen worden verwoest en verward en dat de rechtzinnigen in prediking, sacramentsbediening en opzicht over de gemeente worden bemoeilijkt zóo, dat het gevaar niet is uitgesloten om buiten de Kerk te worden gezet?
Immers neen!
En ja, dan is een geheel andere kwestie welke taak de Ned. Herv. Kerk, die er een belijdenis op na houdt en ook naar die belijdenis moet leven onder een gereformeerde kerkorde, — welke taak die Kerk heeft tegenover onverschilligen, materialisten, modernen enz.
Zeker, wanneer de Herv. Kerk niet verstond een roeping te hebben tegenover het verlorene, tegenover het afgedwaalde, tegenover allerlei secte, tegenover Jood, heiden en Mohammedaan — zeker! dan zou de legende van Selma Lagerlöf haar moeten worden voorgehouden.
Maar men moet niet met deze legende komen aandragen als het gaat over deze vraag, of de Herv. Kerk ook heeft te waken voor haar belijdenis en heeft te strijden voor haar leven.
Neen — laat Selma Lagerlöf dan maar thuis en lees liever de 48ste Zondagsafdeeling van onzen Heidelberger; of ook de 31ste; of ook art. 71—81 van de Dordtsche Kerkorde; of ook art. 27—32 van de Ned. Gel.bel.; of ook de pastoraalbrieven, waar men bemerken kan hoe Paulus schrijft aan Timotheus en Titus.
We maken ons sterk, dat ook Dr. Wumkes, hoe knap hij overigens zijn mag, daar niet vinden kan dat op het terrein van de Kerk van Christus, waar de dienst der verzoening gekend wordt, de leugen met de waarheid moet worden vermengd of gelijke rechten moet worden toegekend aan het belijden van den Christus Gods en het loochenen van Dien.
En daar gaat het om.
Niet om het werk, dat door de Kerk verricht moet worden om zondaren te brengen tot kennis der waarheid.
Dat is een gansch andere kwestie.
Och, dat die verwarring van begrippen toch eens een einde mocht nemen!
Laat men toch leeren verstaan, dat de Kerk den naam van Christus heeft te belijden, dat zij de belijdenis der waarheid heeft te eeren, te handhaven en heeft uit te dragen.
Laat men toch verstaan, dat de Kerk als een getrouwe getuige heeft te spreken en heeft te staan als een pilaar en vastigheid der waarheid.
Och — dat de Kerk toch niet verteerd werd door de leugen-en dwaalleer, die men maar vrij laat voortwoekeren in stad en dorp.
Dat de Kerk des Heeren in dezen lande toch eens mocht wassen en toenemen in kennis, in grootte, in genade bij God en bij de menschen.
Dat onze krachten toch eens niet langer werden verteerd door onderlinge twist, maar dat we al onze krachten eens mochten gaan wijden aan de innerlijke levenssterking, aan den opbouw van Gods Kerk, aan de verdieping van het geestelijk leven der massa, aan de worsteling om de volksziel weder te brengen onder het licht der waarheid, ons gegeven in Gods Woord en nader uiteengezet in onze belijdenisschriften.
Dat hooge ideaal wenkt ons.
En een dubbeltongige Kerk kan daar nooit iets van bereiken.
Die maakt dat de Kerk kwijnt en het volk verloren gaat.
Wee de ure, dat zij aan de poorte des hemels zal staan!
De sleepboot
't Is in den laatsten tijd nog al eens van verschillende zijde geconstateerd, dat de Geref. Bond dienst doet als sleepboot.
En wel om de Confessioneele Vereeniging voort te trekken.
Ignotus (Dr. Kromsigt) heeft het onlangs in Troffel en Zwaard geschreven, dat de Confessioneele Vereeniging uit de richting was gegaan door zich door den Geref. Bond op sleeptouw te laten nemen.
Dr. Bronsveld heeft het in de Stemmen voor B Waarheid en Vrede nog eens onderstreept.
En op de laatste jaarvergadering van de Confessioneele Vereeniging te Utrecht is het weer uitgesproken.
Dus het zal wel zoo zijn. Wij willen daar voor 't oogenblik niets naders van zeggen.
We willen het feit alleen constateeren. Het feit, dat de Geref. Bond de Confessioneele Vereeniging in de Bondswateren heeft gebracht.
We komen daar later wei op terug.
We achten 't nu voldoende om mee te deelen wat anderen hebben waargenomen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juni 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juni 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's