De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

7 minuten leestijd

Tegen het vloeken.

Prof. Dr. Bavinck heeft op 10 Juni in de Eerste Kamer een kloek woord gesproken over het vloeken en het bezigen van ruwe taal in het leger.

Door den Minister was eene beschikking genomen, waarin wel niet werd uitgesproken dat het vloeken, gelijk die bewindsman in de Tweede Kamer uitdrukkelijk had verklaard, verboden was, maar dat uithoofde van het nuttelooze, onbeschaafde en aanstootgevende, de Minister op grond daarvan den militairen verzocht zich van vloeken te onthouden.

De afgevaardigde uit Zuid-Holland noemde de overwegingen nutteloos, onbeschaafd en aanstootgevend, waaraan hij ook welwaarde hechtte, overwegingen van secondairen aard. Wie tegen het vloeken ingaat, aldus zeide Dr. Bavinck, moet het bestrijden op grond dat het is tegen de eere Gods en de heiligheid van Zijn Naam. Wanneer de Regeering royaal, vierkant en met beide voeten op dit standpunt zich stelde, zou zij in den strijd tegen vloeken en ruwe taal in het leger wel terdege succes kunnen behalen.

Op dit standpunt kan de Regeering zich plaatsen, ook al aanvaardt zij de Ohristelijlj beginselen niet als uitgangspunt voor hs politiek beleid. „Immers het verbod om de Naam des Heeren ijdellijk te gebruiken zoo stelde het Eerste Kamer-lid de kwestie-, is niet eerst gegrond op een specifiek Christelijk dogma, is niet een verbod alleen aan, genomen en erkend door de anti-revolutjonaire, de Christelijk-Historische en de Roomsch-Katholieke staatspartijen, maar het is gegrond in die zedewet, waarop wij allen staan. Het is gegrond in die zedewet, welt reeds in de dagen des Ouden Testamec bekend was en nog in deze dagen door Joodsche volk wordt geaccepteerd; in die zedewet, welke ook door de linkerzijde ge, huldigd wordt als bevattende het groote beginsel: de liefde tot God en de liefde tot den naaste. Het is, om er niet meer van te zeggen, die zedewet, welke de grondslag voor Eegeering, volk en maatschappij. Wanneer de Regeering zich op dat standpum stelde, geloof ik, dat zij de waarheid zon ondervinden van het woord, dat de zonde ook het vloeken, een schandvlek is der natiën maar dat gerechtigheid een volk verhoogt,

Wij danken Dr. Bavinck voor zijn uitnemend woord. Jammer dat de Minister van Oorlog zich niet bij hem aansloot, maar de vrees uitsprak, dat, wanneer hij — daargelaten dat hij het op de wijze, zooals de anti-revo. lutionaire afgevaardigde dit deed, niet zou kunnen doen — eene circulaire uitgaf, die den geest van het gesprokene ademde, daarmede anderen aanstoot zou worden gegeven,

Het Kabinet vreest wel om anderen minder aangenaam te zijn. Eerst was het bij de bespreking over het uitschrijven van een nationalen bededag en thans weer bij hei opkomen tegen het ijdellijk gebruik van den Naam des Heeren.

De voorwaardelijke strafopschorting

Er wordt niet zonder grond over geklaagd, dat in den laatsten tijd op allerlei wijze aan de Christelijke grondslagen van ons volksleven schade wordt toegebracht.

Eerst kwam de Regeering met haar voorstel tot nadere regeling van het eedsvraagstuk, waarbij de hangende moeielijkheid opgelost werd ­ op eene wijze, die een stap nader deed tot de algeheele losmaking van den band, die het volk aan het recht Gods bindt.

Daarna deed de Hooge Raad bij arrest uitspraak, dat de Begrafeniswet de lijkverbranding niet beslist uitsluit en was het de Regeering, die, nadat dit uitgemaakt was, de voorstanders van de crematie een handje hielp om met goede orde het verbranden van lijken in het crematorium te Westerveld mogelijk te maken.

En eindelijk — om niet van meer dan deze drie onderwerpen gewag te maken — zal de rechter voortaan de bevoegdheid bezitten om een op te leggen straf slechts voorwaardelijk uit te spreken.

Niet minder dan de eerste twee aangelegenheden is ook wat men noemt de voorwaardelijke veroordeeling of wel de voorwaardelijke strafopschorting, eene zaak van groote beteekenis. Met dit instituut doet het moderne beginsel zijn intrede in ons strafwetboek. Dat . moderne beginsel kent geen vergelding, de dader is geen schuldige maar product van de omstandigheden of van de omgeving waarin hij leeft.

Daartegenover staat het Goddelijk beginsel, dat straf allereerst dient tot herstel van de geschonden gerechtigheid. Het is de plicht van de, Overheid om die geschonden gerechtigheid te herstellen, wat verkregen wordt door hem, die het misdrijf beging, te doen boeten door het opleggen van straf door den rechter, die in Gods naam het vonnis velt.

Naar het Woord Gods is de onverbiddelijke eisch der gerechtigheid dat het kwaad, dat bedreven wordt, met straf vergolden wordt. Met dat beginsel — de vergeldingstheorie — is volkomen in strijd wat nè loslating der Christelijke levensopvatting beleden is geworden, eerst de handhaving van het recht uit de utiliteits-idee „van verdediging van de maatschappelijke orde" en daarna de nieuwe rechtsgrond, zooals deze zich in de voorwaardelijke strafopschorting voordoet, „de verbetering van den misdadiger."

Het voldoen aan dezen eisch der gerechtigheid sluit natuurlijk niet uit, dat bij de bepaling van de mate van straf behalve op de daad ook op den dader gelet wordt. Dit is geen modern beginsel, maar is in de Christelijke Kerk steeds voorgestaan. Het was Gods Zoon, die, aan het kruis genageld, de voorbede deed hooren, waarin Hij vergeving voor Zijne vijanden vroeg, omdat zij niet wisten, wat zij deden. Onze groote reformatoren hebben er steeds op gewezen dat de clementie moet verbonden zijn aan de justitie.

Maar dan gaat de justitie aan de clementie vooraf.

Natuurlijk staat buiten dit geheele geding het instituut van de gratie. Het recht van gratie heeft met de vergeldingsleer en met de voorwaardelijke strafopschorting niets uitstaande. De rechter legt siraf op en de Overheid bewijst genade. Gerechtigheid en genade zijn niet iets gelijksooytigs. De toepassing van het recht van gratie doet niet te kort aan het feit dat de begenadigde schuldig is verklaard.

Op het misdrijf moet straf volgen. Maar dat gebeurt niet bij toepassing van het moderne beginsel der voorwaardelijke strafopschorting. Sommigen onder de voorstarlders van deze nieuwe begrippen in het strafrecht willen het wel doen voorkomen alsof vervolging en veroordeeling op zichzelf reeds straffen zijn, zoodat hij, die een misdrijf beging, uit dien hoofde reeds leed ondergaat. Maar dit is niet zoo. Want ware het juist dat vervolging en veroordeeling als straffen te beschouwen zijn, dan zouden zij in de strafwet ook als zoodanig moeten zijn opgenomen. En hoe zou het met een beklaagde gesteld zijn, die b.v. in eerste instantie veroordeeld werd en in tweede instantie wordt vrijgesproken? Zulk een zou reeds door het veroordeelend vonnis in eerste instantie, zoo de veroordeelicg straf is, gestraft zijn geworden.

Neen, zij, die in vervolging en veroordeeling straffen zien, probeeren zich daarachter te verschuilen ten einde een vrijbrief te hebben om het kwaad niet te moeten straffen.

Wat bedoelt nu de voorwaardelijke strafopschorting? Bij dit instituut zegt de rechter tot den beklaagde: gij zijt schuldig, gij hebt die daad gedaan en daarop staat die straf; maar ik kan u niet beoordeelen, maar moet eeist zien hoe gij u gedurende eenigen tijd gedraagt. Blijkt het dan dat gij aan de gestelde verwachtingen voldoet, dan wordt u de straf kwijtgescholden en gaat gij vrijuit. Bij het volgen van dezen weg van de criminologie is het einde niet te overzien. De grondslagen van het strafrecht worden ondermijnd.

Met het aanvaarden van de moderne strafrechtstheorieën komt de vergeldings-idee te vervallen. Met schuld en straf wordt niet meer gerekend en daarmede de eiseh van Gods Woord, dat de gerechtigheid zal gehandhaafd worden, op zijde gezet.

Terecht hebben dan ook de antirevolutionairen, zoowel in de Tweede Kamer als de vorige week in de Eerste Kamer zich als één man tegen de voorwaardelijke strafopschorting verzet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juni 1915

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juni 1915

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's