Twee bouwers.
Als zoodanig treden ze ons tegen, die twee mannen uit de gelijkenis van het huis op de rots en dat op den zandgrond. En in hen spiegelt de Mond der Waarheid ons het leven van den dader des Woörds en van dien die buiten dat Woord om handelt, zijn levenshuis optrekt. Zijn het op een andere plaats vrouwen, die in een roerend beeld teekenen wat wijs en dwaas is tegenover de diagen der eeuwigheid, hier treden mannen op, bouwers, arbeiders, om het wijze en dwaze te merken in het milieu dezes aardschen levens.
Zij gingen beiden uit om hun huis te bouwen, en de een was daarbij voorzichtig, de ander dwaas. Voorzichtig, of zooals het woord letterlijk beteekent: gebruikend het geschikte middel. Let op hun gang in dat Oostersche landschap, waarover immers de gelijkenis van het zaad ons nader inlicht, dat de bodem hier zand en er soms vlak naast rotsachtig is. De een was gauw klaar, hij zocht niet lang; wat voor oogen was besliste, zijn natuurlijk oppervlakkig inzicht bepaalde zijn keuze, 't Ging hem misschien als Lot en de schoone schijn besliste. En als hij reeds met haastigen spoed dé hand aan het werk slaat, vervolgt de ander nog zijn weg, en zoekt, en boort met zijn staf, tot ook hij stil staat; hij heeft den rotsgrond gevonden ; een vasten grondslag voor zijn bouwwerk. En hij, de dwaze bouwer, legt zijn fundament in het beweeglijke zand: 't Kost weinig tijd en zorg en arbeid zoo'n grondslag; 't kost hem minder moeite en zweet dan zijn kameraad, die nog houwt en hakt in de diepte, terwijl hij reeds aan het optrekken is. Hij is er al „boven op" en meewarig, met een medelijdend lachje, ziet hij dien ander delven, knielen en bukken. Als er een van de twee dwaas moet heeten, dan toch niet hij, die, reeds onder eigen dak staande, toeziet hoe de tweede hijgt en steunt onder grauwe rotsblokken, die hij samenvoegt. En de toeschouwende, voorbijgaande reiziger, zal waarschijnlijk wel het vroolijke huisje in het vriendelijke dal met meer welgevallen aanzien, dan dat grauwe ding daar hooger op. En toch ... Het zoeken niet alleen, ook het bouwen verraadt den voorzichtige. Want wel naoge de eerste denken, dat zonneschijn en zacht weer wel duren zullen, de zomer wisselt voor den herfst, en de »ongunst der tijden" kondigt zich aan in slagregens en rukwinden.
„Alleenlijk zie op hunlieder einde." 't Geldt helaas ook hem, en als de watervloeden aanbruisen en alles omwoelen, dan verduren deze fundamenten de kracht der elementen niet. En wie zag wat toen gebeurde, vertelt aan anderen hoe groot de instorting van dit huis wel was. Zijn val was groot. Of hij zelf bedolven werd ? ... Lezer, dat bedoelde deze gelijkenis niet u voor te stellen, 't Ging niet over het behoud van den mensch; wel van den arbeid, van het huis, zooals dat andere daar nog staat ... op de rots.
In die twee arbeiders komt tweeërlei beginsel naar voren. Plaatsten we ze in de omlijsting van onzen tijd, me dunkt ge zoudt den eenen als een trouw lezer van: de „Opwaarts, of de Voorwaarts, of de Blijde Wereld" of dergelijke vinden. En de andere?
Gij begrijpt immers het beeld wel, van een stok en een staf, die vertroosten ? Welnu: die voorzichtige arbeider zingt: Uw Woord is mij een lamp voor mijnen voet. Hij doet en luistert naar dat Woord, 't welk ook wil zijn een Licht, om het donker op te klaren in die wereld van den arbeid, waar tweeërlei beginsel scherp tegenover elkaar uitkomt. In de moderne arbeidersactie, waar het beginsel van den geest dezer eeuw eenerzij ds en de Christelijke levensbeschouwing anderzijds stuwkracht en leidsster wil zijn, tot verheffing van den arbeid en van den arbeider en van „den vierden stand."
Zoo verrijst naar tweeërlei plan de verschillende optrek van het complex dier begrippen, de belichaming van die arbeiderswenschen, waarin huist hun bijzondere levenssfeer. In dat huis zien zij uit naar dien zoo gewenschten vriend, welke heet: Geluk. —
Den grond, dien zij zochten, is hun uitgangsprincipe, het beginsel waarop al het andere steunt. De een nu ziet aan wat voor oogen is, zijn blikt reikt niet verder dan het stof. Wat zal ik eten en drinken staat in het middelpunt van zijn leven. De tweede zoekt en delft in een wereld, verborgen voor het licht der oogen, nochtans voor hem realiteit, vastheid als die van de rots.
De eerste, de materialist, bevangen door dien geest der ontkenning die hem wijsmaakt, dat de bestaangrens der dingen begrensd is door de draagkracht der zinnen. Ook deze dwaas zegt: Daar is geen God. In hedendaagsche taal overgebracht, ziet hij in zijn brood en zijn loon slechts een stoffelijk ding, één der schakels van de productiewijze, een handel tusschen arbeid en kapitaal. Hij ziet in deze verhouding slechts een beurscijfer, een marktprijs, een koers. Het loonvraagstuk is hem een materieel vraagstuk.
Zijn medearbeiders zijn evenals hij verlengstukken van de machine, samen heeten zij proletariërs. Van het zedelijke en geestelijke kan hij niet leven, en de kinderen worden er niet warm van. Hij weet ook wel dat er godsdienst bestaat, maar ze is hem een walging, een fopspeen om kinderen zoet te houden. Hij is de zelfbewuste strijder yoor het materieele. Uit hem groeit, als hij in de 20ste eeuw geboren is, de volbloed S. D. A. P.er.
De wijze, de voorzichtige heeft zijn grondslag gevonden in de Rots welke is Christus. Hem is het brood nog wat anders dan stof. De geest dezer eeuw lacht hem uit, de tijdgeest geeft hem ongelijk, maar hij kent deze als de kracht der dwaling, als den leugenaar, die bedriegt. Hij weet dat de maatschappij is een zedelijke gemeenschap, een maatschappij van menschen, uit éénen bloede, die leven moeten voor en door elkaar, samenleven. Menschen allemaal, werkgevers en arbeiders, verbonden door zedelijke rechten naar het beginsel der persoonlijke verantwoordelijkheid voor God én der liefde tot den naaste.
Het brood vraagstuk is hem een vraagstuk van menschelijk leven, dus een zedelijk vraagstuk (Ds. Sikkel in: Het Loon der Werklieden.)
Er bestaat voor hem nog ideëel loon, waarvan men niet eten kan en toch leven. Immers de mensch zal bij brood alleen niet leven. Ja er is ideëel loon, b.v. vrede en vreugde van den arbeid. Dat loon bestaat niet meer voor den dwazen bouwer; hij snakt naar strijd. Doch voor den wijze wel, omdat hij staat op de Rots.
In Smeenk's werk: „Voor het sociale leven" beschrijft Adolf Levensteins Die Arbeiterfrage, het droevig resultaat der enquête naar die vreugde in den arbeid. En in elk antwoord, dat gegeven werd, klinkt tot u doffe, droefgeestige, drukkende weerzin tegen den dagelij kschen arbeid. En dan komt zoo treffend het antwoord van een mijnwerker, die dit bescheid gaf: „Ja om den wille van mijn Heiland, die zich voor mij aan het kruis heeft laten nagelen en daarmee den arbeid verlost en geadeld heeft." Hij stond op de rots, en in elk ander antwoord gruwt u toe, wat de zonde deed, die het zand verkiest boven de rots. Daardoor worden alle verhoudingen scheef, daardoor springt het alles uit zijn voegen, daardoor wordt ook geroofd dien kostelijken vrede van den arbeid.
Men bouwt op zand, op het beweeglijke, onvaste der menschelijke redeneering. De dwaze bouwer bouwt op een recht, dat niets anders is dan macht en geweld. Dat wordt dan een strijd, wie de sterkste zal zijn, dat wordt klassenstrijd.
De verhoudingen op het terrein van den arbeid worden bezien uit ijdel philosophisch standpunt van menschen, die niet rekenen met God en Zijn Woord. Dan wordt de oerbron van lavensnood gezocht buiten de zonde en men maakt zich een zondebok, het kapi talisme. Zoo bouwt de dwaze zijn huis.
De ander bouwt op de Rots, welke is Christus. Op recht en gerechtigheid, die de vastigheden zijn van Gods troon, waarop eeuwige Liefde heerscht. Hij gelooft in het recht van dien rechtvaardigen Rechter, die ook op dit terrein naar Zijn Woord verlossen zal uit socialen nood door recht. Hij weet, niemand kan een ander fundament leggen dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus, de Rots. Hij weet, dat op den bodem van zooveel vragen in de arbeiderswereld ligt het feit der zonde.
Er is een groote beweging geweest in de wereldhistorie, die geleid heeft tot de verheffing van den derden stand. Daarmee sluit zelfs een tijdperk in het leven der volkeren van Europa af. De tweede helft der 19e eeuw geeft 'een nieuwen strijd te aanschouwen. Met het fabriekwezen is het aanzijn geschonken aan een „vierdenstand, " die der arbeiders, en zoo is begonnen de sociale strijd, waardoor een proces van ingroeien in de andere verhoudingen, die bestonden, plaatsgrijpt. En dadelijk kwam het stelsel van het socialisme zich opwerpen als de bouwer van het gelukshuis voor den arbeider. En ook het Christendom ging uit om een weg te vinden, waarop gerechtigheid en vrede elkaar met een kus kondfen begroeten. De dwaze bouwer was dadelijk klaar. Marx, de fundamentmaker, had zijn zandgrondslag dra gelegd.
Het kapitaal was diefstal. Weg het Woord der Schrift: Rijken en armen' ontmoeten elkaar. God heeft ze beiden gemaakt, want heuvels en dalen moesten genivelleerd inde leuze der gelijkheid. Toch moet ook dit Schriftwoord niet verkeerd verstaan door de Kerk zelf. Of staat hier slechts in de erkenning dat ze er beide volgens Gods wil zijn? Beteekent dit woord: ontmoeten niet iets, , dat wg vergeten. Moet het niet opgevat als: bejegenen? als: elkaar goed behandelen? We zouden zeggen bij vergelijking met de Duitsche vertaling: begegnen, dat hier meer staat dan zoo oppervlakkig wordt vermoed. Zoo begrijpen we de stem van dien Rechtvaardigen Rechter, die daarin vermaant, immers Hij heeft ze beide gemaakt en daarom hebben ze beide hun toegewezen plaats, hun rechten.
Weg het verschil in de beoordeeling van geestelijk werk en handenarbeid. Om ook het zedelijk, het geestelijk, ja het godsdienstig leven te verklaren, werd in het historisch materialisme, dat alles terugherleid tot en verklaard uit de maatschappelijke toestanden. De Staat zou worden het dak boven ieders huis. Het Socialisme zou het Evangelie voortaan zijn.
Zoo bouwde de dwaze man zijn huis: het fundament: het Marxisme, de geheele optrek in revolutionnairen stijl; de beschildering, die het geheel toonbaar moet maken revisionistisch. De roode vlag er boven op als internationaal teeken en oproep tot wereldverandering, tot den menschengeest om touwen en banden te verbreken, waarmee huidige verhoudingen hem binden. Oproep tot strijd om macht in de eerste plaats. Tegenover het vaak voorkomend onrecht van het kapitaal, het nieuwe onrecht van massageweid. Dit huis is op den zandgrond gebouwd.
Reeds kwam een rukwind, de groote wereldoorlog gierde als een stormvlaag door alle landen en bonsde tegen ieders huis. En ook de roode vlag moest het ontgelden, ze woei weg. De kracht der internationale verdween met haar op de vleugelen van den wind. Maar de schok ging dieper en schudde de fundamenten. Men kon voelen dat inderdaad het huis stond op zand. 't Werd van binnen uit het huis zelf in de straten verteld. Mr. Troelstra bespreekt in zijn oorlogs-brochure het onvoUdoende van het historisch materialisme als levensbeschouwing. Hij erkent: de diepere instincten en behoeften der menschelijke persoonlqkheid vallen buiten zijn sociologisch gebied. Het laat daarom de meer intieme roerselen der menschenziel onbevredigd en ziet de persoonlijkheid van den mensch slechts van éen kant. Het levert niet: een krachtige, de persoonlijkheid vormende en verheffende ideologie en onthoudt haar die wijding, die uit het besef van eenheid en verbinding met kosmische krachten boven het louter maatschappelqke ontstaat. Het kan dan ook op den duur den religieuzen aanleg der menschen niet bevredigen." Zijn dat geen verpletterende oordeelen over den grondslag van dit huis. En precies juist gezegd. Daarom is de optrek zoo revolutionnair in geestelijken zin. Welk een architectuur: geen eenheid, geen vastheid, geen diepere bevrediging, zoodat het één rust op het ander en alles rust op een levensbeschouwing, die ons zelf rust geeft. Dit zal het gevolg zijn, meent de critiker van eigen huis: Het zoeken naar aanvulling (in philosopischen of Christelijken zin) zal door dezen oorlog worden versterkt. Zoo woedt de storm om dit huis op den zandgrond en ligt het af van zijn fundament. Er waren trouwens al zulke groote scheuren merkbaar vlak boven de fundeering, immers reeds lang werd het Marxisme als onwetenschappelijk, onsoliede, door de sociologe denkers van allerlei richting beschouwd.
De andere bouwer was voorzichtig. De Christelijk-sociale actie is zeer voorzichtig geweest. Met den staf van het Woord heeft men gezocht. Echter vaak was men te voorzichtig of te laksch en zoo kreeg het ongeloof op dit terrein een voorsprong. Men kon zich vaak op het juiste oogenblik niet herinneren dat het Christelijk beginsel een zuurdeeg was en men huiverde om de Banier des Kruises te ontplooien op het veld van den arbeid. Men verstond de teekenen der tijden niet en durfde het Woord niet vrijuit te laten spreken. Toch heeft men niet stil gezeten.
We denken aan Engeland, waar de sociale beweging reeds vroeg op zeer hoog peil kwam en waarvoor van niet te onderschatten beteekenis is geweest de zegenrijke arbeid van Christelijk-sociale mannen als Maurice, Kingsley, Ludlow, Hughes en anderen (Smeenk.) En hun prediking kon vat hebben op de menigte, omdat die breede scharen nog niet losgescheurd zijn van de Kerk. Er zijn meer voorbeelden in andere landen te noemen, waar een gezonde Christelijke actie werd gevoerd. Doch de totaal-indruk blijft: er is achterstand, de bouwers waren te voorzichtig. En toch de sociale quaestie is er eene van zedelijk recht, deze moet en kan uitgewezen door het Woord, waarin de eeuwige rechtsbeginselen vastliggen als latente krachten waaruit de ordinantiën Gods vloeien als de nood der tijden slaat op de rots.
Zoo kreeg Oud Israël zijn Mozaïsche wetgeving met haar forsche gerechtigheid, zoo ook kreeg de prediking der latere profeten sociale beteekenis.
Eu zoo kan ook het sociale vraagstuk van dezen tijd in zedelijken weg oplossing vinden. Niet door kracht of geweld maar door 's Heeren geest, dus in den geest van Christelijke gerechtigheid. Deze moet het pleit beslechten en de wanverhoudingen wegruimen.
Dus door zedelijke middelen. Daarom heeft het Christen-socialisme reeds de plank rnisgeslagen, omdat zij in het arsenaal van den vijand wapens haalde. Het fundament der sociale gerechtigheid is en blijft Jezus Christus en de grondwet voor de samenleving blijft vervat in Zijn: Gij zult God liefhebben boven alles en den naaste als uzelven. Al is de kracht van dit woord helaas verminderd omdat het door algemeene bekendheid slechts nog maar een klank is, een gemeenplaats zonder inhoud, toch omvat dit woord het ideale plan, waarnaar het huis der sociale gerechtigheid moet verijzen. Op deze rots moet het gebouwd. In de eerste plaats moet met God gerekend. Hij heeftallen menschen Ie vensnood opgelegd, waarvan niemand verschoond blijft. Er is krankheid, verzwakking, ouderdom, weduwstaat en verweezing. Dat geeft zorgen voor allen, want elk huis heeft zoo zijn kruis. Geen sociale wetgeving kan de straf der zonde breken. Zoo is hij reeds dadelijk het spoor bijster, die niet rekent met het feit der zonde en de rechtvaardigheid Gods. Want hij schuift zijn levensnood op het zonderegister der verkeerde maatschappelijke verhoudingen. Gewis er is een God, die leeft en op deez' aarde vonnis geeft. Voor wie dit vaststaat blijft toch, zeer zeker, over, rechtmatig geschrei over onrecht hem aangedaan. En ook daarvoor moeten we zijn op de rots, die zegt: en den naaste als onszelven. Die naasten zijn werkgevers en werklieden van elkaar. Tusschen hen moet komen die verhouding van recht naar den grondslag der eeuwige liefde. Liefde toch sluit in rechtvaardigheid. Het recht op arbeid is geen zaak van menschen, 't gewordt ons van Gods wege. Daarom ook het rechtmatig loon ; alles wat daar beneden blijft roept over ons het oordeel in. Immers: Zie, het loon der werklieden, die uwe landen gemaaid hebben, hetwelk van u verkort is, roept, en het geschrei dergenen, die geoogst hebben, is gekomen tot in de ooren des Heeren Zebaoth. (Jakobus.) Dat verkorte loon roept, al die sociale misstanden, ze roepen ook tot alle Christenen, opdat zij mede zoeken naar de oplossing van zoovele vraagstukken bij het licht van Gods Woord.
We zagen hoe beide bouwers heenblikten naar dien gast welke heet Geluk, Èn zoo droomt de eene bouwer van een heilsstaat, maar verwerpt den eenigen Heiland, die gisteren en heden toch dezelfde is, en nog wil rondgaan om te genezen de ziekten en kwalen onder het volk. Velen zullen zich straks afwenden van het huis op den zandgrond, en uitzien naar hechter grondslag. De wereldschokkende gebeurtenissen hebben de breede schare teruggebracht onder de vleugelen der religie. Daaronder ook zoo vele arbeiders, die alleen leefden bij brood. Welk een roeping voor allen om te bouwen op de rots; welk een roeping voor de wijzen onder onze Christenen, om het Christelijk-sociale huis te voltooien, om licht te brengen waar nog duisternis heerscht. Welk een roeping om stuur en leiding te geven aan zoovele bedrogenen, die hun huis op het zand zagen instorten. Onze idealen zijn niet verzonken. Wij kunnen nog vroolijk zingen den Rotssteen onzes heils. Maar laat ons dan allen biddend wijsheid begeeren van Hem, die ze zoo gaarne verleent. Hoemeer goddelijke wijsheid afvloeit op den akker van ons ieven, hoe dichter wij komen bij onzen Heilsstaat en Heiland tevens. Want deze komt als de aarde vol zal zijn van de kennis des Heeren. In dien heilsstaat zal de wolf met het lam verkeeren, wat in de taal der sociologie wil zeggen: Er zal ook vrede zijn op het terrein van den arbeid.
.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juni 1915
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juni 1915
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's