Uit het kerkelijk leven.
Van verborgen omgang.
XI,
Zoo gaat er dus van den Persoon des Heeren een machtige bekoring uit. Wie een oog krijgt in den werkelijken toestand zijns harten, zichzelven kennen leert gelijk hij voor God bestaat, in diens ziel waakt ook de machtige drang op den Heere Jezus te mogen omvangen met de armen des geloofs, met Hem een levensgemeenschap te mogen oefenen, die tevens een deelgenootschap in zich sluit aan al Zijne schatten en gaven. Al hun zielsbegeeren wordt dan ook machtig tot Hem getrokken. Er wordt een heimwee geboren naar ontmoeting met Hem, een honger naar het brood des levens, een dorst naar het water des heils. En in dien weg van ontdekking komt dan ook inderdaad het oogenblik, waarop de Heere Jezus Christus wordt ontmoet in de kracht Zijner borggerechtigheid, waarop Hij wordt gekend als die ook daadwerkelqk den worstelenden zondaar verlost. Het licht gaat den bekommerde op. Er is een tijd des welbehagens. Zegt niet de Psalmdichter: „Hierom zal U ieder heilige aanbidden in vindenstijd"? Daar is een ure der ontmoeting. Zooals de zoekende Maria den Verrezene aanschouwde en moest hooren: „Wat weent gij? Wien zoekt gij? " Zooals zij tot klaarheid kwam, toen zij haar naam van Zijne lippen beluisterde, zoo is er ook een oogenblik der herkenning in de ziel van Gods kind, als Hij gekend wordt als die om onzentwil zich voor Gods gericht gesteld en al den vloek van ons weggenomen heeft. Daar is een oogenblik, waarin de zoekende zondaar de stemme des Heeren klaarlijk hoort en hij zich zijner roeping bewust wordt, waarin hij zichzelven vindt in Christus, wijl hij zich door Christus ook gevonden weet. De Heere zegt tot Zijn arm, verslagen kind: „Gij zijt de Mijne, wijl Ik u kocht met Mijn bloed." En het kind des Heeren antwoordt: „Ik ben de Uwe, wijl Gij mij gekocht hebt met Uw bloed." En nu is dit juist zoo wonder, zoo machtig getuigenis voor de Middelaarsliefde des Heeren, dat zij niet alleen een blijdschap is in het hart der verlosten, ontstoken aan het licht, dat van des Heeren aanschijn straalt, maar de Schrift leert ons, dat er ook door den Heere Jezus zelven een zalige vreugde wordt gesmaakt, als er een zondaar is, aan wien Hij Zijne genade kan heerlijk maken. Christus heeft vreugde in redden en zaligen.
Die vreugde is in het hart van den Zoon niet eerst na Zijne vleeschwording, niet eerst na Zijne hemelvaart, maar zij welde eeuwiglijk reeds in het harte des Zoons. De gemeenschap met Zijne heiligen bekoorde Hem van eeuwigheid. De Heilige Schrift gunde ons in het Spreukenboek reeds een diepen blik in de eeuwige Wijsheid des Vaders, die bezongen wordt niet slechts als eene vermaking Gods, maar ook als getuigend: „Mijne vermakingen zijn met de menschenkinderen." Het werk der verlossing is niet van gister of eergister, niet van ouds, maar van de dagnn der eeuwigheid. In de roerlooze stilte der eeuwigheid, toen geen schepsel roerde en God alleen zich verblijdde in de lichtschittering van eigen levensfonteinen, was het heilig, drievuldig, aanbiddelijk Wezen Gods reeds werkzaam tot verlossing. Van eeuwigheid was de Zoon gezalfd, gelijk Hij van eeuwigheid geboren was, doch ook gezalfd, opdat Hij straks de Middelaarstaak zou volbrengen. Er is een eeuwig verdrag tusschen Vader en Zoon, waarbij de Zoon het volk heeft opgenomen in Zijnverlossingsraad. En zooals de Vader zich eeuwig verheerlijkt en goddelijke blijdschap smaakt in de aanschouwing des Zoons, zoo kent de Zoon eene goddelijke vreugde in de aanschouwing van den raad des vredes, in de afanschouwing ook van het volk, dat Hem daarin gegeven is. En dat is niet iets bijkomstigs, maar die vreugde in den vrederaad wortelt in Zijne eeuwige liefde jegens den Vader, tot wien Hij zeide: , Zie, Ik kom. Ik heb lust, o Mijn God! om Uw welbehagen te doen." Zijn lust om Gods welbehagen te doen is tevens de vreugde in de redding Zgner kinderen. En die redding strekt zich niet uit tot. den enkeling, maar tot al Gods volk van alle eeuwen en van alle plaatsen. In den Raad des vredes heeft Hij van doen met het gansche lichaam der verlosten, met het nieuw Jeruzalem, dat God zich bouwt, met gansch den tempel, waarin Hij woning zal maken. En dien tempel kent en schouwt Hij eeuwiglijk in zijne heerlijkheid. Hij schouwt dien als gedragen door de nieuwe, komende schepping, als staande in den lichtglans eener aarde, die vervuld is van de kennis des Heeren. Hij schouwt in volle heerlijkheid de Godsstad, waarvan de ziener op Patmos iets mocht zien, en waarvoor zijn woord te kort schiet, zoodat hq worstelt met beelden en voorstellingen om ons een blik te gunnen in de onuitsprekelijke dingen, die hij aanschouwd had. En de Zoon heeft eeuwiglijk dien geestelijken tempel zich verkoren tot eene woning.En daarom verblijdde Hij zich in hen. Zooals de zon haar licht doet breken in de fijne waterdroppen in de wolken des hemels en den boog toovert aan de hemelen, zoo breekt het zonlicht der blijdschap van den eeuwigen Verlosser zich in Zijne kinderen, die niet slechts zeer gewillig zijn op den dag Zijner heirkracht, maar ook in heilig sieraad worden voortgebracht als de dauw der jeugd uit de baarmoeder van Zijnen eeuwigen dageraad.
Zoo is er dus reeds een eeuwige blijdschap des Zoons in de schepping van de gemeente der heiligen. Hij is hun God en zij zijn des Heeren tempel. Hij is de Koning, die Zijne vreugde heeft in Zijne onderdanen. Hij is het hoofd en zij zijn het lichaam. Hij is de eerstgeborene en zij zijn de broederen. De eeuwige vreugde des Zoons, het vermaak in Zijne heiligen is nu voor den verborgen omgang met hen van de grootste beteekenis. Wijl Hij behagen, heeft in de Zijnen, heeft Hij ook behagen m omgang met hen, in een omgang, zoo vertrouwlijk, zoo innig, dat daarbij ontsluiting des harten en mededeeling van de gedachten des harten plaats hebben kan. Daarom heeft Hij gezegd, dat wie Zijne geboden heeft en bewaart. Hem liefheeft en dat wie Hem liefheeft, ook van Zijnen Vader zal geliefd worden. „Ik zal hem liefhebben, " zegt Hij, „en ik zal mijzelven aan hem openbaren". In den verborgen omgang met de Zijnen, waarin Hij behagen heeft, openbaart Christus Zijne verborgenheden, de gedachten Zijns harten, de teederheid Zijner liefde aan Zijne kinderen. Hij geeft Zich aan Zijne heiligen, die ook hunnerzijds de vrijmoedigheid ontvangen aan Hem mede te deelen al wat daar roert in het verborgene hunner ziel. Uit Zijne blijdschap in de zaliging der Zijnen komt dus voor Gods kinderen de teederste gemeenschap met Hem op, die leidt tot onderlinge openbaring van de verborgenheden des levens. Zooals de liefde van den jonkman tot zijne uitverkorene beide leidt tot eene innige vertrouwlij kheid, waarbij zij elkaar een blik gunnen in de roerselen des harten, zoo dringt ook de liefde van Christus tot een mededeelzaamheid aan Zijn kind, waarbij beiden worden geleid tot een inzien in elkanders hart. Christus wordt als de boezemvriend, voor wien wij onze geheimen openbaren, voor wien wij geen geheimen hebben. In die mededeeling van het verborgene is juist Zijne vreugde en onze zaligheid. Hij openbaart Zijn hart aan dengene, die Hij neemt in Zijne gemeenschap. Hij maakt hun bekend Zijne verborgenheid, laat Zijne heiligen deelen in wat daar is in Zijn Raad. De gedachten Zijns harten ontvouwt Hij voor hen, de glansen Zijner liefde laat Hij gloren, het voornemen Zijner genade in het eeuwig goed Zijner kinderen, maakt Hij hun bekend. Daarom is het dat Gods kinderen spreken kunnen van den weg der genade, van de werkingen en leidingen Zijns Geestes, van den scepter Zijner heerschappij en van de gehoorzaamheid des Evangelies.
Alle openbaring van Gods kennis, van genade en heil komt door Christus. Hij alleen is het licht, dat verlicht een iegelijk mensch komende in de wereld. Hij is de zon des heils, de morgenster der hope. En buiten Hem is er geene openbaring. Er kan geen verlichting zijn dan door en in Hem. En wat van Hem niet is, dat is ook geen licht, geen heil, geen redding, geene zaligheid. Zooals de Psalmdichter in den ouden dag, gezongen heeft: „ De verborgenheid des Heeren is voor degenen, die Hem vreezen; en Zijn verbond om hun die bekend te maken", zoo heeft de Heere Jezus tot de Zijnen gezegd: „Ik heet u niet meer dienstknechten; want de dienstknecht weet niet wat zijn heer doet, maar Ik heb u vrienden genoemd; want al wat Ik van Mijnen Vader gehoord heb, dat heb Ik u bekend gemaakt". Uit het vermaak, dat de Heere heeft in Zijne kinderen, wordt dus een omgang geboren als van een vriend met zijnen vriend. De Heere maakt Zich de Zijnen tot boezemvrienden, aan wie Hij Zijn heilgeheimen bekend maakt. Al wat daar in Zijn hart woont aan liefde en genade, aan vrede en ontferming, al wat de Vader aan Hem als Middelaar opdroeg en medegaf, ontving Hij, opdat Hij het aan de Zijnen mededeelen zou. En Hij deelt het mede door den Heiligen Geest, dien Hij beloofd en gegeven heeft, opdat Hij het nemen zou uit het Zijne om het ons te geven. Daarom verblijdt zich de apostel in die gaven, als hij er zich op beroemt, dat hij den zin van Christus heeft. Daardoor kan de geestelijke mensch de geestelijke dingen onderscheiden en is hij er vatbaar voor het onderwijs van Christus te ontvangen. Daar is niets'in den Middelaar, dat voor het leven Zijner kinderen van belang is, dat Hij hun niet bekend maken zou. Hij onderricht hen in de paden des levens, in den weg der ware vreeze Gods, zoodat zij Hem leeren kennen in de heerlijkheid Zijner liefde, in de grootheid Zijner goedertierenheid, in Zijne onveranderlijke trouw en in de kracht Zijner gerechtigheid.
Daar is een groot en diepgaand onderscheid tusschen een kennis, die vrucht is van zulk een verborgen omgang en eene kennis, die daarin niet is gegrond. De natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn. Hij kan een groote kennis van de letter hebben, zal veel kunnen spreken over de leer en toch derven een recht verstand. Den zin van Christus te hebben is meer dan alles. Maar hierbij moet toch steeds worden bedacht, dat de Heere, als Hij tot ons spreekt, zulks doet door Zijn Woord. Het geschreven Woord is Zijn Woord. Reeds van Gods oude volk geldt het, dat de profeten gesproken hebben en door den Geest van Christus getuigenis gaven. De Heere handelt met Zijn volk nooit buiten Zijn Woord om, wijl er ook geene gemeenschapsoefening met Hem is buiten Christus om. Zooals de schepping eenmaal geroepen is door het Woord; en in de herschepping het Woord is vleesch geworden en onder ons gewoond heeft, zoo is ook de levensgang van Gods kinderen van den aanvang tot het einde door het Woord. Hij is de Alpha en de Omega; het begin, en het einde. En Hij komt tot de Zijnen door het geschreven Woord, dat van Hem getuigt.
Zoo kan dan ook worden opgemerkt, dat in het geestelijk leven de Heere Zijne kinderen voorkomt met Zijne beloften, met Zijne woorden, die Hij aan de zielen Zijner kinderen zoo levendig maakt, dat zij niet blijven woorden, die zij alleen opvangen met het verstand, maar in de verborgenheid der ziel worden doorleefd als eene werkelijkheid. En als dat plaats grijpt, dan eerst is er van een omgang met Hem sprake. Dan wordt ervaren dat de letter doodt, maar de geest levend maakt. Niet genoeg kan daarop de nadruk worden gelegd vooral in onze dagen. Immers, aan tweeërlei gevaar staat men bloot en tweeërlei kwaad sluipt rond. Aan de eene zijde kan er worden opgemerkt een doode orthodoxie, die zich uitslooft in de nauwkeurigheid van de letter. Men kan predicaties beluisteren, waarvan men nooit kan zeggen, dat zij in strijd zijn met Gods Woord en waaraan toch ontbreekt de adem des levens. Zij vertroosten niet, zij stichten niet, zij spreken niet tot de zielen. Zij blijven eene doode letter, die onbevredigd laat, ook al valt het moeilijk te zeggen, waarin zij te kort schieten. Het wordt door Gods kinderen instinctmatig beseft, het wordt meer gevoeld dan dat het omschreven kan worden. Zij laten iemand gaan zooals hij kwam. Nu kan het ongetwijfeld waar zijn, dat de hoorder niet goed hoort, noch hooren kan, hoewel het vreemd blijft, dat er met zulk een prediking als eene dorheid komt over de gansche gemeente. Maar het kan ook liggen aan de prediking, die nooit verder komt dan de oppervlakte van het Woord. Week aan week worden dezelfde waarheden als een soort noodige levensphilosophie uitgestald, terwijl alle diepte, alle roering der zielen ontbreekt. De leer leeft dan niet. De letter doodt. In de prediking komt dan niet uit de diepere levensgrond, waaruit zij moest opkomen om ook de diepere zielsbehoeften te bevredigen. Zij laat koud, omdat zijzelve koud is. In haar is dan wel het Woord, maar niet het levende Woord. Zij krijgt het karakter van het stomme beeld, terwijl de Heere toch Zijne Christenen niet door stomme beelden, maar door de levende verkondiging Zijns Woords wil onderwijzen. Er zijn er, die een waarheid achter de waarheid begeeren en menigeen heeft voor zulk eene begeerte slechts verachtelijke spot. En natuurlijk, de waarheid zelve is inderdaad Achter haar is niets. Maar hoe onjuist zulk eene uitdrukking naar den vorm moge wezen, er is toch een element van waarheid in, dat zij wil aanwijzen, n.m.l. dat de waarheid Gods niet alleen iets dor verstandelijks is, maar altijd door een innerlijke levensdiepte wordt gekenmerkt, die ook aan de zielsbehoeften tegemoet komt. Waar die innerlijke levensdiepte ontbreekt en alles wordt teruggebracht tot een dor leersysteem, dat uitwendig wel geen vat op zich geeft, maar innerlijk leeg is, daar ontbreekt feitelijk de volle levenswaarheid. En zij, die deze zoeken en vragen hebben recht, omdat de gemeente recht heeft op de prediking van den vollen raad Gods tot zaligheid.
Maar naast en tegenover deze schaduwzijde eener prediking, dié dood is met haar letter, staat nu nog eene andere, die niet minder bedenkelijk is. Er is ook een prediking hoogelijk mystiek, schijnbaar zeer innig en teeder, vol van speling des gevoels, maar die feitelijk omgaat buiten het Woord. Uit den ouden schat des Woords worden noch nieuwe noch oude dingen voortgebracht. De tekst staat als een motto, wordt afgelezen, maar niet behandeld. De man preekt in letterlijken zin over den tekst, maar niet uit den tekst. Hij preekt, maar niet wat God te zeggen heeft. Hij debiteert zoogenaamde be vindelij k-heden met zenuwprikkelend gevoel soms uitgegalmd. Of deze bevindelijkheden werkelijk beleefd, waarlijk ervaren zijn, doet hier niet ter zake, ook al moet steeds bedacht, dat als de wereld bedrogen wil zijn, dit van de.vrome wereld in nog veel hooger mate geldt. Soms kan men verbaasd staan over de onnoozelheid der menschen, die hoewel zij de neiging hebben ieders geestelijk leven te betwijfelen, met zooveel eenvoudigheid en gemak allerlei bevindelijkheid, althans dingen, die als zoodanig worden opgedischt, grif als heilige waarheid aanvaarden. En toch ontbreekt hier datgene, waarvan de Heere zich uitsluitend bedient om met Zijne kinderen in verborgen omgang te treden.
Hij is de God Zijns Woords. Zijn Woord is het waardoor Hij tot ons komt, waardoor Hij Zijne kinderen Zijne gemeenschap doet smaken. En als Hij verborgen omgang schenkt, dan is het altijd doordat Hij Zijn Woord doet beleven, Zijn kind doet opgaan in dat Woord, het vat geeft op Zijne toezegging, zóó dat het een woord wordt, dat God als persoonlijk tot hem heeft gesproken. Vandaar dan ook de geloofsverzekerdheid, die daaruit wordt geboren en de blijdschap, daarin bereid.
Er is dan ook een diepgaand onderscheid in hetgeen Gods, kinderen toekomt uit en door het Woord. Er zijn schoone en heerlijke beloften, die zij duizend malen lezen en die niet den minsten indruk maakten. Zij spraken niet tot hen. En met de Schrift werden ook zij weggelegd zonder dat er iets van werd beseft, welke een kostelijke toezegging de Heere han deed. Het Woord was er wel in zijn uitwendigen vorm, maar het nam geen geest en leven aan voor hun gemoed. De sprake weerklonk wel, werd wel opgevangen door het vleeschelijk oor, maar zij hadden geene ooren om te hooren, wat de Geest tot de gemeente zegt. De belofte lag er wel, maar zij werd niet ontvangen. Maar het wordt gansch anders zoodra de adem des Geestes aanblaast en roert door de ziel om wat dood en verstorven ligt op te wekken. Dan krijgt Gods Woord een diep ingrijpende, een levendmakende kracht. Dan is het als met hem, die in welstand ontwaakt uit de ruste van den nacht en den morgenstond begroeten mag met de volheid van het levensgevoel, dat den bloei der gezondheid kenmerkt. Hij voelt, dat de levensontvouwing van den lentemorgen, die hem aanlacht, als beantwoord wordt door de levenskloppiug in hemzelven. Zijn leven gaat op in dat der schepping en hij mag smaken de heerlijke gewaaarwording, die altijd met de frischheid van de levensaandrift gepaard gaat. En zoo nu is er ook geestelijk de zalige gewaarwording van de levensklopping, die geestelijk beluisterd wordt als het leven der ziel opgaan mag in de levenswerkelijkheid, die in het Woord zich voor ons stelt. Het Woord is dan levend in den diepen zin, levend zoodat beluisterd wordt de sprake Gods en in die sprake gesmaakt wordt de omgang met Hem, die tot de Zijnen komt als een vriend tot zijnen vriend, die tot de Zijnen spreekt als een broeder tot zijn broeder, als een bruidegom tot zijne bruid. En dat alleen door Zijn Woord, dat nooit is dood, maar immer levend en eeuwig blijvend. En Hij, die dat Woord spreekt, Hij sprak en spreekt het, omdat Hij vreugde kent in het zaaien Zijner vreugde in de harten van Zijne kinderen.
Synodale Voorstellen.
De Synode wil invoegen, dat besluiten in bestuurszaken voortaan „binnen acht dagen na het nemen van het besluit" moeten worden ter kennis gebracht van belanghebbenden.
't Is een bepaling van orde. Aannemen!
I
II
Het 2de voorstel staat in verband met hel 9de (Regl. voor Kerkel. Opzicht en Tucht).
We nemen het dan ook maar tegelijk als dat laatste aan de orde komt.
III
Een voorstel om de dames-theologen met een kluitje in 't riet te sturen.
Ze krijgen wat ze niet gevraagd hebben. En waar ze ook geen vinger om zullen verroeren om 't te krijgen.
En daarom zouden wij 't liefst tegen stemmen.
Want het predikambt krijgen ze niet. Natuurlijk niet!
En nu wil men hen het verkrijgen van de Godsd.onderwijzers-acte gemakkelijker maken. Best! Maar op de betrekking van Godsd.onderwijzeres was hun oog niet.
En daarom alle reden om met dit voorstel te komen ontbreekt. Daarom zijn we tegen.
IV
Dit is het voorstel om de woorden «althans wat betreft den geest en de hoofdzaak enz" uit art. 39 Regl. Godsd. te schrappen.
We zouden zeggen: niet lang over praten, maar vóór stemmen.
Alle Kerkeraden hebben immers de 2 adressen aan de Synode in zake de schrapping van deze woorden en in zake wijziging proponentsformule ingezonden ?
Laat de stem der Kerk: der Kerkeraden en der Class. Vergaderingen gehoord worden!
V
De Synode wil de Gemeente-Universiteit van Amsterdam weer opnemen onder de Hoogescholen, waar de Herv. theologen kunnen en mogen studeeren. We zijn daar zéér sterk tegen! De Kerk staat geheel buiten die Universiteit. Op de benoeming van Hoogleeraren heeft de Kerk niet den minsten invloed. Kerkelijke hoogleeraren zijn er niet. En die Hoogleeraren, die er zijn, zijn Doopsgezind, Luthersch enz. Dus niet Hervormd en ultra-modern. Zoó modern, dat de Herst. Ev. Luthersche Kerk besloot haar seminarie uit het moderne Amsterdam over te brengen naar het orthodoxe Utrecht. En zou onze Herv-Kerk die Universiteit dan trekken binnen de plaats waar ónze a.s. herders en leeraars worden opgeleid ? Immers neen!
En daarom stemmen we tegen.
Op eéne voorwaarde zouden we vóór stemmen en wel als de weg van vrije studie en vrije opleiding betreden werd en alle Universiteiten, waar door wettig-erkende Professoren onderwijs gegeven wordt en wettig erkende examens worden afgelegd, werden geopend voor onze theol. studenten. En dus oók de Vrije-Universiteit te Amsterdam, Dan zouden we er wat voor voelen en vóór stemmen — zooals Prof. v. Veen ook in de Synode van 1914 voorstelde, welk toen 1 stem miste om een meerderheid te. krijgen — maar om de moderne Gemeente-Universiteit te erkennen en de Gereformeerde Vrije-Universiteit niet, dat lijkt ons al te mal.
Daarom tegen het voorstel zooals het hier ligt.
En voor het voorstel in den geest van Prof. v. Veen, om dan oók de Vrije Universiteit te erkennen.
VI
'Tot nu toe kon de proponent maar 3 maal het proponentsexamen doen. Werd hij voor de 3de maal afgewezen dan kon hij voor goed naar huis gaan. Dat zal misschien wel eens oorzaak geweest zijn dat men zoo iemand er toch maar doorliet.
Nu wil de Synode die bepaling van 3 maal examen doen laten vervallen. Ze kunnen dan de 4de of 5de maal nog eens terugkomen.
Wij zullen vóór stemmen.
VII.
Predikanten en ouderlingen zullen geroepen worden om op het terrein van de diaconie te komen en daar de wetten aan te vullen en te verbeteren. De diakenen worden daarin niet erkend!
Het voorstel is verdeeld in A, B en C. A. omvat een wijziging in art. 6 Regl. voor de diaconieën; en wel
1o. diakenen mogen niet dan bij uitzondering ondersteuning geven aan armen die tijdelijk in de Gemeente vertoeven. En èls ze bet doen, moeten ze daarvan kennis geven aan de diaconie van de Gemeente waar de armlastige vandaan komt.
O.i. is die maatregel goed'om dubbele bedeeling en allerlei misbruiken in deze te voorkomen. Vóór.
2o. Als een bedeelde te A. beter te B. (b.v. bij zijn kinderen) wonen kan^ dan zullen de diakenen dat verhuizen naar B. niet mogen tegenhouden, door te dreigen dat zij de bedeeling alsdan zullen inhouden. De arme zal voor rekening blijven van de Gemeente waar hij eigenlijk thuis hoort — en de diaconie ter plaatse zal hiervan bericht krijgen, opdat geen dubbele ondersteuning kan worden verkregen, zonder dat men van elkaar iets ai weet.
't Zal de huisvesting van de armen verbeteren, misschien — en de diaconie houdt genoeg waarborgen en krijgt geen meerdere lasten dan billijk is. We zijn er vóor.
3o. Met personen die pas in de Gemeente zijn moet de diaconie wat voorzichtig zijn.
We zijn er vóor. Voorzichtigheid is aanbevolen bij rondreizende armen, die dikwijls beel mooi praten kunnen. Men dient zich wel goed op de hoogte te stellen!
B. Men wil in art. 20 een bepaling maken voor kleinere gemeenten, met minder dan 3 predt.plaatsen, waar geen afzonderlijk college van diakenen bestaat en ouderlingen en diakenen saam den Kerkeraad vormen, terwijl de ouderlingen zoodoende in diaconiezaken — vooral in huren en verhuren, in verpachten en aanbesteden — evenveel invloed hebben als de diakenen zelven.
Déze bepaling wil men maken: dat, evenals de diakenen, ook de ouderlingen in die gemeenten geen levering mogen doen aan de diaconie.
Een smid-diaken mag geen werkzaamheden verrichten aan de diaconiehuizen. Een bakker-diaken geen brood leveren bij de bedeeling in natura. Een boer-diaken geen land huren van de diaconie.
Is men ouderling dan mag men het wél doen. En men zit in hetzelfde college, saam over de dingen beslissend. Heelemaal in orde is dat niet. En daarom — om misbruiken te voorkomen — is het beter de nieuwe bepaling aan te nemen. Misschien is het alleen voor metselaars, timmerlieden, bakkers enz., die tot ouderling gekozen worden, dan wat bezwaarlijker om de benoeming aan te nemen. Maar dat heeft van de diakenen al zoo lang gegolden. En overal zijn diakenen. We zullen hopen, dat de ouderlingen om deze zaak niet heengaan!
C. in art. 27 wil men invoegen, dat de Kerkeraad verplicht zal zijn om aan het Classicaal Bestuur afschrift te zenden van de jaar-rekening.
We zijn tegen deze invoeging.
De rekening wordt gedaan door de diakenen aan den Kerkeraad. De rekening wordt ter visie gelegd voor de Gemeente. De Kerkeraad arresteert de rekening. Het Classicaal Bestuur kan altijd afschrift vragen. Wat wil men nog meer?
Waarom moet nu letterlijk èlles onder de hand van het Classicaal Bestuur gebracht worden ?
Wij zijn er tegen.
VIII.
De Synode vraagt het recht om, zoo noodig, de bijdrage van de gemeenten, in de algemèene kosten der Kerk, met 10 o/o te mogen verhoogen.
Overal verhoogt men, omdat het moet: De kosten moeten saam gedragen worden.
En daarom — we leven in dure tijden — der Synode worde het recht in deze niet onthouden!
Voor.
IX.
Het Synodale Voorstel No. IX — waaronder we ook No. II rekenen — is een nieuw reglement voor kerkelijk opzicht en tucht, door een Commissie — waarin o.a. ook Ds. Schokking van Leiden zitting had — opgesteld en door de Synode van 1914 overgenomen.
De beginselen, waarop het reglement is opgebouwd, zijn dezelfde gebleven. Van principieele veranderingen geen sprake — wat te verwachten was, maar wat desniettegenstaande te betreuren is.
Van de belijdenis der Kerk hooren we niet veel dan — 't is de oude, bekende zaak — van „den geest en de beginselen".
De heeren Steenbeek, Bloem, Timmersen de Groot hebben nog wel een poging gewaagd er verandering in te brengen. Maar — natuurlijk! — gaf 't nul op 't rekwest.
De bedoeling van de herziening is geweest het reglement duidelijker en voor het gebruik geschikter te maken; leemten aan te vullen ; en samen te voegen bepalingen, welke moeten worden toegepast bij de ondersdheiden bebandeling, waar 't geldt óf uitspraak óf beslissing óf besluit.
Hoofdstuk I handelt over kerkelijk opzicht en tucht; waarbij tusschen die beide nauwkeuriger onderscheid wordt gemaakt, wat ongetwijfeld een verduidelijking is.
Hoofdstuk II geeft algemèene bepalingen, die gelden voor uitspraken, beslissingen en besluiten tezamen; waarbij het nieuwe Regl. vóor heeft boven het oude, dat nu niet telkens naar artikelen van 't 1ste hoofdstuk behoeft verwezen te worden — wat zeer lastig was en de dingen zeer ingewikkeld maakte.
De Hoofdstukken III, IV en V geven de bizoudere bepalingen respectievelijk over de uitoefening van tucht, de behandeling van geschillen, en van bezwaren tegen besluiten in bestuurszaken.
Ons oordeel is, zonder dat we hiermee over alle onderdeelen spreken, dat het nieuwe reglement véél beter is dan het oude. En daarom, is het al niet wat we zouden moeten hebben — toch is het zeer aan te bevelen vóor te stemmen. Dan wordt verbeterd wat er op 't oogenblik verbeterd kan worden.
Wij adviseeren: aannemen!
X.
Evenals het voorgaande is ook dit een nieuw Reglement en wel op het Beheer.
't Is een laatste poging van Prof. Cannegieter, lid van de Synode van 1914, om zijn lievelings-wensch in deze vervuld te krijgen: bestuur èn beheer in éen hand, in de hand van de Synode, het hoogste wetgevend en rechtsprekend Bestuur in onze Herv. Kerk op 't oogenblik. Een laatste poging. Want Dr. Tjeerd Cannegieter is 28 Febr. 1846 te Schingen (Fr.) geboren en heeft dus in 1916 den leeftijd van 70 jaar bereikt, wat hem dus in 1914 voor 't laatst in de Synode zitting deed hebben.
Wij hopen hartelijk, dat deze laatste poging van PI of. C. mislukken mag.
Want zonder in bizonderheden te kunnen treden willen wij wel zeggen, dat we tegen dit ontwerp-Reglement zijn.
Niet, omdat de tegenwoordige toestand van Kerkvoogden aan den éenen kant en Kerkeraad aan den ènderen kant altijd zoo begeerlijk is en zoo uitnemend werkt voor de geestelijke belangen der gemeente. Geenszins! Daar zouden wij, naar ons gereformeerd beginsel, wel gaarne verandering in zien gebracht. Ook niet, omdat nu het toezicht zóo perfect is, dat het beheer der goederen overal in orde mag worden beschouwd.
Vooral waar „vrij beheer" is, is de vrijheid soms ongeveer willekeur en losbandigheid.
Maar nu de regeling is zooals zij is — vooral sinds Koning Willem I het beheer der kerkelijke fondsen en goederen aan andere colleges dan de Kerkeraden heeft opgedragen — (ook het nieuwe Reglement stelt aparte colleges onder apart toezicht) — nu zouden wij niet gaarne toestemmend antwoorden op de vraag: Is de Synode tot een regeling van de beheerszaak bevoegd?
Van verschillende kanten wordt beweerd, dat de Synode dat recht mist.
En wij voelen daar véél voor.
Er ligt een heéle lange geschiedenis achter ons, die bewijst, dat de Kerk de regeling door de Synode niet wil. (Denk maar aan 1851, 1874, 1896, 1898, 1901, 1904, 1905) We zouden zeggen: laat dat zoo blijven. Het woord „ontworpen" in art. 65 Algem. Regl. schijnt niet zonder bedoeling in 1851 daar te zijn neergezet — hoewel in het concept stond „gemaakt." De regeling behoort niet bij de Synode. Wat we onder de huidige omstandigheden nog des te minder begeeren!
We voelen er niets voor, dat de autonomie van de gemeenten zal worden aangetast, de zelfstandigheid van de gemeente geschonden en alles onder de hand vam de Synode zal komen, 't Is zelfs revolutionair genoemd. Door mannen van stand, van naam, van capaciteit, die voor de goede regeling van het beheer der kerkelijke goederen veel gedaan hebben!
Wij adviseeren dus ernstig om allen tegen te stemmen.
We voelen het pijnlijke voor Prof. Cannegieter .die in 1890 de brochure schreef „de bevoegdheid tot regeling van het beheer" en sinds dat jaar nog vele malen over dit onderwerp schreef en sprak — maar hoe pijnlijk ook voor den bijna 70 jarigen Hoogieeraar, óns zal het hartelijk verheugen als het Reglement met overgroote meerderheid wordt verworpen.
Geen machtsoverschrijding bij de Synode s.v.p.
Geen schending van de zelfstandigheid der plaatselijke gemeente.
Geen vergrooten van de allesbeheerschende macht der Synode.
Geen vergrooten van de verwikkelingen in zake het beheer en geen gevaar scheppen van méér onzekerheid van rechtsgrond in betrekking tot het bezit.
Tegen stemmen dus!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juni 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juni 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's