De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

6 minuten leestijd

Een juiste opmerking.

Het Christelijk Volksdagblad De Amsterdammer wijst op de juiste opmerking, welke bij de behandeling van de Eedswet in de Eerste Kamer door den anti-revolutionairen heer Dr. H. Franssen van Zwolle werd gemaakt, dat, als de eed een staatsbelang is, dit belang ook door de Regeering bevorderd moet worden en dat geschiedt niet als de Regeering bij ons volk niet die Godsdienstige gevoelens aankweekt, die noodig zijn om te kunnen zweren.

Gaat de Staat vrij uit — zoo vroeg de spreker terecht — als hij het aanroepen van Gods naam alleen bezigt als ultimum remedium, als uiterste redmiddel, daar waar't stoffelijke belangen betreft, doch dat hij Gods naam verzwijgt als het hoogere belangen geldt.

En dan laat het blad hierop dit volgen:

Inderdaad, hier is de spijker op den kop geslagen.

Vrij algemeen wordt de noodzakelijkheid van het instituut van den eed nog gevoeld, maar de consequenties worden er niet van aanvaard.

Zeker, men wil den naam Gods wel aanroepen als er geprocedeerd moet worden, als meestal materieele dingen op het spel staan, als uiterste redmiddel om de waarheid te weten te komen. Maar wijders spreekt men liever niet over God.

Dat in 's Lands Raadszaal de vergaderingen onder aanroeping van den Naam des Heeren geopend moeten worden, er wordt niet aan gedacht.

Dat het in het openbaar vloeken als een misbruiken van Gods heiligen naam gestraft moet worden, niet één Kabinet denkt er over.

Om in deze bange tijden een nationalen bededag uit te schrijven, 't wordt tevergeefs aan de Regeering gevraagd.

Om door een nieuwe Zondagswet en allerlei maatregelen van bestuur de Sabbatsheiliging te bevorderen, men blijft er nog steeds mee in gebreke.

Als gevraagd wordt om subsidie voor onze tijdelijke militaire tehuizen, waardoor de Christelijke geest onder onze soldaten wordt versterkt, heeft men er geen geld voor over. Wel voor de beruchte Speenhoffavonden!

In de schouwburgen worden vaak liederlijke stukken opgevoerd,  demoraliseerend van inhoud. Maar om ons volk tegen dit kwaad in bescherming te nemen, daar maakt men geen werk van. O, neen, leve de tooneelvrijheid!

Vele maatregelen worden genomen om sociale misstanden weg te nemen. Prachtig! Maar om het recht Gods zijn loop te doen hebben, daar verzet men zich tegen.

Op de Staatsschool is de Bijbel verbannen en kan Gods heilige naam niet meer genoemd worden, terwijl het Christelijk onderwijs nog altijd achter gesteld wordt.

In deze dagen van crisis en oorlog worden door dit vrijzinnig Kabinet 's lands zaken uitnemend behartigt. Maar in niets kan men merken, dat 's Heeren ordinantieën in acht genomen worden.

Alleen met het stoffelijke, met het tastbare belang wordt rekening gehouden. Het Ministerie laat onze Koningin — God zegene haar! — in haar vroom en kloek belijden alleen staan.

Zoo zouden wij voort kunnen gaan. Maar genoeg. We weten het maar al te goed, dat er aan de Christelijke inrichting van onze samenleving zooveel ontbreekt.

Met Dr. Franssen zeggen wij, ons verwijt treft niet alleen het tegenwoordig Kabinet. Neen, alle Ministeries staan voor een tekort. Meestal is er onwil in het spel.

Men wil zich in het staatkundig leven niet stellen onder het Woord Gods. Men gaat alleen te rade met de menschelijke rede. Men wil zijn eigen heer en meester zijn.

Ja, als uiterste redmiddel wil men nog van den naam des Heeren gebruik maken. Ondanks de godsdienstlöoze school, niettegenstaande de godsdienstlooze staatkunde, werkt de eerbied voor Gods heiligen naam het waarheid spreken nog altijd zeer in de hand en daarom moet de eed zoo veel mogelijk gehandhaafd worden.

Maar verder niet. Dan duldt men geen beroep op den naam des Heeren, Dan wordt geroepen:  Verknoei het staatsrecht niet met Bijbelteksten.» Dan doet men niets om de heiliging van Gods naam te bevorderen. Dan doet men veel om het gezag van Gods Woord te ondermijnen.

Daarom is het goed dat onze mannen in 's Lands Raadszaal de Overheid telkens wijzen op haar plicht als Gods dienaresse.

Onze beiijdenis-vragen.

In de Elberfeldsche en ook in de Fransche (in de Gereformeerde Kerk te Parijs gebruikelijke belijdenis-vragen wordt — zoo merkt Dr. Bakhuizen van den Brink in de Juniafl. van de Stemmen voor Waarheid en Vrede op — de zonde-belijdenis gevonden. En hij zegt dan verder: „Het is niet onbelangrijk te weten, dat ook de oorspronkelijke, niet vastgestelde, redactie van onze vragen daarin overeenstemde.

Immers de eerste vraag, zooals die door de Commissie (1861 Bijlagen B. bl. 145) was geconcipieerd, luidde aldus:

«Neemt gij, naar de plechtige belijdenis welke gij hebt afgelegd, den Heere Jezus Christus met hartelijk berouw over uwe zonden en met ongeveinsd geloof als uwen eenigen Heer en Zaligmaker aan ? "

In de discussie daarover werd door den secretaris der Synode, den heer S, F. van Hasselt, voorgesteld deze aldus te lezen:

»Neemt gij naar de belijdenis, welke gij hebt afgelegd, den Heere Jezus Christus met berouw over uwe zonden als uwen eenigen Heer en Zaligmaker aan ? «

Ds. G. Molenkamp, van Delft, wenschte de vraag nog meer te bekorten:

«Belijdt gij Jezus Christus als uwen eenigen Heer en Zaligmaker ? «

maar het voorstel van den heer Dr. H. J. Spijker werd tenslotte aangenomen:

"Belijdt gij te gelooven in God den Vader, den Almachtige, Schepper van hemel en aarde, in Jezus Christus Gods eengeboren Zoon onzen Heere en in den Heiligen Geest ? «

Met een kleine redactie-wijziging werd deze thans nog gebruikelijke vraag vastgesteld.

Zoowel in de Duitsche en Fransche als in de oorspronkelijk bij ons voorgestelde vragen kwam dus de zonde-belijdenis voor. Dit is niet zonder beteekenis. Immers deze zonde-belijdenis behoort bij de voorbereiding tot het Avondmaal. En hierin is dus duidelijk, dat men zich de aanneming en bevestiging, zelfs den wensch om „bevestigd te worden" niet kon denken zonder de toelating tot het Avondmaal.

Zoo was het ook van ouds: die zich „tot de Gemeente begeven", dat zijn niet menschen die „lidmaat" worden, of die een stemrecht krijgen, maar dat zijn zij die van dat oogenblik het recht ontvangen om aan het Avondmaal des Heeren deel te nemen.

En het is een groot kwaad, dat men dit uit het oog heeft verloren langzamerhand. Niet alleen bij de „vrijzinnigen" maar ook bij de „orthodoxen." Want bij de „vrijzinnigen" is niet zelden een groot gebrek aan ernst bij de aankweeking van „lidmaten" bemerkt, omdat zij daardoor meenen hunne positie, bij stemmingen, sterker te kunnen maken. En bij de „orthodoxen" is er voor het deelnemen aan het Avondmaal een uiterlijke vrees verwekt, waardoor zelfs de eerste deelneming door nieuwe leden niet zelden wordt verzuimd".

„Indien er ooit sprake komt van verandering der liturgische bevestigings-vragen, dan zou het gewenscht zijn, naar de voorbeelden die ik toonde, uitdrukkelijk het gebed, het kerkgaan en het deelnemen aan het Avondmaal daarin te vermelden. Want er zou heel wat onwaardigs en onwaarachtigs rondom de belijdenis en bevestiging zijn voorkomen geworden, indien altijd duidelijk het belijdenisdoen en Avondmaalviering nauw verbonden waren voorgesteld."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 juli 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 juli 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's