Uit het kerkelijk leven.
Van verborgen omgang.
XII.
In het hart van den Middelaar roert een rijke, heerlijke vreugde als Hij Zijne reddende genade openbaren kan. Eene vreugde, die haar oorsprong vindt in den eeuwigen raad «des vredes, waarin de Zoon reeds verklaarde, dat Hij lust had Gods welbehagen te doen. De vreugde des Middelaars is dus gegrond in de eeuwige gemeenschap tusschen Vader en Zoon en beider overeenstemming in den raadslag der verlossing. En als de Middelaar dan ook inziet in de heerlijkheid der genade, die daaruit opwelt voor een arm verloren zondaar, klinkt het van Zijne lippen: „Ik dank U, Vader 1 Heere des hemels en der aarde! dat Gy deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard." In de gemeenschap met den Middelaar doet Hij blijken van Zijn welbehagen in de openbaring van al hetgeen Hij aan Zijne kinderen te openbaren heeft tot hunne zaligheid. In die gemeenschap met Hem leert Hij aan Zijne kinderen allermeest Zichzelven kennen. Over den weg des levens heeft Gods kind telkens weer met Hem van doen. In allen omgang met hunnen God hebben zij steeds ook de ontmoeting met den Heere Jezus Christus. Zonder Hem komt immers niemand tot den Vader. Het is altijd weder van den Heere Jezus, dat hun woord spreekt, zooals zich in Hem hun hart verblijdt, als zij uit Zijne volheid genade en gerechtigheid deelachtig worden, waardoor hun de toegang ontsloten wordt tot het hart des Vaders.
In de gemeenschap met den Middelaar is dan ook dit het op den voorgrond tredende dat Hij daarbij zichzelven aan de Zijnen openbaart. Hij heeft beloofd, dat wie Zyne geboden bewaart, ervaren zal: „Ik zal hem liefhebben en ik zal Mijzelven aan hem openbaren." Hij zal zichzelven openbaren in ai Zijne goedgunstigheid, in al Zijne lieflijkheid. Hij zal zich doen kennen aan de Zijnen zooals Hij is, zooals Hij voor hen wil zijn als Redder en Zaligmaker. Zoo kan Hij alleen gekend worden door wie arm en verloren in zichzelven nergens uitkomst ziet. Zulk een zal Hem waardeeren als de paarl van groote waarde, als het eene, dat noodig is, als den uitnemende om wiens kennis alles schade en drek zal worden geacht. De Heere heeft er behagen in zichzelven in al Zijne uitnemende heerlijkheid, in alle Zijne lieflijkheid te toonen aan hen. Hun alleen geeft Hij een oog, zoodat zg Hem kunnen zien, terwijl de wereld niets begeerlijks in Hem opmerkt. Hij is voor de wereld omsluierd, gehuld in de nevelen Zijner vernedering. Zij gaat aan Hem voorbij in hare zelfgenoegzaamheid, dewgl zij elders den vrede zoekt, maar zijn arm en toch geheiligd volk laat Hij Zijne heerlijkheid aanschouwen, opdat zij naar datzelfde beeld in gedaante veranderd worden als van des Heeren Geest. Die openbaring van Zijne Middelaarsheerlgkheid heeft dus voor het leven van Gods volk in deze wereld een groote beteekenis. Zooals de Heere alle leidingen met Zijne kinderen neemt, opdat zij zullen komen tot wedergeboorte en bekeering, zoo heeft ook alle leiding daarna de strekking om hen op te nemen in heerlijkheid. Hij leidt hen door Zijnen Raad en daarna worden zij opgenomen in Zijne heerlijkheid. Het leven van Gods kinderenis eigenlijk een weg van wederbaring voor de komende heerlijkheid. Als de vrucht rijp is, dan wordt zij geborgen*in de eeuwige schuren. Niet vroeger gaat Gods kind naar zijn eeuwig huis. Als zij ganschelijk zijn toebereid, ontsluit zich voor hen in het dal der dooden de levenspoort. En door al hetgeen zij op hun levensweg ontmoeten, door al hun strijd en zorgen worden zij gevormd en opgevoed door hun hemelschen Leermeester. Hij stelt zich telkens voor hen, Hij spreekt met «hen, Hij deelt hun toe wat zij behoeven. In den weg hunner ontdekking gaat het langs diepe paden soms, maar altijd zoo, dat zij eindigen in Hem. Als zij nederzitten in donkerheid, en klagen over den nacht hunner zonde, die zij niet kunnen afschudden, die altijd weder aankleeft en bezoedelt, dan komt Hij om zich te toonen in Zijne borggerechtigheid, om hun te verkondigen, dat zij zien zullen op Hem. En als hunne conscientie klaagt van wege de overtredingen hunner 'ziel en niet tot zwijgen is te brengen door de schoonste voornemens en beloften, omdat zij de zonde al meerder maken, dan is Hij het, die zich voor hen stelt als de goede Medicijnmeester, die heelen kan de gebrokenen van hart, omdat Hij. zeggen kan : uwe zonden zijn u vergeven. En als voor hun zielsoog de heerlijke roeping van Gods kinderen schittert, als zij zien, hoe het levensideaal machtig voortwenkt tot de volmaking der heiligen en zij moeten bekennen, dat zij vleeschelijk zijn, verkocht onder de zonde, dat zij niets vermogen, dewijl zij zoo zwak zijn, «dat zij niet een oogenblik kunnen bestaan, dan komt Hij om het hun te verkondigen, dat zij zgnder Hem niets kunnen doen, maar dat Hij ook bereid is alle hunne nooddruft tot heerlijkheid te vervullen. En als de vreezé machtig wordt, dat zij nog een der dagen als door Sauls hand zullen omkomen, dan is Hij daar om hunne twijfelingen te verbannen door het hun te zeggen, dat Hij trouw is en blijft en dat zij daarom goeden moed zullen hebben. En zoo ook als zij gedwongen worden te bekennen, dat zij uit vreeze des doods der dienstbaarheid onderworpen zijn, en als zij ineenkrimpen onder het besef, dat de laatste vijand ook voor hen verschrikkelijk is en dat zi] misschien onder zijn duisternis nog zullen bezwijken, dan is Hij het, die hen verlost uit alle hunne angsten, door het te verkondigen, dat Hij den dood verwonnen heeft, door hen op fe wekken tot een levende hope op Hem, en die Zijne kinderen draagt over bergen en dalen, over kloven en afgronden, door droefenis en vreugde, door donkerheid en licht, door leven en dood naar de vrijheid en de heerlijkheid, die zij smaken zullen in de stad, die zon noch maan behoeft, wijl zij eeuwig blinkt in het licht van den Ontfermer.
Het is in allen strijd en nood, onder alle aanvechting en bestrijding, onder alle vreezeen worsteling met henzelven, met de wereld, met de machten der duisternis, altijd weder de Middelaar, die zich op den weg Zijner kinderen stelt om zich hun te openbaren in de heerlijkheid Zijner reddende liefde, in de kracht Zijner gerechtigheid, in de innigheid van Zijn medelijden in alle onze zwakheden, opdat zij door Zijne openbaring geleid zullen worden tot onwrikbaarder geloof, vaster hope en vuriger liefde, tot een on verbroken vasthouden aan Hem, die de Zijnen draagt op Zijne armen naar de oorden van het eeuwig licht.
Daarom is er in de gemeenschap met den Middelaar niet slechts de openbaring van de heerlijkheid Zijns Persoons en van al wat Hij te geven heeft, maar wordt oek tevens een klaar inzicht geschonken in Zijn Koninkrijk. In den verborgen omgang met Hem toch ieeren zij de werking Zijns Geestes kennen in hunne harten. Zoovelen als er door den Geest geleid worden, die zijn kinderen Gods. De Middelaar handelt met Zijne kinderen door de bedieiiing des Geestes. Deze is het, die volgens de belofte, nemen zal uit het Zijne om het ons te geven. Door de bediening des Geestes openbaart Hij het behagen, dat Hij in Zijne heiligen heeft, door aan hen Zijn heilgeheimen bekend te maken. Wat de wereld niet verstaat, noch verstaan kan, dat Ieeren zij kennen. Zij krijgen een inzicht in de uitnemende heerlijkheid der genade, in den rijkdom Zijner liefde, in het groote goed van Zijn Koninkrijk, waarvan de wereld niets begrijpt. Maar juist daarom leidt Hij er Zijne kinderen ook toe om zichzelven aan Hem te openbaren. En dit niet omdat de Heere Jezus daaraan behoefte heeft. Immers, van Hem staat geschreven, dat Hij niet van noode had, dat iemand getuigen zou van den mensch, want Hij zelf wist, wat in den mensch was. En dit geldt nog van Hem. Hij kent ons tot in de diepste roerselen van ons zieleleven. Zijn oog gaat tot in de verborgenheid van ons hart. Hij, die het licht der wereld is, in Wien het leven en het licht der menschen is, weet ook wat in ons omgaat. Bovendien als Middelaar is Hij door al de beperktheid van het menschelijke gegaan, is Hij verzocht geweest in alles, opdat Hij de barmhartige Hoogepriester wezen zou. Voor Hem is het dus niet noodig, dat wij onze verborgenheden aan Hem bekend maken. Eer er een woord op onze lippen is, weet Hij reeds wat wij behoeven. Eer onze klacht geuit wordt, is onze nood al reeds gezien door Hem, eer onze bede opgaat, werd onze smart reeds gepeild door Hem. En als Hij door Zijnen Heiligen Geest ons dan toch leert aan Hem de verborgene zielenooden te openbaren, dan is dat niet om Zijnentwil, maar omdat wij het behoeven. Wij hebben noodig tot Hem er van te spreken. En wijl wij maar al te dikwijls niet weten, hoe wij aan Hem de verborgenheden onzes harten moeten bekend maken, daarom komt Hij nu ook nog met Zijnen Geest om ons te Ieeren, hoe zulks geschieden moet.
Allereerst is daarvoor oprechtheid van noode. „Al de gemeenten zullen weten, dat Ik het ben, die nieren en harten onderzoek". Wij moeten goed weten, dat het niet genoeg is, dat Hij ons hart kent. Want dat geldt van een iegelijk mensch. Of iemand zulks wil of niet wil, gelooft of niet gelooft, erkent of .niet erkent, het is daarom niet minder waar.
Hij schouwt toch in de diepe verborgenheid van ons leven. Maar wij zullen onzerzijds daarom niet minder oprecht moeten wezen, als wij ons hart aan Hem bekend maken. En in dit eene reeds is het voor Gods kind een leerschool, die het te doorloopen heeft, waarbij het onderwezen wordt door Hem in ware oprechtheid. Dit is het eerste, dat wij behoeven en waarop altijd weer opnieuw de nadruk moet worden gelegd. Omdat de oprechtheid ontbreekt, daarom is er zooveel schijnleven, zooveel dat den naam heeft van te leven, en dat dood is. Men kan het maar al te veelvuldig vernemen, hoe de klacht opgaat over *de zonde, over de onbekwaamheid voor het Koninkrgk Gods, over behoefteloosheid en biddeloosheid, terwijl er in werkelijkheid niets van wordt doorleefd noch gekend. Onder degenen, die spreken als de tollenaars, zgn er zoovelen, die in werkelijkheid slechts Farizeën zijn. Men weet nu eenmaal, dat Gods volk in zichzelf arm en ellendig is en dat het alleen op den Naam des Heeren hopen kan en daarom volgt men het daarin uitwendig gaarne na zonder in werkelijkheid een arm zondaarsleven te kennen. Het is gansch iets anders over zijne zonde te spreken dan zondaar voor God te zijn. Indien er inderdaad ontdekking voor zonde is en verlorenheid gekend wordt, dan is er ook de rust verdwenen en wordt geene plaats meer gevonden voor het hol van den voet. Er zijn helaas maar al te velen, die gemakkelijk over hunne zonde spreken en er vrede bij hebben. Tot een worstelen met God komen zij niet. Den Heere Jezus ontmoeten zij niet. Zij klagen over hunne zonde, maar zij kennen haar niet, bekennen, dat zij van geene bekeering weten en begeeren haar niet. De vorm der rechtzinnigheid wordt hoog geacht, maar het ware leven ontbreekt. Zij missen alles, zijn feitelijk noch koud, noch heet. De oprechtheid derven zij. Hunne godsdienst en hunne vroomheid bestaan slechts uit woorden. Voor Gods aangezicht verschenen zij nimmer en daarom hebben zij den Heere Jezus ook nooit iets van hunne nooden kunnen meedeelén. Het ware leven begint steeds met zulk eene ontdekking, die oprecht maakt. En daarom kan er ook gezegd worden, dat den oprechte het licht opgaat. De Heere onderwijst aan Zijn kind de oprechtheid, leert hoe het oprecht schuld belijden zal, want dit is reeds vertroosting uit den verborgen omgang geboren, dat iemand leert, hoe hij zijn hart aan den Heere Jezus Christus zal kunnen openbaren. En dat onderwijst Hij aan de Zijnen door zoolang met hen te handejen, dat zij hunne veiborgenste dingen, die zij nooit aan eenigmenschenkind zouden belijden, ten laatste voor Hem uitspreken. De Heere kende ze reeds, maar vertroosting is er voor Zijn kind in die wetenschap nooit, voordat zij het alles hebben uitgesproken tegenover Hem. In het natuurlijke leven is bet reeds opmerkelijk, dat er in het uitspreken van ons leed tegenover onze vrienden en magen eene troost is. Het is verlichting voor wie gekweld wordt door smart te kunnen uitschreien voor een vriend, hem te doen deelen in ons leed. Gedeelde smart is halve smart, zegt het spreekwoord. En in nog veel hoogere mate is dit nu het geval, als de ontdekte zondaar er toe geleid wordt orn voor den Heere Jezus uit te spreken al wat in zijn gemoed drukt, wat zijne conscientie verontrust, alle klacht te uiten, die door zijn geprangden boezem gaat. Het is voor den worstelenden zondaar reeds veel, dat hij het mag uitspreken voor Hem. En omdat Hij Zijn kind troosten wil, omdat Hij Zich ontfermen wil over niet ontfermd, daarom houdt Hij niet op zoolang met de Zijnen te handelen, totdat zij ten laatste met alle hunne verlorenheid zich voor Hem buigen in het stof en belijden, hoe diep schuldig, hoe onwaardig zij zijn, zoodat Hij onder hun dak niet kan inkomen. De gebeden, die zij dan nederleggen voor Zijnen voet, zijn als reukwerk voor Zijn aangezicht. De offeranden Gods zijn een gebroken geest en een verslagen hart. Hij verblijdt Zich in de oprechte schuldbelijdenis van Zijn kind. En Zijne blijdschap daarover is zoo rein, zoo diep, zoo vol en rijk, dat zij van Hem uit zich voortplant door de hemelen, waar immers blijdschap zjj over één zondaar, die zich bekeert.
Maar tot zulk eene oprechtheid in de belijdenis van schuld komt niemand dan alleen door Gods Geest geleid. Wij weten niet wat wij bidden zullen gelijk het behoort, maai de Geest zelve bidt voor ons met onuit. sprekelijk zuchten. Hij doorzoekt de harten en houdt niet op, totdat Hij ons aan Jezus' voeten bukken doet. En als de zondaar voof Hem verschijnt, dan is het altijd voor Hem als het Lam Gods, dat geslacht is. Zij komen voor het deksel der verzoening, opdat zij gereinigd worden. Als die reinigt en heiligt, wil de Heere Jezus Zich aan de Zijnen openbaren. Daarin is Zijne vreugde, omdat Hij daarin bereikt Zijn doel. Immers, het blijkt steeds de schoone mare uit den hemel, dat Hij gekomen is om te zoeken en zalig te maken wat verloren is. Zijn lust is in de betooning Zijner reddende liefde, in de openbaring Zijner verlossende genade, in de sprake van het woord Zijner schuld vergeving. En daarom leert Hij Zijn kind om met vrijmoedigheid toe te gaan tot den troon der genade. Als de ontdekte zondaar zeggen zou: „wie zal wonen bij een verterend vuur, " als hij zou vreezen voor Gods aangezicht te verschijnen vanwege de zonde zijner ziel, dan roept de Heere Jezus hem op om te gaan langs den verschen en levenden weg, die ontsloten werd in het bloed des verbonds en Hij verkondigt ons, dat vanwege Zijn eens volbrachte offerande wij moed zullen scheppen, Hij treedt Zelve met Zijne voorbede op en zegt daarom tot Zijn kind, dat het volkomenlijk hopen zal op de genade in Hem ons toegebracht. Hij wijst er op, dat in Hem gevonden wordt al wat noodig is om tot den Vader te gaan.
In den verborgen omgang met Hem wekt Hij de vrijmoedigheid op door aan de Zijnen voor te houden wat Hij verworven heeft, door hen te spreken van de vreugde, die Hij smaakt in het geven van wat Hij te geven heeft, door hun te verkondigen de groote blijdschap, die er is in Hem, als Hij komen mag tot den Vader en zeggen: Zie Mij en dit kind, dat Gij Mij gegeven hebt.
Zoo is er nu tevens in die gemeenschap een ontdekking voor de heerlijkheid van Zijn Koninkrijk. Want wie langs den weg van oprechte schuldbelijdenis gekomen is tot een ontvangen van hetgeen de Heere Jezus te geven heeft, in diens ziel komt dat Koninkrijk zelf. De begenadigde zondaar is afgebracht van zichzelven, van zijn koninkrijk. In den zondeval ging het om de vraag, wie koning zijn zal. God de Heere of de mensch? En daar de Heere Zijne eer aan geen ander geven kan, bleef den mensch niet anders dan te worden neergeworpen in zijne zonde. Nu beeldt hij zich in koning te zijn, terwijl hij inderdaad slechts een slaaf is. Hij blijft zich vastklemmen aan eigen kroon en scepter, totdat Hij voor Zijn God, door genade overwonnen, zich alles ziet ontvallen wat zijne hope en heerlijkheid was. Als dit alles hem ontvalt, dan leert hij, dat de macht en de heerlijkheid Godes is, dan eerst bukt hij onder de voeten zijns Gods en belijdt, hoe ook hijzelf zich zonder Gods wil noch roeren, noch bewegen kan. In den weg van ontdekking door gemeenschap met den Middelaar leert de zondaar eigen kleinheid en nietigheid, eigen onbekwaamheid en onmacht kennen, maar om daartegenover de grootheid en volkomenheid, de majesteit en mogendheid van den Middelaar Gods en der menschen te ervaren in de verlossing van eigen ziel uit diepten van verlorenheid. En in die ervaring leert hij verstaan, waarom aan den verheerlijkten Christus gegeven is alle macht in hemel en op aarde en hoe zonder Hem Gods kind niets, ook het geringste niet vermag. De Heere Jezus wordt hem aldus de alpha en de omega, het begin en het einde, Zijn eeuwige Koning, voor Wien zijne knie zich buigt en van Wien hij belijden zal tot in den dag der eeuwigheid, dat Jezus Christus de Heere zij. Hij alleen en niemand meer. En daarom zal hij Hem toebrengen lof en dankzegging. En alle aandrift zijner ziel zal dringen tot prijs van Hem, die ons immers Gode kocht met Zijn bloed.
De samenstelling van de Synode.
Het is niet de allerlaatste opgaaf die op 't oogenblik voor ons ligt, maar heel veel verschil zal dat niet maken. En dan krijgen we, dat onze Ned. Herv. Kerk telt:
10 Provinciale ressorten, benevens het ressort der Waalsche Commissie;
44 classen; 1362 gemeenten en 1640 predikanten.
De 11 Prov. ressorten zijn van de volgende samenstelling:
Gelderland 197 gemeenten, 233 predikanten Z.-Holland 198 „ 281 N.-Holland 166 , 221 Zeeland 100 „ 114 Utrecht 68 „ 85 ,
Friesland 219 „ 238 Predikanten Overijssel 75 „ 98 „ Groningeo 155 „ 168 „ N.Br. Limburg 110 „ 115 Drenthe 54 „ 59 „ De Waalsche gemeenten 16 in getal met 24 predikanten.
Of wil men een andere statistiek nog, dan kunnen we zeggen:
Gelderland met 197 gemeenten telt 339.869 Ned. Hervormden en 609 Waalsch Herv.
Z.-Holland mst 198 gemeenten:749.270 Ned. Hervormden en 3626 Waalsch Herv.
N.-Holland met 166 gemeenten:442.425 Ned. Hervormden en 4276 Waalsch Herv.
Zeeland met 100 gemeenten:125.857 Ned. Hervormden en 124 Waalsch Hervormden.
Utrecht met 68 gemeenten:147.704 Ned. Hervormden en 519 Waalsch Hervormden.
Friesland met 219 gemeenten:192.685 Ned. Hervormden en 34 Waalsch Hervormden.
Overijssel met 75 gemeenten:212.720 Ned. Hervormden en 137 Waalsch Hervormden.
Groningen met 155 gemeenten:197.655 Ned. Hervormden en 98 Waalsch Herv.
N. Br. en Limbnrg met 110 gemeenten:51.051 Ned. Herv. in Brabant +" 3872 Ned.' Herv. in Limburg = 54, 923 Ned. Herv. en 220 Waalsch Hervormden saam.
Drenthe met 54 gemeenten:125.128 Ned. Hervormden en 16 Waalsch Hervormden.
In totaal genomen telt onze Ned. Herv. Kerk dus met 1362 gemeenten en 1640 predikanten:2.588.261 Ned. Hervormden en 9660 Waalsch Hervormden
Hoe gaat het nu in betrekking tot de afvaardiging naar de Synode?
Allerwonderlijkst! Want 1e wordt Limburg met 16 gemeenten en 17 predikanten en 3872 Ned. Hervormden bij N.-Brabant gerekend terwijl de Waalsche Gommissie (16 gemeenten en 24 predikanten en 9660 Waalsch Hervormden) met een Prov. Kerkbestuur gelijk gesteld is.
Limburg vaardigt geen enkel lid af naar de Synode, daar het met N.-Brabant in deze is gecombineerd, maar de Waalsche Commissie wél; het éene drietal jaren (1913, 1914 en 1915) eén lid en het andere drietal jaren (1918, 1917 en 1919) twee leden.
Wat vooral, waar de leden van de Waalsche Commissie modern zijn, op de samenstelling van de Synode een wondere uitwerking kan hebben!
Wij, voor óns, voelen de noodzakelijkheid geenszins, dat, waar de kleinste zelfstandige Provincie b.v. Drenthe 54 gemeenten telt, met 59 predikanten en 125.128 Ned Hervormden, de Waalsche Commissie met zoo luttel aantal gemeenten en leden met een Prov, ressort moet gelijk gesteld worden.
Wat dwaze verhoudingen krijgt men alzoo! Want in 1916 zal b.v. Zuid-Holland met 198 gemeenten en 749.270 Ned. Herv. evenveel leden naar de Synode afvaardigen als de Waalsche Commissie met 16 gemeenten, die saam nog geen 10 duizend leden tellen!
Dat is toch zeker wel allerzonderlingst te noemen; en verandering in deze is toch wel gewenscht. Wij, voor ons, voelen nog altijd veel voor het voorstel dat Dr. Slotemaker de Bruine indertijd gedaan heeft (art. 6 van zijn Concept-Regl.): „De Waalsche gemeenten vormen een afzonderlijke classis, ingedeeld bij het Provinciale Ressort van Utrecht, met de stad Utrecht als hoofdplaats der classis".
Dan wordt het dus op dezelfde wijze met de Waalsche Comm. geregeld als in 1874 met het Prov. Ressort van Limburg dat toen veranderd is in eene classis „Maastricht" onder bet prov. ressort van N. Brabant met Limburg, (zie art. 34 A-R.)
Wat in de 2de plaats vreemd aandoet is, dat er zoo opvallende onevenredigheid is in vertegenwoordiging in de Synode wanneer men let op de Provincies onderling.
Limburg met 1 Classis, 16 gemeenten, 17 predikanten en 3872 Ned. Hervormden heeft geen vertegenwoordiging.
En Drenthe met 3 Classes, 54 gemeenten, 59 predikanten en 125.128 Ned. Hervormden lieeft er twee (drie jaar achter elkander 1915, 1916, 1917) en staat dan gelijk met Zuid-Holland, Gelderland, N. Holland en Friesland, waar men in elke provincie ongeveer 200 gemeenten heeft, terwijl men in Zuid-Holland zoo ongeveer 749 duizend Ned. Hervormden telt! Men heeft het aantal predikantsplaatsen als maatstaf genomen; en men heeft gezegd : die provincies welke meer dan 150 predikantsplaatsen bevatten (Gelderland, Z. Holland, N. Holland, Friesland en Groningen) benoemen elk twee leden.
Dat is een maatstaf. Maar Amsterdam alleen telt méér Ned. Hervormden dan al de lilliputter-gemeentetjes van N. Brabant en Limburg saam! Want in Amsterdam wonen er ongeveer 199 duizend en in de twee Zuidelijke Provincies telt men er 55 duizend I
Het verwondert ons volstrekt niet dat er nog geen jaar voorbijgaat of men komt met voorstellen die een andere afvaardiging naar de Synode bedoelen dan de tegenwoordige. Ons dunkt dat niemand, die eerlijk de dingen onder de oogen wenscht te zien, met de tegenwoordige wijze van doen in deze tevreden kan zijn.
Wat wonderlijke omstandigheden zich nog méér voordoen blijkt ook wel uit het volgende nog:
Volgens de tegenwoordige regeling geldt als basis het aantal predikantsplaatsen (de art. 56 Algem. Regl)
Er zijn 1640 predikanten.
En van die 1640 predikanten zijn zeker niet meer dan 1/4 modern.
Billjkheidshalve zouden dus in de Synode niet meer dan 5 moderne leden zitting moeten hebben — en in 1908 waren er 7, in 1909 waren er 9, in 1910 waren er 10, in 1911 waren er 9, in 1912 waren er 8, in 1913 waren er 7, in 1914 waren er 6 en in 1915 zijn er 7 modern; gelijk er in 1916 en 1917 waarschijnlijk 8 zullen wezen. Dat is dus niet evenredig aan de getalsterkte.
Let ook eens op Noord-Holland. Daar zijn de steden Amsterdam en Haarlem — maar ze tellen niet mee in de vertegenwoordiging in de Synode.
Want N.-Holland vaardigt 2 moderne leden af, zijnde in 1914 de predikanten van Heiloo en van Broek in Waterland!
Moest dat niet anders zijn?
Alleen door partij-overwegingen is dat zoo. Wat loopt de boel dus kris kras door elkaar! Wat is het wonderlijk geregeld!
Drenthe zendt nu 2 afgevaardigden. En Zuid-Holland zendt er nu 2.
Rotterdam, den Haag, Leiden, Delft, Schiedam en de vele steden en dorpen in Z.-Holland saam — staan dus gelijk met Drenthe met 54 gemeenten!
Neen — heel eerlijk is de vertegenwoordiging niet.
En wijziging in deze is alleszins noodzakelijk — ook waar we misschien nog lang op een presbyteriale kerkinrichting, naar de lijnen der Dordtsche Kerkeorde, zullen moeten wachten.
Wat ten slotte nog opmerkelijk is, is wel dit: voor Overijssel zit nu Ds Otto Schrieke, een rechtzinnig predikant, die in vele dingen altijd mee gaat met de modernen en ook in de „geest en hoofdzaak-kwestie" bij links zich schaart.
Zijn secundus Ds. A. de Haan van Zwolle is evenwel vóór de schrapping.
Voor Gelderland zit ouderl R. E. Menthen, die tegen de schrapping is van de bekende woorden; maar zijn secundus is vóór.
Voor Zeeland ait Dr. Weyland van Veere die tegen is — en in de provincie is een sterke actie vóór de schrapping.
Waarbij aan den anderen kant als vertegenwoordigers van N.-Brabant en Limburg optreden de heeren Ds. Bloem van Chaam en ouderl. Kr. Timmers te Klundert, beiden; Confessioneel en vóór de schrapping, terwijl, als de neuzen geteld worden, in die zuidelijke provincies de beide vertegenwoordigers wel eens spoedig modern kunnen worden (in 1917)!
Het lot in Drenthe, dat een modern ouderling aanwees en alzoo een orthodox man terughield is maar een kleinigheid bij al de wondere omstandigheden die in de samenstelling van de Synode zijn op te merken — ook wat de kwestie van „geest en hoofdzaak" betreft. ,
We laten ten slotte, voor 't gemak, nog eens volgen hoe de Synode van 1915 zal zijn saamgesteld:
Gelderland zendt 2 orth., Z.-Holland 2 orth., N.-Holland 2 mod., Zeeland 1 orth., Utrecht 1 orth., Friesland 2 orth., Overijssel 2 orth., Groningen 2 mod., N.-Brabant en Limburg 2 orthod., Drenthe 2 modernen en de Waalsche Commissie 1 mod., alzoo 19 leden waarvan 12 orthodox en 7 modern.
Als hoogleeraren zullen zitting hebben Prof. van Nes en Prof. Aalders of Prof. van Veldhuizen.
Schreiende nood.
Met een brief van een lid van een Kiescollege en een brief van een Kerkeraad voor ons — moeten we nog eens onder de oogen van onze lezers brengen, dat er toch zoo'n gebrek is aan geref. candidaten en geref. predikanten in onze Herv. Kerk.
Dorpen en steden zoeken, schrijven, vragen — maar 't is telkens teleurstelling. Er komt meer vraag naar de geref. prediking — en nu zijn er geen dienstknechten om in den wijngaard in te gaan tot den arbeid.
Neen, we weten het wel dat dit zoo maar niet in eens veranderen kan.
Maar 't geeft ons bij vernieuwing aanleiding om te zeggen: weet men wel dat er zoo'n schreiende nood is in deze ?
Er komen zoo weinig studenten, zoo heel weinig candidaten die onze Kerk kunnen helpen in de bediening des Woords naar geref. beginsel.
Laat men dat eens met ernst onder de oogen zien en laten we saam gaan gevoelen, dat er zoo groote behoefte is aan jonge mannen, die predikant willen worden.
Misschien wist men dat zoo niet en dacht men, dat er arbeiders te veel zouden komen. Maar geref. predikanten komen we tekort.
Er is schreeuwende nood, dewijl stad en dorp vraagt en ze zijn er niet.
De verzoeningsleer bij de modernen.
Onlangs schreef ons iemand hoe de moderne domine ter plaatse over de verzoeningsleer dacht.
Hij omschreef het aldus: „God heeft Zijn liefdegeest en Zijn liefdewezen uitgestort in Christus Jezus en deze heeft uit dankbare wederliefde zijn geheele leven Gode opgeofferd; daardoor oefent Hij een reinigenden en heihgenden invloed uit op het mensehdom en stelt het in staat om goed te zijn eu goed te doen."
Of de moderne domine dat nog „geest en hoofdzaak" van onze belijdenis achtte, schreef men er ons niet bij, maar dat zal wel!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 juli 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's