De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

12 minuten leestijd

En Ik zal wonderteekenen geven in den hemel en op de aarde, bloed en vuur en rookpilaren. De zon zal veranderd worden in duisternis. Joel 2 : 30—32.

Wonderteekenen.

Daar bestaat verband tusschen de uitstorting des H. Geestes en de wederkomst des Heeren.

Wanneer het u ergens duidelijk wordt gemaakt is bet hier bij dezen Profeet. Dat hij spreekt over de uitstorting des Geestes wordt u wel zeer helder, als ge uw oor te luisteren moogt leggen naar hetgeen Petrus op den Pinksterdag den volke verkondigt.

Op de vraag wat dat voor beteekenis in had, dat men in alle mogelijke talen de groote werken Gods hoorde verkondigen, geeft hij dit antwoord: dat is wat gesproken is door den Profeet Joel. En dan brengt hij voor wat we vinden in onzen tekst.

Dus hieromtrent bestaat niet de minste twijfel.

't Was den ziener van ouds getoond wat er zou plaats hebben in verband met den opbouw van Gods Koninkrijk. Vandaar de oproep waarmede ons teksthoofdstuk begint: „blaast de bazuin te Sion, roept luide op den berg Mijner heiligheid; laat alle inwoners des lands beroerd zijn, want de dag des Heeren komt, want Hij is nabij.

Een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisterheid, als de dageraad uitgespreid over de bergen; een groot en machtig volk, desgelijks van ouds niet geweest is en na hetzelve niet meer zijn zal tot in jaren van vele geslachten.

Voor hetzelve verteert een vuur en achter hetzelve brandt een vlam. Voor dat het er geweest is, is het land een lusthof, daarna, als een woeste wildernis."

Kan het wel weergegeven in sprekender trekken?

De groote dag des Heeren komt. Maar vóór dezelve aanbreekt, komen er teekenen aan den hemel, teekenen waardoor de Heere Zijne waarschuwende stem laat hooren.

We zullen wijs doen door hierop nauwkeuriglijk acht te geven.

Onze dagen hebben ons bizonder veel te zeggen. We leven in een veelbewogen tijd. Wanneer thans van alle zijden vragen worden gesteld: Wat zou dit toch voor beteekenis hebben ? En hoe zou dat toch komen ? 't Heeft er den schijn van, dat de menschen met verdwaasdheid zijn geslagen. Wat heeft men toch met al die oorlogen voor ? Zoo mag daar binnen de grenzen van de Gemeente des Heeren niet aan meegedaan. Want hier kan en moet men het beter verstaan.

Verre zij het van ons om ook maar op één andere plaats de oorzaak te zoeken dan in de zonde der natiën, 't Is duidelijk de vrucht van het afwijken van Gods wegen. En daarom spreken wij ook: de Heere zendt het. 't Is Gods hand, die wij speuren in de gangen der volken. „Ik zal wonderteekenen geven", zegt de Heere. 't Is de Heere, Die bet doet. Ge behoeft aan geen andere bewegende oorzaak te denken, 't Zijn wonderteekenen, maar dan wonderteekenen, die u ontzetten, die u de handen doen ineenslaan van verbazing.

't Is overal — vandaar de uitdrukking „in den hemel en op de aarde."

Bloed en vuur en rookpilaren. Wat hiermee wordt aangeduid, behoeft nauwelijks verklaring; d.i. oorlog en verwoesting, vernietiging van menschen en have.

Openbaart nu eens onomwonden wat voor gewaarwordingen bij u zijn te vinden. Hadt ge dat kunnen denken dat ge op zulk een wereld leefdet. 't Zijn met recht bloedbaden. De verminkingen zijn zoo gruwelijk, dat elke beschrijving mijlen beneden de werkelijkheid blijft.

Toen de menschen nog streden met enkel wapenen in de hand, was 't vaak vreeselijk, maar 't is kinderspel geworden sedert het vuurwapen het eerste verving. Wat een gruwel en geweld. Waar de vijand is geweest, kunt ge overal de sporen vinden. Daar stijgen de rookpilaren.* Steden en dorpen worden platgebrand.

't Is alsof alle verstand is geweken. Volken, die er gemakkelijk buiten konden blijven, springen er zoo maar in. 't Volk schijnt als bezeten, wanneer men het voorhoudt: bloed, vuur en rookdamp. Wie het waagt daartegen z'n stem te verheffen, wordt uitgekreten als verrader, als iemand die 't land verkoopt.

'k Vraag u, mijn lezers, zijn dat geen wonderteekenen.

Over schier heel de wereld dreigt een bloedbad. Alles staat als in vuur. Aan al de hoeken der aarde stijgen de rookpilaren.

En dan de geestelijke verwildering. Hoe ook wordt gepredikt door woorden en daden, door de laatsten niet het minst, overal wordt de loslating, het openbaar verzet tegen den Allerhoogste nog duidelijker.

Wie daarvoor de oogen gesloten mag hebben, de Gemeente des Heeren niet. In natuur en menschenwereld zullen er machtige teekenen — dit wordt met het woord „wonder" aangeduid — zich vertoonen. De Heere maakt de wereld rijp. Hij schudt aan de takken. Het volk in zelf verdwazing, dat God verlaat, dat alleen vraagt: wat heb ik er aan, wat voor winst kan het mij leveren — wordt door den Heere met nog grooter dwaasheden geslagen. Daar is schijnbaar geen die het ziet hoe men bezig is door elkander zichzelf te verwonden. Op dit moment is de vraag naar vrede als verstomd. Niet dat door zeer velen dezen niet als alleszins begeerlijk zou worden ingewacht. Ge kunt dit merken in de schriklijke dwaasheid op eigen erve. Men zoekt aanraking met het hoofd van Rome's kerk om, als er voor den wereldvrede iets gedaan kan worden, een hand maar te kunnen bieden.

Is dit niet teekenend dat vanuit datzelfde Rome, als vlak naast de omgeving van dezen kerkvorst, op het Pinksterfeest nog wel, weer een volk midden in den volkerenkrijg wordt neergesmeten. Ook daarin is Gods hand.

Als er één vrede zal maken is het niet de Paus, is het niet Neerlands regeering, maar God uit den hemel.

Weet ge wat ons als volk had gepast. Leest eens na wat in ons teksthoofdstuk staat.

„Blaast de bazuin te Sion, heiligt een vasten, roept een verbodsdag uit, verzamelt het volk, heiligt de Gemeente, vergadert de oversten. Laat de priesters, des Heeren dienaren, weenen tusschen het voorhuis en het altaar en laten zij zeggen: spaar Uw volk, o Heere."

't Zijn teekenen van den hemel, die heenwijzen naar den grooten, den doorluchtigen dag.

Uit al die teekenen, die oordeelen, die zelfverdwazing is nog genade uitgestort, nl. voor de Gemeente des Heeren, die voor Zijn Woord beeft, die op de handelingen des Heeren acht geeft, die let op de wonderteekenen. 't Is voor hen nog een voorbereiding.

Komt de groote dag des Heeren voor de wereld als een dief in den nacht, geen van hen, die den Heere toebehooren, zal durven beweren: ik heb van die komst niets bespeurd. De teekenen worden hoe langer hoe duide­lijker.

De zelfverdwazing, de openbare opstand, het niets meer van God willen weten, de vernietiging van elkander zïfl het middel zijn in de hand des Heeren om de Zijnen wakker te roepen, in den nood te drijven, Hem te doen aanloopen.

„En het zal geschieden." O, daar is zoo'n wonderlijke orde te merken. Wanneer men* zoo de wereld gadeslaat en derzelver gangen, dan zou de gedachte wel eens post kunnen vatten: is hierin nu nog een leidende gedachte Gods?

Verstaat ge 't nu wel, in dit verband: „en het zal geschieden"?

Het kan niet uitblijven. Het moet. In dien nood zullen ze komen en aanroepen.

Wien of wat? Den Naam des Heeren. Daarop wordt het alleen gewenteld. Op dien God, zooals Hij zich geopenbaard heeft, op den levenden God.

Zij zullen Hem aanroepen. Ja juist, d. i. het werk des Heeren, daaraan zult gij ze kennen, dat ze van den troon der genade en der gebeden niet afhouden. Ze zien waar het schepsel buiten God uitkomt; hoe het zich verteert; hoe het loert als het roofdier op het leven van zijn medemensch. Hoe er maar ééne lust is, om zichzelven te verrijken, grooter te worden, geen mensch en geen God meer noodig te hebben.

Alles, waarmee Hij oorspronkelijk door Zijn Schepper was gesierd, heeft hij afgeschud en uitgeworpen. Hij is een dienstknecht geworden van den Booze en vertoont in alles zijn trekken. Een zelfverderver, dat is het woord.

O Heere, wie zal nog behouden?

O Heere, wie zal nog redden ?

O Heere, wie zal nog zalig maken?

Daar is maar één uitweg: roep Mij aan in den dag der benauwdheid. Roep tot Mij en Ik zal antwoorden. Waagt het op dien sterken Naam alleen, deze is een toren. Daar is het den Heere om begonnen. Er zal een volk geleid worden door den Geest dat niet kan ophouden, het moet vragen, het moet smeeken, het moet roepen: Heere, behoud ons, wij vergaan.

Is het eerste waar, „en het zal geschieden, " het laatste niet minder „zal behouden worden." Wie den Naam des Heeren mag aanroepen zal zalig worden.

Daar is een oor dat te luisteren ligt. De kleinste ritseling, de geringste verzuchting, de meest stamelende gebedsschrei wordt in den hemel vernomen en beantwoord met deze heerlijke toezegging:

Zijn machtig arm beschermt de vromen En redt hun zielen van den dood.

Hij zal hen nimmer om doen komen In duren tijd en hongersnood.

Ja juist, op dit verband moet aller aandacht gevestigd. In den nood wordt de Naam des Heeren aangeroepen.

'k Zou het kunnen verstaan, dat iemand de opmerking maakte: hoe kan dat nu zoo vlak op elkander volgen: bloed en vuur en rookpilaren en vlak daarop zonder eenige overgang een van de allerliefelijkste beloften, een belofte waarop elke benauwde ziel het hoofd zoo gaarne zou nederleggen.

We kunnen dit verstaan, zeiden we, en toch schuilt het ongelijk ganschelijk aan uwe zijde.

Het zijn geen twee lijnen, nog veel minder twee botsende lijnen, 't Is één lijn.

Als daar gesproken wordt van wonderteekenen aan den hemel en op de aarde, zoo zoekt de Heere den argeloozen zondaar, die er maar zoo op toe leeft, den ernst van het bestaan, het gevaarvolle van heel zijn wonen op deze wereld duidelijk te maken. De Heere wil Zijn Naam doen aanroepen.

De verklaring van Calvijn van deze woorden is te schoon om ze u te onthouden. Hij zegt het aldus: indien God eenvoudig de zaligheid beloofde, zou dit reeds een groote weldaad zijn, doch het is nog veel heerlijker, dat Hij haar toezegt te midden van de gevaren des doods. Wanneer alle dingen zoo verward zijn, zegt Hij, en de verschrikking des doods alles zal aangegrepen hebben, roept Mij dan nochtans aan en gij zult behouden worden. Daarom, al ware het dat een mensch door een afgrond der ellende verslonden was, zoo wordt hem hier nochtans een middel aangewezen waardoor hij ontkomen kan.

We moeten ook letten op dat kleine woordeke: „al-wie."

Daar ligt al weer een van die wonderlijke haken, waarmee de Heere die kleine bekommerde zielen, die het zich maar niet durven toe te eigenen, naar zich toe haalt. De Heere spreekt het uit: och, daar is Mijnerzijds geen beletsel, daar zal in oprechtheid nooit een huis zich buigen, nimmer een bede tot Mij worden opgezonden, die geen gehoor zou verkrijgen.

Zou dat waar zijn, vraagt ge? Zou ik dit mogen gelooven?

Lezer, beantwoord dit eens zelf. De Heere zou een bang volk, dat voor z'n eigen zonden is geschrokken, dat het recht Gods erkent, maar dat Hij genoodigd heeft, ja het vertrouwen wakker geroepen door te spreken: eer zij roepen zal Ik antwoorden. Het zal Mijn Naam aanroepen en Ik zal het verhooren, dat diezelfde God, wanneer zij de klopper voor de zooveelste maal laten vallen, hem van Zijn deur zou afweren door te spreken: „Ik heb voor u geen oor. Ik zal u niet helpen." Neen lezer.

God zal Zijn waarheid nimmer krenken Maar eeuwig Zijn verbond gedenken.

Zijn Woord wordt altoos' trouw volbracht, Tot in het duizendste geslacht.

De Heere zet voor Zijn bange volk de deuren zoo wijd mogelijk open en spreekt: al wie.

Maar nu moet ook de andere kant naar voren. Al wie de Heere niet noodig zal blijken te hebben, waar geen roepen wordt gevonden, immers hij zou niet weten waarvoor, voor den zoodanige is geen ontkomen mogelijk.

O, laat ons de klanken eens beluisteren die er alzoo gehoord worden. Ge moet niet al te zeer zuchten, deze booze dagen gaan wel weer voorbij, daaraan komt ook één keer een einde. Neen we moeten den moed er maar inhouden.

Wat is het in den grond toch diep goddeloos. Al schokt de wereld en beeft de hemel, dan heeft nog de mensch uit zijn eigen geen gehoor, dan is er nog geen opmerken. Als de Geest des Heeren niet aanraakt, wordt hij nog meer verhard. Ook onder de oordeelen stompt men af.

Alleen als de Geest Gods hem aanroert wordt het: wat zullen we doen? Is daar ook een weg?

Waarop dit antwoord inkomt: zeker, een weg, waarop ge nooit kunt omkomen, 't Is een beproefde weg: al wie den Naam des Heeren zal aanroepen zal zalig worden. Of om met den Profeet te spreken „zal behouden worden".

Hierin komt nog duidelijker uit dat het des Heeren eigen hand is, die uitleidt, die binnen zet, die de poorten achter hen toesluit.

Ge wilt het nog duidelijker zien; leest dan wat er op volgt.

Hier staat een redegevend partikel.

Want op den berg Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn.

Ontkoming. Ge voelt in welke omgeving ge u hier bevindt. Hier is gevaar. Hier zijn vluchtelingen, die elk oogenblik het onheil wachten.

Op den berg Sion en te Jeruzalem. Ziehier twee woorden voor ééne zaak. Met Jeruzalem wordt aangegeven de stad des grooten Konings, de plaats, waar Gods volk wordt toe vergaderd. Maar door de toevoeging: de berg Sion, wordt u aangewezen; hoe ge u de poorten alleen zult zien ontsloten. Dan moet ge over den berg Sion, over den Tempelberg, door het heiligdom, voor het zoendeksel nederbuigen; dan zal het moeten zijn: Heere Jezus Christus, op Uw offerande alleen leg ik mijn hoofd neder. Dan zal er iets van moeten worden verstaan:

'k Sla d' oogen naar 't gebergte heen, Vanwaar ik dag en nacht Des Hoogsten bijstand wacht.

Mijn hulp is van den Heer alleen.

Hebt ge daarop uw oog gericht op dat werk van den Koning zelf? Ziet dan is er ontkoming. Zóo kan de vijand niet opjagen; zóo kan hij niet verschrikken, of wie aanklopt aan de Oosterpoort, wie het wachtwoord kent: „Christus alleen", „vrijmachtig welbehagen", die gaat binnen.

Geve de Heere dat ge 't in oprechtheid des harten den dichter moogt nazeggen:

Jeruzalem, dat ik bemin.

Straks treed ik uwe poorten in. Daar staan, o Godsstad, mijne voeten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 juli 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 juli 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's