De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij,

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij,

4 minuten leestijd

De financieele gelijkstelliiig.

In vrijzinnige onderwijskringen maakt men zich bevreesd over de ongunstige positie, waarin het openbaar onderwijs zal geraken, wanneer straks als resultaat van den arbeid van de groote Staatscommissie voor het onderwijs er financieele gelijkstelling van de bijzondere school met de openbare zal komen.

Bijzonderlijk is het de Bond van Nederlandsche Onderwijzers, waaruit stemmen opgaan, die, in verband met het perscommuniqué, dat concrete voorstellen over bepaalde aangelegenheden in de geheele ^Staatscommissie besproken zullen worden, de vrijzinnigen op het bedreigd openbaar onderwijs willen wijzen.

Naar van dien kant betoogd wordt, zit het gevaar voor de openbare school bij gelijkstelling hierin, dat terwijl de openbare school geen andere middelen heeft om de kosten van het onderwijs te bestrijden dan de openbare kassen, de bijzondere school, wanneer die gelijkstelling er is, bovendien nog zal kunnen putten uit de bijzondere fondsen, die deze school bezit, welke verkregen worden uit contributiën, collecten, schenkingen, erflatingen enz. Al deze middelen, die, als de gelijkstelling er eenmaal is, niet zullen opgegeven worden, zal aan de bijzondere school een dermate bevoorrechte positie geven, dat de openbare school daardoor in het gedrang komt.

Van eerlijke concurrentie zal in dit verband geen sprake kunnen zijn. De gelegenheid zal ontbreken om te doen uitkomen welk onderwijs in beginsel superieur is, het openbaar of het bijzondere, omdat de bijzondere school met de middelen welke haar ten dienste staan, haar onderwijs zooveel mogelijk zal vervolmaken.

Financieele gelijkstelling tusschen de openbare school en de bijzondere heeft dan ook geen andere practische beteekenis dan de vernietiging van de eerste. En daarom hebben de vrijzinnigen zich dan ook vooraf wel duizenmaal te bedenken voor en aleer zij er toe overgaan om hunne adhaesie aan de gelijkstelling te geven.

Zooeis de zaken thans staan, kurnen wij  van de bedenkingen die hierboven. werden weergegeven, iets verstaan. Het is voor de' voorstanders der openbare school, om er schier moedeloos onder te wzij deorden - wanneer zij de zo bij uitnemendheid nationale school, het gemeenschappelijk kleinood van alle vrijzinnigen zoo zienderoog hare positie zien inboeten. Maar waarom dan niet flink de handen ineengeslagen en in klinkende munt bijeengebracht wat de bijzondere school bij gelijkstelling uit particuliere kassen meer zal hebben? Voor de vrijzinnigen die zooveel kapitaalkrachtiger zijn dan de voorstanders der bijzondere school, moet dit zelfs geen offer zijn.

Doch als men daarin te kort schiet, en zijne liefde voor de openbare school niet anders uit dan door er de loftrompet over te steken, en overigens er geen dubbeltje uit eigen zak voor over heeft, dan moet men andermans werk niet bedillen. En zeker is het niet liberaal als men uit dien hoofde zou weigeren om recht te doen.

Voor de voorstanders der bijzondeiie school is het een eere, dat hun liefde voor het bijzonder onderwijs dieper zit dan die van de vrijzinnigen voor het openbaar onderwijs en dat zii er niet voor terugdeinzen om groote geldelijke offers daarvoor te brengen. Mogen zij na de gelijkstelling van diezelfde offervaardigheid doordrongen blijken.

Merkwaardige cijfers.

De onderstaande merkwaardige cijfers troffen wij onlangs in de Nederlander aan:

Aan het einde van 1912 werden in ons land gevonden 3322 openbare lagere scholen, met eene bevolking van 562.125 leerlingen, d.i. 169 leerlingen per school. Het aantal bijzondere scholen bedroeg toen 2199, met eene bevolking van 381.081 leerlingen, of 173 leerlingen per school. Het gemiddeld aantal leerlingen was dus op de bijzondere school nog iets hooger dan op de openbare.

Verder bedroeg het aantal leerkrachten op de openbare scholen 16.821 of 1 per 33.4 leerlingen, en op de bijzondere scholen 11.381 of 1 per 32.5 leerlingen. Het gemiddeld aantal leerkrachten was dus eveneens op de bijzondere school hooger dan op de openbare, zoodat ook in dit opzicht de bijzondere school de vergelijking schitterend kan doorstaan! De Rijksbijdrage bedroeg in 1912 aan de gemeenten f13.112, 800 of f 23.3 per leerling ; aan de bijzondere scholen f7.191.600, of f 18.8 per leerling. Reeds ten aanzien van de Rijkskas bestond dus geene financieele gelijkheid, zooals sommigen misschien dachten. Daarbij moet echter nog gevoegd worden hetgeen uit de gemeentekassen voor het openbaar onderwijs werd. uitgegeven. In 1912 werd door de gemeenten in totaal, dus inclusief de Rijksbijdrage, doch na aftrek van het geïnde schoolgeld, dus netto, voor het openbaar lager onderwijs uitgegeven f 24.991.683, of f 44.4 per leerling. Elke leerling der openbare school kostte dus aan de openbare kas f 25.60 meer dan een leerling der bijzondere school. Dit maakt op de 381.081 leerlingen der bijzondere scholen een bedrag van f 9.755.673.601.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 juli 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij,

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 juli 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's