Uit het kerkelijk leven.
Van verborgen omgang
XIII.
Van eeuwigheid is er een betrekking tusschen Christus en zijn volk. Zijne liefde vangt niet pas aan als de mensch neerligt in zijne zonde en ontferming daadwerkelijk behoeft, maar zij gaat oneindig dieper, is oneindig gróoter en wonderlijker. Vóór de grondlegging der wereld, in de eeuwige stille levensvolheid des Drieëenigen, toen nog geen schepsel zich tfegenover Hem bevond, gold reeds van zijne 'kinderen: „gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem vóór de grondlegging der wereld." Krachtens die eeuwige betrekking op zijne kinderen is dan ook alles geschied wat de Zoon ooit deed tot verlossing. In dat licht verkrijgt gansch het werk des heils een onvergankelijk, een onberouwelijk, een onverbrekelijk karakter. Het zijn de eeuwige daden van Gods liefde, die in den tijd verwerkelijkt worden, die in den tijd geopenbaard worden. Zooals alle geschapene dingen opkomen uit de onzienlijke, , scheppende daden Gods, zoo komt ook het heil in Christus op uit den grond van Gods eeuwig besluit. Zooals in al het scheppingsleven Gods scheppingsgedachten zich voor ons belichamen en heel het wereldleven daarvan de uitdrukking is, zoo! is ook in zijne heilsdaden de vervulling zijner heilsgedachte. Die heilsgedachte wordt gedragen door de liefdekrachten in Gods Wezen, die tevens de bron zijn van haar verwerkelijking. Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat is het eerste, dat is de diepe bron, waaruit alle wateren des heils zijn opgeweld, waaruit ook opkwam dat andere, dat eeuwige, allesoverheerschende, alles in zich vervattende feit, dat Hij zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft. En Hij werd gegeven opdat, wie in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Alles wat Christus ais Middelaar ooit deed of leed, Hij deed en leed het om hunnentwil. Hij deed het, omdat de redding zijner kinderen Hem het hoogste goed was, dat Hij moest verkrijgen, opdat zijn Vader zou verheerliijkt worden.
Zoo staat dus het mysterie van Bethlehems kribbe, de verborgenheid der godzaligheid, de vleeschwording des Woords voor ons als eene daad van vernedering, geschied om onzentwil. Overmits dan de kinderen des vleesches en des bloeds deelachtig zijn, zoo is Hij ook desgelijks derzelver deelachtig geworden. Niet de engelen neemt Hij aan, maar Abrahams zaad. Zijn arm volk ging Hem boven de engelen. Zijne kinderen zijn Hem meer dan al het andere. Om hunnentwil gaat Hij in de wondere diepte der vernedering.
Wij kunnen ons daarvan geene voorstelling maken; noch beseffen wat die ingang in het vleesch voor Hem beteekend heeft. De Schrift spreekt van zijn rijkdom, dien Hij had bij den Vader om ons de goddelijke heerlijkheid te malen, waarin Hij als de tweede Persoon, als het eeuwig Woord, mocht opgaan om ons diep te doen gevoelen, hoe machtig de tegenstelling is tusschen die goddelijke glorie en den staat der vernedering, waarin Hij afdaalt, en dien zij als dien van armoede ons teekent. Die rijk was, werd arm. De heerlijkheid, die Hij bij den Vader had eer de wereld was, legde Hij af, opdat Hij het werk voleindigen zou, dat Hera was opgelegd. Er is een oneindige afstand tusschen Schepper en schepsel. Als er dus van een vleeschwording des Woords zou kunnen sprake zijn, dan moest er eene vernietiging des Zoons plaats grijpen, eene inbinding der goddelijke heerlijkheid, eene ontlediging daarvan., Daarom zegt dan ook de apostel die in de gestaltenis het geen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn; maar heeft zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende". Gode is niets gelijk dan alleen Hij, die zelve God is, die ook Gods Wezen deelachtig is, die waarachtig en eeuwig God is, en deelt in al de volheid van het goddelijk Wezen zelf. Alzoo was de Christus als het eeuwig Woord. En als Hij zijn Middelaarstaak aanvaardt, dan aanvaardt Hij de gedaante van een mensch en krijgt Hij het karakter van een dienstbare, verschijnende „in de gelijkheid des zondigen vleesches." En dat doende neemt Hij aan een staat, die zoo volkomen verschilt van hetgeen Hij als Gods, dat zulks genoemd wordt eene zelfvernietiging, eene ontlediging. In de vleeschwording was een zich gelijkmaken met het schepsel en als zoodanig een vernedering an Gods Zoon. Wordt het ons in de Heilige Schrift geteekend, dat Hij in zijne heerlijkeid hoog is boven de hemelen en dat Hij alleen slechts in nederbuigende goedheid neerziet op de schepselen, hoeveel dieper is dan zijn nederbuigen, als Hij er niet slechts op ziet, maar onze natuur in eene persoonlijke vereeniging aanneemt. Was het dan mogelijk, dat van de majesteit en heerlijkheid van het Goddelijk Wezen iets wordt afgedaan of verdonkerd? Is vermindering van Gods Wezen, verdooving van zijn glansen, verzwakking en verduistering van de liclxtzee van zijn goddelijk deugdenbeeld mogelijk ? Neen. Van het oneindig, eeuwig volmaakt Wezen Gods kan niets worden genomen. Zooals alle schepselen saam, hoe machtig vele zij zijn, aan Gods heerlijkheid niets kunnen toevoegen, zoo kan er ook niets aan worden afgedaan. Als dus de Zoon Gods het vleesch aanneemt en ons in alles gelijk wordt, uitgenomen de zonde, dan wordt ook daardoor aan de heerlijkheid van zijn Wezen niets veranderd, maar zij wordt als omfloersd door de gedaante des menschen. Zij verschijnt als iets geheel anders dan zij inderdaad was van eeuwigheid. Het is als met het licht, dat gezet wordt onder de korenmaat. Het heeft niet minder warmte en straalt niet minder licht uit, maar ons oog bemerkt het niet, neemt slechts de korenmaat waar; of als met den koning, die om de nooden van zijn volk te leeren kennen en te kunnen lenigen, als een arm bedelaar gekleed, zich mengt onder de schare. Hij verschijnt als bedelaar, niemand ziet iets anders in hem en toch is hij de machtige, de groote, en aan majesteit en heerlijkheid rijke heerscher, ook al wordt hij door niemand als zoodanig gekend en gegroet. En daarom is het dan ook, dat de Heere Jezus uit den staat der vernedering kan bidden: „En nu verheerlijk mij, Gij Vader! bij Uzelven, met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was." Zijne heerlijkheid, die zich niet openbaarde, die niet uitstraalde en van welker inbinding de Heere Jezus zich bewust is, begeert Hij, , dat wederom uitblinken zal. Voor zijn En alles dat Hij deed en leed, kan alleen verstaan worden uit dit gezichtspunt. Om zijns volks wil vernedert Hij zich, wordt Hij gehoorzaam. En als zoodanig is heel het leven van Christus eene vervulling van alle gerechtigheid. Om die gerechtigheid vol te maken, ondergaat Hij alle lijden, maar is Hij ook goeddoende den ganschen tijd zijns levens. Het is een groot offer, dat Hij brengt. In de dagen zijns vleesches heeft Hij gebeden en smeekingen met sterke roeping en tranen geofferd en geleden. In dat alles was eene volmaking van gerechtigheid, eene volbrenging der wet. De Heere Jezus Christus heeft in dat alles de wet vervuld. De eisch der wet is God lief te hebben boven alles en den naaste als zichaelven. En als de Heere Jezus door dezen weg van vernedering heengaat, dan is daarin de daad der hoogste liefde Gods. Hij komt om Gods welbehagen te doen, is dienstknecht Gods. Maar het werk dier vernedering doet Hij niet voor ziehzelven, dewijl geene zonde in Hem is, geene zonde door Hem gekend wordt. Hij doet het om zijner broederen wil, om onzentwil en betoont daarin een liefde als nooit iemand toonen kon, noch wilde. Om onzentwil heiligt Hij ziehzelven, wijdt Hij zich als een offer ten doode. Hij kent maar één doel, waarop zijn gansche verschijning is aangelegd: dat Hij zal sterven. Hij neemt het vleesch aan, wordt geboren, leeft en strijdt en lijdt, maar opdat Hij in den dood zal ingaan. Zoo openbaart de Heere Jezus eene liefde, die boven de waardeering van eigen leven uitgaat.
Voor Zijn persoon is het vernedering, dat Hij verschijnt als een mensch, als onzer één. Zooals de glans van den edelsteen gedoofd wordt, wanneer hij met de klei wordt omwikkeld en voor een korrel klei wordt aangezien, niet meer als edelsteen wordt gewaardeerd, zoo is ook Christus in gedaante gevonden als een mensch, een dienstknechtsgestalte, in de oogen der wereld zonder waarde, niet geacht en niet in tel. En toch is Hij in dien vernederden staat, ontledigd in de aanneming des vleesches, vernietigd in de gestalte van een dienstknecht, opdat Hij alzoo Gods werk zou doen in de verlossing zijner kinderen.
Wie dan ook zijn voet zet op Golgotha, en zijne offerande aanschouwt, wie bedenkt dat in dien weg Gods vloek over Hem is, Gods toorn Hem aangrijpt, van God verlatenheid over Hem komt, die zal ontroerd staan vanwege de grootheid eener liefde, die zoo groot is, dat zij alleen Gods liefde wezen kan. Niemand heeft meer liefde dan deze, dat iemand zijn leven zette voor zijne vrienden.
In de wereld is er geen woord, waarvan meer misbruik wordt gemaakt dan van het woord „liefde". Er zijn predikers in wier mond het als een stopwoord is. Het wordt den menschen aangezegd predicatie na predicatie terwijl zij nog niet nalaten kunnen in diezelfde predicaties hun haat uit te spreken over menschen, die anders denken dan zij. Vooral zij, die het meeste spreken over de liefde, munten dikwijls uit door haat, die zoo groot is, dat zij blijkbaar niet merken, hoe hij al hunne liefde overheerscht. Waarachtige liefde is een zeldzaam goed. Zij wast niet op den akker van het natuurlijk hart. Geen mensch bezit haar uit ziehzelven. Zij kan ons alleen toekomen uit de levensvolheid van Hem, die alleen waarachtig liefgehad heeft. Ook uit het gebrek aan liefde, dat in de gemeente kan worden opgemerkt, blijkt het gebrek aan verborgen omgang met Hem, het gebrek aan oprecht geestelijk leven. De godzaligheid is niet in woorden, maar in kracht. En dat er dan ook velen zijn, op wien het ontzettend oordeel des apostels van toepassing is, dat zij talen van menschen en engelen spreken en klinkend metaal en luidende schellen zijn, omdat zij de liefde niet hebben, kan niet betwijfeld worden. Het mag ieder onzer dringen tot waarachtig zelfonderzoek, opdat wij niet onszelven misleiden met een schijn van geestelijk leven, waaraan de waarheid ontbreekt. Het zal juist daarom noodig zijn den omgang met den Heere Jezus Christus te zoeken, opdat wij uit zijne volheid van liefde mogen bedeeld worden met gaven, ook met de gave dier liefde, die lankmoedig en goedertieren en niet afgunstig is, met eene liefde, die zich verblijdt in de waarheid en toch alle dingen bedekt, gelooft, hoopt en verdraagt. Die liefde te smaken en te openbaren is het schoonste getuigenis des Evangelies, dat van ons kan uitgaan, is de schoonste verheerlijking van onzen Heere Jezus Christus, waarvan de Catechismus getuigt, dat daardoor onze naaste voor Christus wordt gewonnen. In de waarachtige liefde, die uit Hem is, openbaart zich de gemeenschap met den Middelaar op de klaarste en schoonste wijze. En dat ook die openbaring der liefde niet bijkomstig is, maar gegrond in de eeuwige, verkiezende daad Gods blijkt daaruit, dat zij door de Schrift zelve als doel der verkiezing wordt aangegeven. Daarom staat er geschreven, dat Hij ons heeft uitverkoren in Christus vóór de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde. De roeping en de verkiezing komt dus daarin openbaar; zooals ook omgekeerd in den dood van Christus ons de liefde Gods wordt bevestigd. Zooals de liefde Gods geen ijdel woord is, maar voor ons staat in de daad des ontfermens in de gave van zijn eengeboren Zoon, zoo zal ook onze liefde niet zijn een ijdel woord en ook geen schijndaad in de gave van iets, maar de wijding van ons gansche leven, de waarachtige overgave onzes levens in het offer van Christus, het schade en drek achten van ons uitnemendste goed in de kennis van Christus, een verliezen van alles om zelve in Christus gevonden te worden. Waar die overgave ontbreekt, en van een kruisiging in en met Hem geen sprake is, daar kan o zooveel worden gebazeld over de liefde van Jezus en over de liefde tot den naaste en wat dies meer zij, zonder dat er van ware liefde kan worden gerept. De apostel zegt dan ook, dat als hij al zijne goederen tot onderhoud der armen uitdeelde, zelfs zijn lichaam overgaf, opdat hy verbrand zou worden en hij had de liefde niet, het zou hem geene nuttigheid geven. De schijn kan dus verre gaan en toch de waarheid ontbreken. Daarom beproeve een iegelijk ziehzelven of hij inderdaad uit de levensvolheid van Christus ook dit schoone en heerlijke goed ontving. Niemand heeft ooit liefgehad als Hij, die voor ons stierf, toen wij nog zondaars waren.
Christus heeft voor de vreugde, die Hem als het eeuwig Woord Gods was voorgesteld, het kruis verdragen en de schande veracht. Hij heeft zijn rijkdom afgelegd, zelfs prijsgegeven de liefde van God, die over Hem was, opdat Hij, die geene zonde gekend heeft, tot zonde gemaakt zou worden, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. Uit zijne vernedering blijkt dus op welken hoogen prijs Hij zijn arm volk heeft gesteld, hoe Hij het liefhad met een eeuwige liefde, met eene oneindige liefde. Liever dan dat Hij het liet omkomen, liever dan dat Hij afstand van hen deed, gaf Hy ziehzelven over voor de gemeente, opdat Hij hen heiligen zou. De diepte van zijne vernedering toont de vrijmacht zijner liefde. Hij gaat onder in de diepe kolken van onzen dood, laat zich verzweigen door den maalstroom onzer oordeelen, bewogen door de macht der liefde tot een gansch verloren, schuldig volk' waarvan Hij in de daden zijner ontferming het duidelijk openbaart, dat Hij het liefheeft als den appel der oogen, als zijn kroon, als het kostelijk diadeem om de slapen van den Middelaar Gods.
Zoo blijkt het duidelijk, dat de gansche wereld Hem niets is in vergelijking met zijne kinderen. Zij gaan Hem boven alles, zooals Hij voor zijn oude volk Egypte, Moorenland en Seba gaf als losgeld en van dat volk verklaart, dat het kostelijk is geweest in zijne oogen en dat Hij het verheerlijkt en liefgehad heeft, zoo geldt het van zijn kinderen eveneens, dat Hem geen offer te groot, geen arbeid te zwaar is geweest om hen te verlossen uit de diepten hunner zonden en ellenden. En de grond van deze wijze van handeling met zijne kerk is gegeven in zijne vrij machtige liefde. Alles doet Hij om harentwil. In alle leiding, die Hij met de wereld en met al hare volkeren neemt, heeft Hij steeds het oog gevestigd op haar. Zooals om de zon zich het gansche zonnestelsel beweegt en met de zon alle andere hemellichamen verband houden, zoo is ook Gods kerk het middelpunt van de geschiedenis der wereld, omdat Hij zelf in heel die wereldontwikkeling de eerste en de laatste is. Het gaat alles om Gods glorie in Christus en de glansen dier heerlijkheid gaan uit over zijn kerk. De kleinste van Gods kinderen is daarom meerder dan de wereld.
De nederste, de armste onder Gods volk wordt door Christus meer op prijs gesteld, hooger gewaardeerd dan al wat in deze wereld groot wordt geacht. Het mag wonderlijk schijnen in onze oogen, dat zijn arm volk als de pilaar is, waarop het gebouw der menschheidsontwikkeling rust, omdat het zichzelf zoo klein en nietig weet en door de wereld zelve wordt veracht; toch is het alzoo, orhdat de Christus als het eeuwig Woord, de Schepper van de einden der aarde, dezelfde is, die als haar Verlosser vleesch werd, maar ook uit den hemel verwacht wordt als haar Rechter. Zijne eere is in de rechtvaardigmaking zijner heiligen. Hij maakt alle dingen nieuw. En al de leiding Gods met deze wereld heeft slechts dit eene doel, dat Hij, die de alpha en de omega is, het begin en het einde, dus de spil van al het wereldleven, den dorstigen geven zal uit de fonteinen van het water des levens om niet. Zoo groot is zijne liefde, zoo kostelijk is zijn volk in de oogen des Heeren. Heeft niet daarom de dichter gebeden: „Gedenk mijner, o Heere! naar het welbehagen tot uw volk, bezoek mij met uw heil; opdat ik aanschouwe het goede uwer uitverkorenen; opdat ik mij verblijde met de blijdschap uws volks, opd^jt ik mij beroeme met uw erfdeel."
Geest en hoofdzaak.
Woensdag 30 Juni j.l. vergaderden de 44 Classes onzer Ned. Herv. Kerk.
Onder de Synodale voorstellen — er waren er 10 — was het 4de, over de schrapping! van de woorden „geest en hoofdzaak" in art. 39 Regl. Godsd.onderwijs zeker niet de minst belangrijke. Het is wel de moeite waard even na te gaan hoe men tegenover het schrappen van die woorden staat.
In Gelderland was de Class. Vergadering van Arnhem voor de schrapping met 53 tegen 7 stemmen (blanco 5); Nijmegen tegen, met meerderheid van stemmen; Zutfen voor, met 51 tegen 46 st.; Tiel tegen, met 26 tegen 24 St.; Bommel voor, met 38 tegen 11 st. en Harderwijk voor, met 49 tegen 5 stemmen.
In Zuid-Holland was den Haag voor, met 66 tegen 6 st.; Rotterdam voor, met 74 tegen 12 St.; Leiden voor met 63 tegen 7 st.; Dordrecht voor, met 69 tegen 10st, ; Brielle voor, met 41 tegen 16 st.; Gouda voor, met 49 tegen 15 st.
In Noord Holland was Amsterdam voor, met 65 tegen 15 st.; Haarlem tegen, met40 tegen 30 st.; Alkmaar tegen, met 66 tegen 13 St.; Hoorn tegen; Edam tegen, met 40 tegen 7 st.
In Zeeland was Middelburg voor, met 40 tegen 15 st.; Zierikzee voor, met 31 tegen 19 st.; Goes voor, met 53 tegen 8 st.; IJzendijke tegen, met 31 tegen 8 st. |
In' Utrecht was Utrecht voor, met algemeene stemmen op 3 na; Amersfoort voor, met 44 tegen 6 st.; Wijk wor met 32 tegen 2 st. In Friesland was Leeuwarden tegen, 13 st. waren er vóór; Sneek, ons nog onbekend; Franeker voor, met 46 tegen 42 st.; Dokkum voor, met 51 tegen 29 st.; Heerenveen tegen, met 45 tegen 38 st. (blanco 2).
In Overijssel was Zwolle voor, met bijna algemeene (55) st.; Deventer tegen, met 45 tegen 27 st.. Kampen voor, met 41 tegen 4 stemmen.
In Groningen was Groningen tegen, met 42 tegen 23 st.; Winschoten tegen, met groote meerderheid; Appingedam voor met 42 tegen 34 st; Winsum, ons nog onbekend.
In N.-Brahant met Limburg was den Bosch tegen; Breda voor, met 32 tegen 13 st, ; Heusden voor, met bijna algemeene stemmen; Eindhoven tegen, met 15 tegen 5 st.; Maastricht tegen.
In Drenthe was Assen tegen, met 32 tegen 5 st.; Meppel tegen, met 19 tegen 13 st. (blanco 2); Emmen nog onbekend.
Daar ons nog niet alle gegevens ten dienste staan, kunnen we nog geen volledig overzicht geven. Maar we zien al wel, dat er méér Class. Vergaderingen voor de schrapping waren dan er tegen; terwijl onder de voorstemmende vergaderingen heusch niet de minst beteekenende zijn.
Of waren niet Arnhem, Zutfen, Bommel, Harderwijk, den Haag, Rotterdam, Leiden, Dordrecht, Brielle, Gouda, Amsterdam, Middelburg, Zierikzee, Goes, Utrecht, Amersfoort, Wijk, Franeker, Dokkum, Sneek, Zwolle, Kampen, Breda en Heusden vóór stemmende ? In doorsnee alles wat orthodox is! Getuige den Haag, Middelburg enz. enz.
Dat is zeer zeker een stem uit de Kerk die allermerkwaardigst is en die in deze zaak moed geeft om niet te wanhopen en niet te versagen!
De Provincie Zeeland bestaat uit 4 Classes, en wel: Middelburg (21 gemeenten en 29 predikanten), Zierikzee (24 gemeenten en 28 predikanten), Goes (32 gemeenten en 34 i predikanten) en IJzendijke (23 gemeenten en 23 predikanten).
Nu heeft de Classis Middelburg zich uitgesproken vóór de schrapping van de woorden geest en hoofdzaak in art. 39 Regl. Godsd onderwijs; en wel met 40 st. vóór en 1 tegen.
De Classis Zierikzee besliste eveneens vóór de schrapping, met 31 st. vóór en 19 tegen.
Ook Goes was vóór de schrapping met „overgroote meederheid" zijnde 53 tegen 8st,
Alleen de Classis IJzendijke waar 39 vaü de 46 leden waren opgekomen en waar het half modern en half orthodox is (Zeeuwsch-Vlaanderen) verwierp men het Synodale voorstel en verklaarde men zich tegen de schrapping met 31 tegen 8 st.
De Provincie Zeeland is dus met overgroote meederheid (132 tegen 73 stemmen) voor de schrapping van de woorden „geest en hoofdzaak".
En de afgevaardigde voor Zeeland, Dr. Weyland van Veere, stemde in 1914 in de Synode tegen.
Het maakt wel een eigenaardigen indruk om zoo'n afgevaardigde te hebben bij zoo'n algemeen besproken en diep ingrijpende zaak.
En het moet bij den afgevaardigde toch wel eens de gedachte doen opkomen: zit ik hier nu wel op m'n plaats?
Alles heeft toch z'n grenzen!
Het Beheer.
Naast de kwestie van „geest en hoofdzaak" trok op de Class. Vergadering aller aandacht het Concept-Reglement op het beheer.
Waar we van alle Class. Vergaderingen in deze nog geen uitslag der stemming hebben gelezen (wat jammer dat de verslagen zoo langzaam komen; kon men nu niet algemeen zorgen voor een kort resumé van elke vergadering? ) kunnen we ook nog niet zeggen, hoe overal deze zaak is besproken en dit reglement is ontvangen.
Volgens onze aanteekeningen was men tegen dit Regl. in: Amsterdam, Rotterdam, Leiden, den Haag, Gouda, Dordt, Brielle, Haarlem, Utrecht, Breda, Arnhem, Harderwijk, Kampen (23 st. tegen, 22 st. voor) Nijmegen, Heusden.
Vóór het Regl. verklaarden zich: Edam, Goes, Hoorn, Meppel, Alkmaar, IJzendijke, Tiel, Zwolle, Zutfen, Assen, Winschoten, Heerenveen, Bommel.
Wij komen nog wel nader op deze zaak terug.
Een schunnig boekje.
Wie er 25 cent voor over heeft kan een schunnig boekje koopen. t Is getiteld „Kunnen vrijzinnigen in de Nederl. Hervormd Kerk blijven ?'
En 't is geschreven door Ds. T. A. van der Vlies, Herv. predt. te Poortugaal (Classis Rotterdam, Ring IJsslmonde).
Men zou verwachten, wanneer men 't boekje ziet, dat er nog al wat in staat om te lezen. Maar van de 32 pagina's is net de helft ingenomen door „titelopgave van werken bij Brusse's uitgev. maatschappij verschenen."
Dat valt dus al tegen; want daar koopt men niet een brochure voor die handelt over het al of niet blijven van de vrijzinnigen in de Herv. Kerkl Hier bakt de uitgever ons dus een poets. Maar als men dan de 16 pagina's neemt die gevuld zijn met het geschrijf van den vervaardiger, dan leest men nergens, dat de vrijzinnigen recht hebben om in de Herv. Kerk te. blijven. Alleen wat versleten dwaasheden over het protestantsch beginsel; waarbij het weer voor de zooveelste maal uitkomt, dat modernen aan historisch geworden woorden en termen maar eigenmachtig een uitlegging geven, die nergens naar lijkt.
Protestantsch zou het dan ten slotte zijn om de Godheid van Christus en de verzoenende kracht van Zijn bloed te loochenen! Wie, die historie kent, zal dat nu durven beweren ? Immers niemand! Protestantsch is toch: protesteeren tegen alle leugen-en dwaalleer, tegen alle overheersching van menschen, waarbij de waarheid van Gods Woord en het dienen des Heeren naar Zijn getuigenis, in 't gedrang zou komen?
Zóó heeft Luther 't verstaan! Zóó verstond men 't te Spiers in 1529! Of getuigde men daar niet (19 April 1529):
»Wij gelooven, dat de Schrift uit de Schrift verklaard moet worden; dat de Bijbel op ziehzelven een verstaanbaar boek is, dat in de hand van eiken Christen behoort te zijn, en dat elke geloovige daarin een krachtig wapen heeft om dwalingen te bestrijden, en een voortreffelijk middel om in duisternis licht te doen opgaan. Wij hebben ons daarom voorgenomen, om, met Gods hulp, de hand te houden aan de zuivere en onvervalschte prediking van het Woord van God, zooals ons dat geopenbaard en te vinden is in de boeken des Ouden en Nieuwen Testaments, en zonder daaromtrent eenige toevoeging of' afwijking te gedoogen. Dat Woord alleen is waarheid en daarin alleen kunnen wij leering, bestuur en troost vinden onder alle omstandigheden des levens. Dat Woord is het eenige vaste en onwankelbare fundament, en die daarop bouwen zullen niet beschaamd gemaakt worden. In vergelijking met dat Woord is alle menscheljjk woord en leering ijdel, 'dwaas en verwerpelijk.»
Ziet, zóo spraken de Protestenaten te Spiers. 1509 '
Maar . dan moeten de moderaen dat!" woord Protestant niet door den modder halen. Veel teleurstelling wacht u dus, als gij de brochure kunnen de vrijzinnigen in de hervormde Kerk blijven? koopt. Er wordt eigenlijk niets over dat onderwerp gezegd.
Wel wordt intusschen beweerd, dat het getal moderne.predikanten die bezwaar zullen hebben tegen het letterlijk stellen van de belijdenisvragen uit art. 38 Regl. Godsd. onderwijs maar bitter klein zal zijn.
Men kan dus wat dat betreft de woorden; ^geest en hoofdzaak" wel schrappen.
Men zal zich in den kring der «modernen er weinig of niets van aantrekken, zegt Ds. V, d. Vlies.
Maar wat eigenlijk — 't andere wordt zoo maar terloops gezegd — de grooie zaak is die Ds. V. d. Vlies tot schrijven dreef?
't Is dit: hij voelde lust, waar er geen Zola was die (opstond, om de orthodoxen uit te schelden en aan de kaak te stellen.
Dat is de zaak waar 't in - deze 'brochure .omgaat.
Waarom de titel ook heel anders had moeten zijn; b.v. „De orthodoxen in staat van beschuldiging"; of „de rechtzinnige schurken ontmaskerd".
En ja — dan gaat het van een leien dakje. Het woordenboek van Ds. v. d. Vlies is wonderrijk als bij de orthodoxen de huid gaat vol schelden, Jezuiten, geldwolven, nachtuilen, volksmisleiders, rottende cadavers, goddelooze leiders, femelende schijnheiligen, enz. enz.
Terwijl er van geen enkele uitzondering sprake is!
En niet onduidelijk geeft hij te kennen, dat van moderne zijde deze domme dwepers en goddelooze schijnheiligen tot nu toe veel te fatsoenlijk behandeld zijn.
Van moderne zijde moet men andere batterijen opstellen tegen die verachtelijke orthodoxen.
„O! stond er ook nu een held als Zola op, om femelende schijnheiligheid te ontmaskeren en te beuken met zijn woord!
Gij, vrijzinnigen, bedenkt: men vermorzelt geen graniet met zijden lapjes; men mokert het ijzer niet met fluweel.
Tracht niet langer in woord en geschrift met menschen, die onder het mom van vroomheid, lagere belangen najagen, te strijden, alsof zij waardige tegenstanders zijn!
Keert vol minachting u van hen af!" Dat is zoo ongeveer 't slot. 't Is om te lachen.
Intusschen worden hier de orthodoxen vergeleken met „graniet" en met „ijzer". 't Modernisme is wel eens een „ fata morgana" genoemd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 juli 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's