Stichtelijke overdenking.
Uit de diepten roep ik tot U, o Heere! Psalm 130: i.
Uit de diepten.
Uit diepe diepten riep de dichter van dit lied Hammaaloth tot zijn God.
Niet immer is het in diepte, als de Christen zijn knieën buigt, 't Gebeurt, dat Gods kind op hoogen bergtop klimmen mag. Daar blikt bij rond met heilige verrukking in 't oog.
Boven hem welft zich de blauwe koepel van het prachtig firmament. Hoe schitterend weerkaatst deze de lichttrillingen, door de zonneschijf naar alle zijden uitgezonden. Boven dit kristallen gewelf weet de Christen dat zijn God woont en troont in het heilig oord des hemels. Daar jubelen de vrijgekochten des Heeren en zingen glorie toe aan het Lam, dat geslacht is, en waardig is te ontvangen lof, aanbidding en eere tot in eeuwigheid. Ook weet hij, dat hij zelf daar straks zal meestemmen in de zuiverste akkoorden, wanneer hij zijn pelgrimsreis heeft volbracht, de strijd is volstreden, en zijn kruis hem voor altijd van de moede schouders gleed.
Hoe heerlijk voor den Christen, op hoogen bergtop te zijn. Frisch geurt daar het bergkruid, en met kleurenpracht prijken de bloemen. Ver beneden zoemt het aardsch gewoel en gewemel. De borst ademt reine luchten. De knieën buigen zich om den God der goden te huldigen.
Gansch anders is de Christen gesteld, als hij in de diepte, omlaag, onder wolken van donkerheid, met soms natgeschreide oogen en toegenepen keel, neergebogen ligt voor een heilig, heilig, heilig God. Dan spreekt bij: „Uit de diepten roep ik tot ü, o Heere!"
Het verband dezer woorden wijst duidelijk ^ari, welke dè aard der diepte is, waarin de vrome zanger verbroken en verbrijzeld voor zijn God nederlag. Immers nadat hij zijn eigenlijke bede aldus aanving: „Heere, hoor naar mijne stem, laat Uwe ooren opmerkende zijn op de stem mijner smeekingen!", volgen woorden, die ons de diepte van smart, de kuil van zorgen en zuchten, doen peilen, waarin hij riep tot zijn God. We beluisteren: »Zoo Gij, Heere, '-de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan? "
't Is dus niet uit de diepte van tijdelijke zorgen en stoffelijken nood, dat de dichter tot zijn God roept. O zeker, ook aardsche zorgen kunnen pijnlijk kwellen, en ook deze brengen, als 't wêl is, den Christen op de knieën. Edoch van bekommernis over 't tijdelijke wordt in gansch dit lied Hammaaloth zelfs niet gerept. Ook nog aan 't slot, als Israels verlossing aangeroerd wordt, klinkt 't: «En hij zal Israel verlossen van al zijn ongerechtigheden."
't Is in de diepte van zonde en schuld, dat de heilige zanger voor zijn God ter-nederligt.
Van menig mensch gaat't hart naar zonde üit zonder schuld over de zonde te gevoelen, zonder te beseffen, welke verantwoordelijklieid zonde meebrengt tegenover den Richter' van hemel en van aarde. Ook hult de zonde zich in zulk bekoorlijk kleed, en klinkt haar lokkende Sirenenzang het Adamskind zoo zoet in 't oor. Hoe moeilijk, ja in eigen kracht onmogelijk, voor den zondaar om aan de toovermacht der zonde zich te ontworstelen! Wat is hem liever dan de zwijmelbeker der zonde aan de lippen te zetten, en het zinnenstreelend vocht met volle teugen in te drinken? Gelijk vurig venijn kan de begeerte naar zonde vaak branden in de aderen.
Hoe duur evenwel zondigt die gaarne zondigende mensch! Betalen moet hij met lichaams-en hartepijn, ziels-en gewetensrust, en straks met zijn eeuwig zieleheil.
Wat bekoorlijk scheen, blijkt ergerlgk en walgelijk te zijn. Wat zoet proefde, laat een nasmaak van gal en alsem achter; aangenaam was 't slechts in den mond, maar bitter in de buik. Wat met een glimlach begon, eindigde vaak met slapelooze nachten en roodbeschreide oogen.
„Zoo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan? "
Ja, wie zal bestaan ? Wie leeft er die geen zondaar is? Moet niet elk, wien de oogen opengingen, met een Job bekennen: Waarlijk! ik weet, dat het zoo is, want hoe zou de mensch rechtvaardig zijn bij God? Zoo Hij lust heeft, om met hem te twisten, niet één uit duizend zal hij Hem beantwoorden" (Job 9:1 en 2). Daarom, allen worden we zondaars voor Zijn vlekkeloos heilig aangezicht, zoo de Heere ons aan onszelf ontdekt. Zelfs de braafsten en deugdzaamsten naar eigen schatting moeten de blikken met oprechte schaamte neerslaan voor God.
Och arme, een mensch kan zoo vroom, nobel en braaf zijn in eigen oog. Als we in 't gemeen genomen de ongodsdienstige menschen in hun gesprekken en geschriften afluisteren, is dit zoo vaak een grondtoon: Wij zijn braaf en goed, maar de vromen deugen niet." Deze redeneering komt uit onze gevallen natuur voort. Zij leeft in ons aller hart met allerlei variaties. Daarom klaagde de Heere Jezus ook over de Laödicensen; „Gij meentj dat gij rijk en verrijkt zijt en gèéns dings gébrék hebt; maai gij weet niet; dat gij zijt ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt." (Openb. 3 : 17),
Gelukkig dan ook, die iets anders leerde kennen! Die moet zich vernederen, en spreekt met den dichter: Uit de diepten roep ik tot u, o Heere!" 't Hart moet zuchten: , Zoo Gy, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan? " Öf met Ps. 38 : 19: Ik ben bekommerd van wege mijne zonden."
In de diepten komt ge dus geknield te liggen, door Gods Heiligen Geest aan uzelf ontdekte zondaar. „In de diepten, " verklaart de dichter, wijl 't niet anders kan, of ge begint u zelf hoe langer hoe meer te kennen, ge gaat de zonde in hare schuilhoeken opspeuren, en de ééne diepte van schuldbesef opent zich na de andere. Ook in deze zegt de Heere tot ons: Menschenkind, graaf nu in dien wand, , en zie de booze gruwelen die zij hier doen." (Ezech. 8:8 en 9).
In deze diepten echter steekt .Jezus u Zijn reddende hand toe, en verneemt ge het van liefde voor u kloppend Vaderhart uws Gods.
Hoe noodig toch voor ons allen, dat we in de diepte komen! Wanneer een fraai bouwwerk zal worden saamgesteld, is graven des bouwers eerstq werk. Hij begint met de diepte in te gaan. Straks vindt ge hem boven op den steiger, en werkt hij de hoogte in.
Nederwaarts echter was zijn begin. Zoo zullen ook wij, bij het bouwen van ons eeuwig huis, eerst moeten dalen, om daarna te klimmen. Of, als een arm familielid bij u te gast komt, dan, eer hij zich in uw sierlijke kamer aan uw wèlvoorzienen disch aanzet, laat ge hem zijn armelijke plunje uittrekken, en zich met een gewaad bekleeden dat meer in de omgeving voegt. Zoo ook de zondaar, die met God in een verzoende betrekking komt, moet geheel verloochend en ontledigd worden. Doch is dat niet de weg tot vrede en vreugde ? Straks klinkt zijn lied:
'k Heb alles verloren; Maar Jezus verkoren, Wiens eigen ik ben.
't Is hierom ook, dat de laatste strophen van dit Hamaaloth-lied zingen in zoo blijden toon. Ja, reeds in het 4de vers treft deze blijdschap ons. Dan stijgt hij reeds uit sombere diepte tot bliijde hoogte; de zware bazuintonen der wet zwijgen, en het vroolijk klokkenspel van het evangelie doortrilt een helder luchtruim. Van vers 4 af tot het einde luidt de psalm aldus: „Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt. Ik verwacht den Heere, mijne ziel verwacht, en ik hoop op Zijn woord. Mijne ziel wacht op den Heere meer dan de wachters op den morgen, de wachters op den morgen. Israel hope op den Heere, want bij den Heere is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing. En Hij zal Israel verlossen van al zijn ongerechtigheden."
„Schola Crucis, Schola Lucis, " meenden de oude godgeleerden; „De School van het Kruis is de School van het Licht." Inderdaad de zonde moet ons een drukkend kruis zijn, willen we van het kruis der zonde worden verlost, en slechts in de donkerheid gaat 't licht; op; het zonnegoud flonkert zoo heerlijk in den morgendauwdrop, die in schaduw van nachtnevelen werd geboren. In de zee van zonde en schuld vischt ge de parel van groote waarde. Het roepen uit de diepten is een lied Hammaaloth of een psalm der opgangen.
Lezer, hebt gij hier ook kennis aan ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 juli 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's