Uit het kerkelijk leven.
Van verborgen omgang.
XIV.
Zoo is er dus in den Heere Jezus Christus eene wondere, eene goddelijke liefde, eene vrijmacht des ontfermens, waardoor Hg bewogen wordt tot de diepe vernedering in de vleeschwording des Woords, tot eene vernietiging, eene ontlediging, eene omsluiering zijner goddelijke glorie in het hulsel der menscheïïjke natuur. De verborgenheid der godzaligheid is dus tegelijkertijd een mysterie der liefde, die alle verstand te boven gaat. Zijn volk is Hem dierbaar boven de gansche wereld, wijl de wereld alleen Hem in zijn volk dierbaar is. Daarom alle zegen, dien de wereld ontvangt, ook zij die Hem verwerpen, zij ontvangen dien zegen om Christus' wil. Het heeft alles slechts een einddoel in de schepping van den nieuwen hemel en de nieuwe aarde, in de opkomst van het nieuw Jeruzalem, De in Christus herboren menschheid is de rijpe vrucht, die eenmaal dit wereldworden als een zich voleindigende planting zal afwerpen voor des Konings voet. Daarom weerklinkt het dan door de spheeren des hemels: wij danken U, dat Gij Uwe groote kracht hebt aangenomen en als Koning over ons hebt geheerseht.
Voor den verborgen omgang heeft nu die oorsprong uit de bron wel der eeuwige, oneindige liefde Gods, de grootste beteekenis. Heeft de Christus zijne kinderen lief, zoodat Hij zichzelven geeft en Hij, die rijk was, arm wordt om hunnentwil, waardeert Hij de zijnen boven alles, zoodat Hij ze bewaart als het zwart des oogappels, voor Gods kinderen komt daaruit op een levenswijding, die eveneens getuigt van de groote waarde, die de Christus-heeft voor hen. Er is tusschen Christus en de zijnen een altijddurende wisselwerking, Gods kinderen, zoo leert ons de Schrift, zijn Hem gelijkvormig. In zijne kinderen is nooit een geestelijk goed, dat niet eerst is in Hem. Zegt niet de apostel, dat Hij het beeld is, waarnaar de zijnen worden veranderd? Daarom is er geen levensgang, waardoor zijne kinderen geleid worden, geen ervaring, die zij deelachtig worden, die niet eerst door den Middelaar zei ven afgelegd en door Hem ingeleefd werd. Zij zijn ééne plante met Hem in de gelijkmaking zijns doods en ééne plante met Hem in de gelijkmaking zijner opstanding. Reeds op grond daarvan is het te verwachten, dat, zooals de Heere Jezus zijne kinderen op den hoogsten prijs stelt en om hunnentwil geen offer Hem te zwaar is-, zoo ook zij den Heiland boven alles waardeeren. Niets, is er, dat zij boven Hem stellen. Zij kunnen getuigen: Wien heb ik nevens U in den hemel ? Nevens U lust mij ook niets op de aarde!
Als dit in het oog wordt gevat, dan blijkt zeker maar al te zeer, hoe ons geestelijk leven is ingezonken en de vergelijking met vroegere dagen niet kan doorstaan, Immers, de gang van het leven onzes tijds is niet naar eeuwige, maar naar tijdelijke dingen. De vraag naar den Heere Jezus is onder de zoogenaamde Christenvolken maar uiterst gering. Wel leven wij in een zendingstijd en is de drang machtig om zijn gezegenden Naam te verkondigen, maar dat in zulk eene beweging ook veel is, dat uit een andere bron is opgeweld dan uit de liefde tot Jezus en uit de liefde tot den naaste, kan moeilijk worden betwijfeld. Een teeken van de begeerte naar eeuwige dingen is dit nog allerminst. Maar wie den gang van ons sociale leven in aanmerking neemt, van het streven, dat onzen tijd kenmerkt, dien wordt het onmiddellijk duidelijk, dat het zich afwendt van Christus. Men heeft het in het gunstigste geval, als het niet gaat om betere levensvoorwaarden, om hooger loon of meer geld en goud, slechts over schijnbaargeestelijke vragen, maarniet over de gemeenschap met den Heere Jezus Christus. Het beweegt zich hoogstens alles om zekere schoone en heerlijke woorden, die Hij gesproken heeft, maar waarvan zelfs wordt voorbqgexien, dat Hij ze sprak, Hij de Middelaar Gods en der menschen, en dat ze dus ook alleen in gemeenschap met Hem kunnen worden verstaan. Als er iets een bewijs is voor den algemeen wordenden afval, dan is het juist het grove misbruik zijner woorden, de vrome vormen, waarin zich de afval gaat hullen en aandienen. Het gaat bij deze soort van vroomheid niet langer om den Heere Jezus, maar om de vleeschelijke vroomheid van een onwedergeboren mensch.
Daarin ligt juist het treffend onderscheid tusschen een door God den Heiligen Geest gewekt geestelijk leven en eene vroomheid des vleesches. Waar Gods Heilige Geest werkt, daar is de begeerte levendig naar gemeenschap met den Persoon des Heeren, De apostel Paulus begeerde allereerst Hem te kennen, om dan in de kennis van Hem ook te deelen in zijne gaven. De vleeschelijke vroomheid gaat aan zijn Persoon voorbij, heeft aan Hem geene behoefte, heeft genoeg aan enkele zijner woorden. Men kan dan ook opmerken, hoe in onzen tijd er vooral geschermd wordt met de schoone bergrede, niet het minst door hen, die van den Heere Jezus als Borg en Middelaar niet willen weten en dus zijn Persoon verwerpen.
Bij Gods kinderen echter is er als vrucht der ontdekking en door de verlichting met den Heiligen Geest een kennen van Jezus geboren, waardoor zij Hem boven alle dingen dierbaar achten. Hij is schooner dan alle menschenkinderen. Wij zien dan ook, dat in dagen van druk en vervolging de kinderen Gods Christus en de gevangenis, Christus en een kruis van lijden, meerder geacht en liever gehad hebben dan kroon en scepter zonder Hem. Zij hebben als Mozes weleer door het geloof verkozen liever met het vqlk Gods kwalijk behandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben. De versmaadheid van Christus was hun meerder rijkdom dan de schatten van Egypte. Gods kinderen onderscheiden zich daardoor, dat het hun gaat om den Heere Jezus Christus zei ven. In hunne waardeering is er niets boven Hem te stellen. En de Heere Jezus zelve heeft hun geleerd, dat indien iemand eenig ding in deze wereld boven Hem stelt, al was het zelfs vader of moeder, het toch van denzulke zou gelden: gij zijt mijns niet waardig. In den weg van ontdekking is dan ook het eerste, dat Gods kinderen leeren moeten: alles schade en drek achten om de uitnemendheid zijner kennis. Daarom wordt ons geleerd, dat wij moeten sterven aan onszelven. Zelfs het leven moet verloren om Christus deelachtig te worden. De eerste stap op den weg des levens is die van alles te verliezen, de tweede stap is die van niets te behouden en de laatste schrede is die, welke ons brengt in de diepte van onzen dood, van onze onbekwaamheid voor Gods Koninkrijk, van onze volstrekte verlorenheid, zoodat het ons klaar wordt, dat niets, ook onze ideaalste en schoonste goederen niet, ook onze beste voornemens, ook onze teederste gebeden, ook onze vroomste bewegingen, niet bij machte zijn om ons te redden. Als wij het alles gezien hebben als een hinderpaal om tot onszelven te komen, dan zal de Heere Jezus boven allo dingen dierbaar worden voor de zondaarsziel, dan zal Hij gekend worden als de eenige, die machtig is om te verlossen, dan zal alles worden verlaten om Hem te volgen en de discipel zal geboren worden, die zich nederzet aan zijn voet, die niets vermag zonder Hem en van Hem belqdt dat Christus alles is, In de dagen zijner omwandeling heeft de Heere Jezus dan ook daarmede zijne discipelen beproefd, of zq bereid waren om alles te verlaten om zijnentwil, of zij zijn kruis wilden opnemen en Hem volgen.
En als wij nu met dezen maatstaf zien naar het geestelijk leven onzer dagen en wij merken op, hoe het bij rijk en arm, bij voornamen en geringen, slechts een streven is naar de goederen dezer wereld, naar de grootschheid des levens, naar eer en aanzien, hoe dat streven zelfs in politieke actie wordt omgezet, zoodat men zelfs de geestelijke goederen en gaven en krachten in dienst tracht te stellen van dit wereldsche ideaal, die verstaat, dat in onzen tijd de weg des Evangelies met vrome woorden letterlijk wordt omgekeerd en dat duizenden worden misleid en verleid en onder den schijn van voor Christus te ijveren en te kampen om geestelijke goederen en uit geestelijke beginselen, toch de grootste tegenstanders zijn van het Koninkrqk Gods. Er is o zooveel in het politieke en sociale streven onder ons volk, zelfs onder hen, die meenen dat zij uit de goede geestelijke beginselen leven, dat in lijnrechten strijd is met het geestelijk leven, zooals de Christus zelve het ons teekent, omdat het niet is opgekomen uit het sterven aan zichzelven, en niet verloopt naar het aangrijpende woord, dat het tarwegraan in de aarde valt en sterft. Er is maar al te veel op te merken een werken om de spijze, die vergaat, zelfs bij velen een volgen van Jezus om de brooden, die Hij geeft.
De Heere Jezus wil om zichzelven en boven alles worden gewaardeerd. Daarom kan Hij ook niet recht gekend worden dan alleen doordat het licht des Heiligen Geestes opgaat over den akker onzer ziel. Want wordt het' verlaten van wereldsche goederen nog gemakkelijk verstaan, veel moeilijker wordt het, waar het zich beweegt om geestelijke goederen. Een natuurlijk mensch kan vele schoone geestelijke goederen deelachtig zijn. Er zijn er onder de kinderen dezer wereld, die hoogen eerbied afdwingen en die velen, die zich bij het Evangelie scharen, beschamen. Er zijn er, die doen denken aan den jongeling, die door Jezus werd aangezien en „bemind werd.
Voor Gods kinderen is daarin maar al te zeer een oorzaak tot beschaming, dewijl het kan worden vergeten, van hoedanigen wandel zij behooren te zijn. Doch nu is dit juist het aangrijpende, het ontzettende, dat de Heere Jezus ook nog gewaardeerd wil worden boven alle ideale, schoone geestelijke goederen, dat hetgeen een mensch meenen zou, dat hem gewin is, schade en drek moet geacht om de uitnemendheid der kennis van Christus. Hierin wordt het duidelijk, dat niemand tot Hem komen kan, tenzij de Vader hem trekke. Immers, er is geen goed, waaraan de mensch meer hecht, waaraan hij hooger waarde toekent dan aan de geestelijke gaven, die hij verkreeg na veel inspanning en waardoor hij zooveel geniet, dat heerlijk en bekoorlijk is boven de lage genietingen des vleesches. Er is niets, waarop de mensch trotscher is dan op zijne geestelijke krachten. Reeds in het paradijs was de belofte om als God te wezen, kennende het goed en het kwaad, het wapen, waardoor de mensch werd overwonnen en gebracht tot den val. En nog altijd is de wijsheid oorzaak, dat de wereld God niet heeft gekend en moet zij dwaas gemaakt worden, opdat de wijsheid van Christus worde aanvaard. Er is niets waarin de mensch meer opgaat, waarin hij grooter genot vindt dan de zelfverheerlijking, die ligt in de schoone geestelijke goederen. De apostel Paulus teekent ons, hoe de geestelijke en zedelijke idealen, die in zijne dagen en in zijne omgeving in eere waren, door hem waren nagestreefd, hoe hij een Hebreër uit de Hebreen, een farizeër bij uitnemendheid was, hoe hij naar de rechtvaardigheid, die in de wet is, onberispelijk was, hoe hij dit alles hield voor een gewin, en toch ten slotte geëindigd is het alles prijs te geven om het in en door Christus op een nieuwe en geheel eigene wijze terug te verkrijgen en te genieten niet als een vrucht van eigen streef kracht en eigen denken, maar als een gave der genade in den Heere Jezus Christus geschonken. De Heere zelve heeft dan ook gedankt, dat de dingen zijns Koninkrijks voor de wijzen en verstandigen verborgen waren en den kinderkens werden geopenbaard. Het kostelijkste en heerlijkste, dat de mensch op verstandelijk en zedelijk gebied kan meenen te bezitten, moet verloren om Christus te gewinnen, in en met Wien dan ook duizendvoudig wordt terug ontvangen.
Maar omdat nu in deze geestelijke goederen het eigenlijkste en het beste, het hoogste en schoonste, dat een mensch bezitten kan, wordt gevonden, blijkt dan ook hierin meer dan in iets anders, dat niemand zonder wedergeboorte Gods Koninkrqk zien kan. Het is zoo verklaarbaar, dat een mensch, die jarenlang naar hij meende zijn plicht deed, zich beijverde om zijne conscientie rein te houden, op zijne wijze bad en opging naar Gods huis en al wat vroom en goed schijnt, deed, zelfs een ijver toonde in Gods Koninkrijk, zich niet kan begrijpen, dat hij nog den Heere Jezus Christus missen kan, behooren zou tot degenen, die wel „Heere, Heere" roepen, maar niet doen den wil des Vaders, die in de hemelen is. En toch komt het maar al te veelvuldig voor, dat eigenwijsheid en eigengerechtigheid de grootste hinderpalen zijn voor de ware gemeenschap met Hem. Ja, niet zelden kan worden opgemerkt, dat juist onder dezulken de bitterste vijanden van Gods kinderen worden aangetroffen. En als het hun wordt verkondigd, hoe het noodig is alles te verliezen, dan zijn zij het vooral, die zich het felst keeren tegen de prediking van wet en evangelie beide. Tegen de prediking der wet stellen zij zich omdat zij niet verstaan, dat de wet is geestelijk en dat wij zijn vleeschelijk en verkocht onder de zonde, tegen de prediking des evangelies gaat hun verzet, omdat zij niet kunnen hooren, waarom de Schrift zegt: Wij besluiten dan dat de mensch door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet. Inderdaad is het den mensch, geen enkel mensch, mogelijk deze kostelijkste goederen, waarin hij meende het leven te hebben verkregen, los te laten. Hij vermag het niet, hij wil het rdet, hij kan het zelfs niet willen. Zooals de Schrift getuigt, dat een mensch alles geven zal voor zijn leven, zoo is het ook op dit gebied een vasthouden tot het uiterste, een opofferen zelfs van het laatste om dit kostelijk bezit te mogen behouden. Daarom moet de Heere dikwijls diepe wegen met hen nemen, opdat zij waar lijk aan de roerselen des harten ontdekt zullen worden. Het was een geweldige worste ling, waarin Saulus, die meende Gode een welbehagelijk werk te doen in de vervolging van Gods kinderen, werd neergeslagen in zijne zonde en voor Gods aangezicht werd neergedrukt in het stof. En zoo is het nog een wohder groot en heerlijk werk van Gods genade, als Hij een zondaar zoo krachtdadig aan zichzelven ontdekt, dat hij ook van zijne deugden en gebeden, van zijne plichten en kerkgang, ja zelfs van wat hij zijne bevindingen en vroomheid achtte, verstaat en belijdt, dat zijne gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed.
Maar als hij ook in die diepte van ontdekking afdaalt, waarin hij de wet leert kennen in hare geestelijke diepte en zichzelven niet slechts in zynè zondedaad, maar in zijn zondestaat, in zijne algeheele verlorenheid, en dan vandaar uit een oog ontvangt voor den Christus als de Heere onze gerechtigheid, dan zal hij weten, dat de Middelaar Gods en der menschen kostelijker is dan al het andere, In vergelijking met Hem zinkt ook het ideaalste goed des menschen in het niet. Daarom liet Hij aan de Laodicensen schrijven, dat zij zichzelven hielden voor rijk en verrijkt en geens dings gebrek hebbende en dat zij toch niet wisten, dat zij ellendig, jammerlijk, blind en naakt waren.
Daarom raadt Hij aan van Hem te koopen, wat waarlijk rijk maakt, wat inderdaad ons dekt en de oogen openen kan, opdat gezien kan worden. Voortdurend gaat door de Schrift de roepstem om alles, ook het kostbaarste en het liefste te verlaten om Christus te gewinnen. Hij is de parel van groote waarde en van Hem geldt: maar één ding is noodig. Zooals Hij zelve, hoewel Hij rijk was, is arm geworden, zooals Hij om verlossing aan te brengen zelfs zijn ziel heeft overgegeven en Hem geen lijdenslast te zwaar was, zooals Hij zichzelven geheel gelegd heeft op het altaar der verzoening en niets heeft overgehouden, ook het geringste niet, zoo is ook de weg tot Hem een weg van éénwording met Hem, Met Hem zullen zij gekruisigd worden, met Hem zullen zij sterven, met Hem begraven worden. Zooals Hij hen liefgehad heeft tot het einde, zoo zullen Gods kinderen ook Hem lief moeten hebben boven alles, alles moeten prijsgeven om Hem te gewinnen. En dit niet alleen als een ijdel en vroom woord, gelijk er vele ijdele en vrome woorden zijn, maar als een doorleefde werkelijkheid, een Ievensgewisheid, waarin zij klaar en welbewust in levensgemeenschap met den Christus opgaand, Hemzelven omvingen als die dood was en nu leeft en levend is in alle eeuwigheid. Dan ervaren zij dat de godzaligheid niet is in woorden, maar in kracht. Zij zullen belijden, dat de Heere Jezus hen het eerst heeft liefgehad en dat zij daarna Hem zullen liefhebben in leven en sterven en in den dag der eeuwigheid.
Adres aan de Synode.
Wij verwachten stellig, dat alle kerkeraden die instemming betuigen met het Synodale voorstel tot schrapping van de woorden „geest en hoofdzaak" in art. 39 Regl. Godsd. onderwijs, niet zullen achterblijven in het zenden van een adres aan de Synode.
Indien men een gedrukt adres heeft (aan de kerkeraden toegezonden door Dr. G. Oorthuijs te Amsterdam) dan is het gemakkelijk om 't even te onderteekenen en 't te zenden aan het Classicaal Bestuur, met verzoek het door te zenden naar de Synode.
Heeft men geen gedrukt adres dan kan men eenvoudig schrijven (op groot formaat papier):
Aan de Algemeene Synode der Ned. Herv. Kerk, den Haag.
Hoog Eerw. Heeren,
De kerkeraad der Ned. Herv. Gemeente te . , . . (classis . . . . ) heeft de eer ü te verzoeken het voorstel tot schrapping van de woorden „geest en hoofdzaak" in art, 39 Regl. Godsd, onderwijs wel te willen aannemen, dewijl van deze woorden dikwijls misbruik gemaakt wordt, de verwikkelingen tusschen verschillende gemeenten zullen toenemen, de moeilijkheden voor de kerkelijke Besturen grooter zullen worden en het gevaar van verscheuring onzer Herv. Kerk, juist ten nadeele van hen die van harte instemmen met de belijdenis, niet denkbeeldig is maar ernstig dreigt.
De kerkeraad .voornoemd:
Een tweede adres, met het verzoek aan de Synode het voorstel-Lütge c.s, in zake wijziging van de proponentsformule wel te willen aannemen, kan tegelijk worden ingesloten.
Laat niemand achterblijven! En laat men zich haasten; want Woensdag 21 Juli vergadert de Synode en dan is de tijd om adressen in te zenden verstreken.
Geest en hoofdzaak.
De moderne Ds. S. K. Bakker van Zwolle kan de dingen wel eens aardig zeggen — wat Dr, Niemeyer van Bolsward, meeripoliticus dan zijn collega, somtijds allesbehalve aangenaam vindt. Zoó onaangenaam, dat hij de woorden van Ds. Bakker onlangs trachtte onschadelijk te maken door hem zoo ongeveet als niet toerekenbaar te verklaren. Weerde, lijk schreef Dr. N. in No. 38 Weekblad voot de Vrijz. Hervormden: „ Het is volstrekt niet te verwonderen, dat de heer Bakker, die als veldprediker zooveel andere dingen aan zijn hoofd heeft, er tegenwoordig niet geheel in is." De heer Bakker er dus even buiten gezet! ....
Wat had Ds. Bakker dan geschreven? In De Hervorming stond er van zijn hand;
»Wanneer ik goed zie, zal de overgroote meer. derheid der classicale vergaderingen de schrapping der befaamde woorden («geest en hoofdzaak} begeeren; ongetwijfeld zal ook de groote meerderheid der provinciale kerkbesturen dat doen. en de eigenaardige samenstelling der Synode zal mogelijk maken, dat nu geschiedt wat de meerderheid der Kerk begeert.
Ik heb zoo'n gevoel, dat, wanneer het voorstel tot schrapping verworpen wordt, wij kunnen blijven 1e door een onbillijke inrichting der besturen, 2e door het domme toeval, dat ons gunstig was. En dat is verre van aangenaam.
Dat stukske was Dr. Niemeyer verre van aangenaam.
Dat kan zoo gebeuren. Dr. Hooykaas schreef onlangs over „onwaarachtig geschipper."
Wat smaakte dat bitter! En nu spreekt Ds. Bakker van „onbillijke inrichting der besturen" en van „een overwegend sterke strooming naar rechts in de Herv. Kerk."
Brr, 't is voor een man als Dr. Niemeyer om kippenvel te krijgen!
En daarom werd Ds. Bakker even buiten de deur gezet, als iemand, die er niets van weet. „Wij meenen, dat dit uit deze woorden wel wat heel duidelijk blijkt, " schreef Dr. N,
Zonder blikken of blozen ging Dr. N. dan ook aan 't recht zetten van 't geen Ds. Bakker zoo dwaas had scheef getrokken.
En hij schreef:
»Dat zal nog moeten blijken, of de overgroote meerderheid der classicale vergaderingen de schrapping van "geest en hoofdzaak» zal begeeren», sWij hebben reden, dat' ernstig te betwijfelen.» „Wat de classicale vergaderingen betreft, verwachten we stellig geen gunstig advies voor de schrapping van de overgroote meerderheid. Het sal de vraag zijn, of zich wel de meerderheid er voor verklaart.
Dat verwachtte Dr. Niemeyer, die geen veldprediker is en wel „in" de dingen zit, stellig.
En wat blijkt nu? Van de Class. Vergaderingen die in Gelderland samen kwamen, waren er 5 vóór" schrapping en 2 tegen. In Z. Holland 6 Class, Verg. vóór en 0 tegen. In Zeeland 3 vóór en 1 tegen. In Utrecht 3 vóór en 1 tegen In Overijsel 2 vóór en 1 tegen, In N, Brabant en Limburg 2 vóór en 3 tegen, . . .
Had Ds. Bakker zoo'n héél verkeerden kijk op de dingen?
Ook wanneer we daarnaast zetten : Noord Holland met 1 vóór en 4 tegen; Frieslanc met 3 vóór en 2 tegen, Groningen met 1 vóór en 3 tegen?
Wordt het dan niet zoo ongeveer 25 vóór en 19 tegen?
En zijn dan onder de vóór stemmende classicale vergaderingen niet die van Amsterdam, Leiden, den Haag, Rotterdam, Middelburg, Utrecht, Arnhem, Kampen, Zwolle !
En, om nu eens even te blijven bij de provincies Gelderland en Zeeland, waarvooi twee orthodoxe leden zitten die tegen stem. men, is het nu niet geheel volgens de beschouwing van Ds, Bakker, dat ouderling Menthen van Arnhem en Dr, Weyland vai Veere niet op hun plaats zitten?
Is Gelderland niet vóór — zeg met 24C tegen 160 stemmen?
Is Zeeland niet vóór — met 132 tegen 73 stemmen?
Neen — als men de dingen nuchter bekijk dan twijfelt men niet of er wel een meerderheid in de Kerk is vóór de schrapping van die befaamde woorden „geest en hoofdzaak, "
Tel 't maar eens na — naar schatting of grond van gegevens — en ge zult vinden dat het ongeveer zóó staat:1460 stemmen voor en 1140 stemmen tegen, . Naar dézen maatstaf:
Gelderland 235 st, vóór en 155 tegen Z, Holland N, Holland Zeeland Utrecht Friesland Overijsel Groningen 363 115 132 141 188 94 85 N, Br, en Limb. 84 Drenthe 23 „ yt „ » jj „ » jj M „ » „ „ » en en en en en en en en en 66 161 73 11 243 66 182 102 81 )) » » n » » » » »
1460 vóór en 1140 tegen
Is dat nu een meerderheid of niet? Terwijl er natuurlijk bij de voorstemmers niemand is, die er eigenlijk tegen was.
En bij de tegenstemmers zitten er zéér zeker, die er eigenlijk wel vóór waren, maar om allerlei oorzaak — à la Bronsveld — toch tegen hebben gestemd.
Der modernen aantal.
Kort geleden maakten we de opmerking dat, naar verhouding, het aantal moderne Synode-leden altijd veel te groot is. Waar door de kerkelijke wet als maatstaf eenigszins genomen is het aantal predikantsplaatsen, beweerden we, dat de modernen zeker niet voor meer dan 1/4 moesten ontvangen, terwijl zij inderdaad meer krijgen.
We willen dat nog eens onderstrepen, nu de N. Rott. Ct. ons artikel overnam en daar enkele opmerkingen aan toevoegde. Want wordt daar gezegd: „ja maar, in de gemeenten, waar rechtzinnige predikanten zijn, daar wonen toch ook wel vrijzinnigen en dus het aantal vrijzinnige predikanten moest ook grooter wezen dan het nu is" — dan is daar toch nog wel wat aan toe te voegen.
Neem eens een moderne gemeente als Stolwijk.
Daar is een modern predikant.
Daar hebben de rechtzinnigen dus niets.
De Gemeente telt mee voor modern. .
En de werkeliijkheid in het kerkelijk leven?
Éénmaal is er 's Zondags dienst in de Herv. Kerk.
Zouden er dan 30 menschen komen ?
En als er door bizondere omstandigheden 's morgens geen dienst is maar 's avonds, dan komen er 5 of 6 hoorders!
Die Gemeente telt dus geheel mee voor modern — maar in de Evangelisatie komen er 's morgens méér dan 30 en 's avonds méér dan 5!
Zoo is het bijna overal.
Waar de Gemeente in haar vertegenwoordiging in kerkeraad en predikant geheel modern is — daar is de belangstelling van rechtzinnigen veél, véél grooter dan van de zijde die het roer in handen heeft.
Neem de stad Deventer. Al de predikanten vrijzinnig. En men kan met een kogel door de Kerk schieten!
Terwijl in gemeenten waar een rechtzinnige prediking is de belangstelling veel grooter is en het aantal modernen inderdaad o ! zoo klein.
Neen — als men de werkelijkheid neemt, dan hebben de moderne een veél te groote plaats in de Synode onzer Kerk!
Wat ook wel uitkomt als men de Classicale Vergaderingen nagaat.
Hoeveel van de 44 Classes zijn in meerderheid — door predikanten en ouderlingen — vrijzinnig en hoeveel rechtzinnig ?
't Is gemakkelijk na te gaan. En de verhouding is dan ongeveer 12 vrijzinnig en 32 rechtzinnig.
In Gelderland:6 rechtzinnig, O vrijzinnig. In Z. Holland:6 „ , O „ In N. Holland:2 , „ , 3 „ In Zeeland:4 „ , O ' „ In Utrecht : 3 „ , O „ In Friesland:4 „ , 1 „ In Overijsel:3 „ , O „ In Groningen:1 „ , 3 „ In N. Br. en Limb. 2 „ , 3 „ In Drenthe 1 „ , 2 _ 32 12
[De 12 vrijzinnige classes zijn : Alkmaar, Hoorn, Edam (in N. Holl.); Leeuwarden (in Friesland); Groningen, Winschoten en Winsum (in Groningen): 's Hertogenbosch, Eindhoven en Maastricht (in N. Br. en Limburg) : Assen en Emmen (in Drenthe)].
Ook in die verhouding zouden er dus niet meer dan 5 modernen in de Synode mogen sitten — terwijl er altijd méér zijn.
* De vrouw op den kansel.
't Blijkt telkens weer, dat er mannen en vrouwen zijn in het midden van onze Herv. Kerk, die geen middel onbeproefd willen laten om de vrouw op den kansel te krijgen. En 't wordt tijd, dat er veel krachtiger, dan tot nu toe geschiedde, tegen geageerd wordt!
Neem het zoo onschuldige voorstel van de Synode maar dat dit jaar (onder No. III) aan de Classicale vergaderingen is voorgelegd, om het examen voor godsd.onderwijzeres wat makkelijker te maken voor dames, die reeds in de Theologie gestudeerd hebben en den graad van candidaat aan de Universiteit hebben verkregen.
Wat onschuldig was dat voorstel!
En wat blijkt nu weer uit de besprekingen, die gevoerd zijn op enkele classicale vergaderingen ? Dat men bedoelt om den toegang tot den kansel voor de vrouwen open te zetten!
D& t is het hooge en heerlijke ideaal dat men voor oogen heeft en houdt: de vrouwen op den preekstoel!
De Classis Edam heeft het daarom ook nog maar eens uitgesproken en er een motie van gemaakt — die werd aangenomen — dat het de Synode niet past om de vrouw langer te belemmeren als predikante in de Ned. Herv. Kerk op te treden.
En ja — laat het nu waar zijn, dat dit Synodale voorstel dit volstrekt niet bedoelde. Laat het zelfs waar zijn, dat door dit Syn. voorstel de dames juist verder van bet predikambt zijn verwijderd geworden. Maar dat ideaal, „de vrouw op den kansel", (al is 't dan maar als god.sdienstonderwijzeres) is er toch dichter door bij de verwerkelijking gebracht.
En daarom was het o.i. goed dat in Gouda is uitgesproken, dat met; verlangde dat de Synode zou bepalen, dat geen vrouwelijke personen in de Herv. Kerk op den kansel zouden worden toegelaten. Gelijk ook in de Classis Wijk een voorstel van Ds. van Popta werd aangenomen, om in het reglement op het Godsd. onderwijs de bevoegdheden van godsdienstonderwijzeressen in dien zin te omschrijven, dat zij geen bijbellezingen en oefeningen kunnen houden.
„Dat uwe vrouwen in de gemeente zwijgen: want het is haar niet toegelaten te spreken." „En zoo zij iets willen leeren, laat haar tehuis hare eigene mannen vragen, want het staat leelijk voor de vrouwen, dat zij in de gemeente spreken." 1 Cor. 14.
Oranje en Nederland.
De Classicale Vergadering van Leeuwarden heeft den euvelen moed gehad om het voorstel te doen en te bespreken: aan de Synode te verzoeken, dat uit art. 11 van het Algem. Reglement de woorden geschrapt zullen worden „de aankweeking' van liefde voor Koning en Vaderland."
De bedoeling is duidelijk. Vaderlandsliefde is uit den booze. En wat hebben wij nog met het Vorstenhuis uit te staan in deze verlichte 20ste eeuw? ..
Daarom de banden maar losgescheurd!.... Treurig, dat in dit „oorlogsjaar" die stem uit hét midden van de Ned. Herv. Kerk is opgegaan.
't Zal haar roem niet verhoogen.
In verband hiermee denken we aan het geval met Ds. de Ligt te Nuenen in N. Brabant, Die heeft — in een streek waar overal militairen zijn — gepreekt en is toen door de militaire macht op z'n vingers getikt en uit z'n gemeente gezet.
Op de Class. Vergaderingen is daarover gesproken en er is hier en daar gezegd: „als er wat te berispen valt in de Kerk dan zal de Kerk zelf dat wel doen b.v. het Class. Bestuur. De militaire macht moet daar buiten blijven." .
Wat zullen we daarvan zeggen?
Zonder in bizonderheden te treden — want die weten we niet — willen we hier alleen dit zeggen: was het maar waar, dat de Kerk zelf opzicht hield en tucht oefende!
Doch dat is niet zoo.
Een socialist, een anarchist, een buddhist, een spiritist enz. laat de Kerk ongemoeid spreken en handelen.
Men mag den Koning der Kerk hoonen. Men mag in betrekking tot Vaderland en Vorstenhuis ongeveer alles zeggen.
Men is vrij om de lijnen voor 't politieke en maatschappelijke leven uit te stippelen, zooals men wil.
Gooit de Kerk zelf zich niet te grabbelen in deze?
En is het eigenlijk wel zoo'n groot wonder, dat, in oorlogstijd, de militaire macht dan tusschenbeiden komt?
't Moest zoo niet zijn.
't Zou zoo ook niet zijn.
Indien de Kerk weer zich zelf mocht worden, om niet langer te dulden, dat van den kansel een vrije spreektribune wordt gemaakt, daar 't toch de plaats is, waar gesproken moet worden naar het Woord en de belijdenis. Waar ook bedacht moet worden, dat art. 11 Algem. Regl. eischt, dat er liefde voor Vaderland en Vorstenhuis moet worden aangekweekt !
Voor particuliere doordrijverijen is de kansel de plaats niet.
Vooral niet in zulke kritieke dagen als we nu beleven.
Vooral niet in plaatsen als Nuenen, waar de militairen in menigte gaan en komen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juli 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juli 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's