Stichtelijke overdenking.
Door het geloof heeft Noach, door | Goddelijke aanspraak vermaand zijnde van de dingen, die nog niet gezien werden, en bevreesd geworden zijnde, de ark toebereid tot behoudenis van zijn huisgezin; door welke hij de wereld heeft veroordeeld en is geworden een erfgenaam der rechtvaardigheid, die naar het geloof is. Hebr. 11:7.
Door Goddelijke aaaspraak vermaand.
De Heere Jezus Christus zal eenmaal wederkomen om te oordeelen de levenden en de dooden. Dat belijden wij allen. Uit dit laatste mag evenwel niet worden afgeleid, dat wij allen bij dit stuk onzer belijdenis leven. Het moest zoo wel zijn, maar het is zoo niet.
Hoe weinig houden wij rekening met de wederkomst des Heeren! Als wij eerlijk zijn, moeten wij bekennen, dat wij maar zelden srbij stilstaan.
Zeker, we zouden niet durven pntkennen, dat die gïoote dag"^ eens fömt, maar toch we stellen hem ver, zeer ver.
Maar al te veel gelijken wij op die menschen uit de dagen van Petrus, die daar zeiden: „Waar blijft de belofte Zijner toekomst? Want van dien dag, dat de vaderen ontslapen zgn, blijven alle dingen gelijk als van het begin der schepping."
De wederkomst van Christus beslaat maar een heel klein plaatsje in ons geestelijk leven. De Kerk laat het bespreken van deze waarheid voor een groot deel over aan de secten.
En al is het nu waar, dat deze soms schromelijk zich schuldig maken aan overdrijving en eenzijdigheid, ontkend kan niet worden, dat hun „te veel" door ons „te weinig" werd opgeroepen.
De gemeente des Heeren leeft ongetwijfeld veel te weinig bij de wederkomst van Christus. In de dagen der apostelen was dat anders. Toen werd er door de Christenen geleefd, alsof de Heere Jezus eiken dag op de wolken kon verschijnen.
Wanneer van deze verwachting bij ons zoo weinig wordt gevonden, dan heeft dit zijn oorzaak daarin, dat ons geloof zoo weinig levend is. Dan komt dat, omdat wg het beeld vertoouen van die maagden uit de gelijkenis, die in slaap waren gevallen.
De Schrift vermaant ons niet zonder reden zoo telkens weer, dat wij altoos moeten waken. Zulk een vermaning klinkt ons ook tegen uit het woord, dat we hierboven uit den brief aan de Hebreen afschreven.
Dat woord verplaatst ons in de dagen van Noach, wiens leven des geloofs ons geteekend wordt.
Van zijn leven vóór den zondvloed wordt ons weinig gemeld. Hij was een rechtvaardig en oprecht man in zijn geslachten, zoo lezen wij van hem in Genesis, En het Nieuwe Testament noemt hem „een prediker der gerechtigheid."
Te midden van een krom en verdraaid geslacht was hem de taak op de schouders gelegd, Gods gerechtigheid te verkondigen. Hij had te arbeiden onder een volk, dat opging in de ijdele genoegens der wereld en bind was voor de dingen der eeuwigheid. Het geslacht van zijn dagen ging geheel op in het wereldleven.
Jezus zegt ervan: zij aten en dronken, zij webten en verkochten, zij namen ten huwelijk en werden ten huwelijk gegeven. Daarin ging beel hun leven op. Met God werd niet gerekend. De zonde nam hand over hand toe, zodat de aarde vervuld werd met wrevel. Aan zulk een goddeloos geslacht moest worden verkondigd dat het verdelgd zou worden door Gods toorn, zoo het zich niet bekeerde van zijn booze wegen.
Wij weten hoe die boodschap Gods ontvangen is. In plaats van verootmoediging is verharding des harten de vrucht.
Dan krijgt Noach bevel de ark te bouwen, want zoo zegt de Heere: „ Ziet Ik breng een watervloed over de aarde om alle vleesch van onder den hemel te verderven."
De nog niet geziene dingen worden hem geopenbaard, door goddelijke aanspraak daarvan vermaand zijnde. En bevreesd geworden zijnde, bereidt hij de arke toe, want hij gelooft waarlijk wat zijn God hem heeft gezegd.
Wat zal men dezen prediker der gerechtigheid uitgelachen hebben! Wat zullen zijn tijdgenooten hem hebben bespot als een dwaas! Maar te midden van alles, wat er zich tegen verzette, hield hij zich aan zijn God vast als ziende den Onzienlijke, gehoorzamende aan het gebod door het geloof.
Door het geloof toch heeft hij de ark toebereid tot zijns huisgezins behoudenis en daardoor heeft hij ook de wereld rondom hem veroordeeld.
Dat heeft hij gedaan door woord en daad. Nooit meer zou door hen gezegd kunnen worden: „Wij hebben het niet geweten", want zij waren lang en ernstig genoeg gewaarschuwd. De vermaning des Heeren was tot hen gekomen. Zij hadden Noach de gerechtigheid Gods hooren prediken en zij hadden zijn werk aanschouwd. Alle verontschuldiging is hun benomen en als het gericht losbreekt, kunnen zij tot God niet zeggen: „Wat doet Gij? Het woord, dat tot hen is gekomen, het werk, dat Noach deed, als hij de ark toebereidde, zal hen rechtvaardig veroordeelen.
Zij hebben geen voorwendsel, want God zelf heeft tot hen gesproken.
Als het Woord Gods ons verkondigd is en wij storen ons daar niet aan, dan zal het nooit anders voor ons kunnen zijn dan een reuke des doods ten doode. Wie het Woord Gods niet waarlijk leert bijvallen, die wordt er door gevonnist en gedood.
Van groot belang is het daarom onszelf af te vragen, hoe wij staan tegenover het Woord des Heeren.
Ook wij leven in een wereld, die rijpt voor het gericht. Door goddelijke aanspraak zijn wij daarvan klaarlijk vermaand. Het is ons verkondigd telkens weer, dat het oordeel nadert.
De dag komt ~ en wie weet hoe spoedig — dat de wereld zal geoordeeld worden door een Man, daartoe door God zelf gesteld,
't Is waar, wij weten niet den dag en de ure, waarop dit zijn zal.
Maar wel is ons geopenbaard het karakter van den tijd, die aan de wederkomsi; des Heeren voorafgaat.
Die tijd zal zich kenmerken door toenemende goddeloosheid. Spotternij en ongeloof zullen op een vreeselijke wijze uitbreken. Men zal geheel opgaan in het leven der wereld, waarbij de leuze in toepassing wordt gebracht: „Laat ons eten en drinken en vroolijk zijn."
De dagen van Noach keeren als 't ware terug. Zelfs onder de belijders zal de afval groot zijn. Ja, zoo zegt de Schrift, de verleiding zal zóó machtig zijn, dat, indien het mogelijk ware, zelfs de uitverkorenen ten val zouden worden gebracht.
Het zal zulk een algemeene afval worden, dat Jezus de vraag kan doen, of de Zoon des menschen, wanneer Hij komt, nog geloof op de aarde zal vinden.
En, zoo wij nu acht geven op de teekenen der tijden, is er van al deze dingen dan nu niet alreeds veel te bespeuren?
Denk daarbij aan wat Jezus gezegd heeft omtrent de oorlogen en geruchten van oorlogen, die er zouden komen in de laatste dagen.
Tasten wij dit alles niet als met de hand ? En wanneer wij nu rondom ons zien in dezen geweldigen tijd, gaat het dan ook nu niet gelijk er geschreven staat: zij aten en dronken, zij kochten en verkochten, en zij bemerkten het niet.
't Is waar, een oogenblik zijn de menschen opgeschrikt. Men stroomde naar de bedehuizen overal. Men leefde in vrees en in spanning. Men werd ernstig. Zelfs de tenten der ijdelheid klaagden over gebrek aan bezoek.
En hoe staat het nu? — ach zij hebben het schier even druk als te voren. Men gaat weer op in de ijdelheid en in de dwaasheid. De ooren des volks zijn zwaar geworden en de roepstemmen Gods, die toch zoo luide weerklinken, worden in den wind geslagen,
't Is wel verschrikkelijk dat het zoo is, maar het is zoo.
Intusschen 'rust op Gods kinderen de höoge roeping om te schijnen als lichten te midden van een krom en verdraaid geslacht.
De Heere zegt tot Zijn volk: „Gij broeders, gij zijt niet in de duisternis, dat u die dag als een dief zou bevangen. Gij zijt allen kinderen des lichts en kinderen des daags, zoo laat ons dan niet slapen gelijk als de anderen, maar laat ons waken en nuchteren zijn."
Zalig zijn die dienstknechten, welke hun heer, als hij komt, zal vinden alzoo doende.
Onverwacht zal het bazuingeklank worden gehoord. Want Hij komt. Hij komt om d' aard' te richten.
De wereld in gerechtigheid.
Dan zal de Heere verheerlijkt worden in Zijn heiligen en wonderbaar zijn in allen, die gelooven, maar ook met vlammend vuur wrake doen over degenen, die God niet kennen en Zijn evangelie ongehoorzaam zijn.
Daarom, laat ons onszelf onderzoeken of wij wel bereid zijn Hem te ontmoeten.
Met onverzoende zonden zullen wij voor Hem niet kunnen bestaan.
Alleen in Christus is ontkoming en verberging.
Hij is de ware Arke der behoudenis. Wie in Hem is geborgen, is ook veilig tegen den komenden vloed des gerichts.
O dat wij dan niet rusten, vóórdat wij het op onwankelbare gronden weten, dat wij in Hem zijn.
Daar is geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn.
Zoo vrage dan een iegelijk zichzelf af: Ben ik in Christus Jezus?
Wee ons, zoo we Hem niet toebehooren. Nog een weinig tijds en 't woord wordt vervuld:
Gij zult hen, daar G'in glans verschijnt. Als rook en damp, die ras verdwijnt,
Verdrijven en doen dolen. 't Godlooze volk wordt haast tot asch 't Zal voor Uw oog vergaan als was
Dat smelt voor gloênde kolen. Maar .., , 't vrome volk, in U verheugd, Zal huppelen van zielevreugd,
Daar zij hun wensch verkrijgen,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juli 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juli 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's