De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk lenen.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk lenen.

26 minuten leestijd

Van verborgen omgang.

XV.

De verborgen omgang met den gezegenden Middelaar wordt dus verkregen langs een weg van ontdekking voor zijne heerlijkheid en onzen zondestaat. Zijne gemeenschap is alleen de prijs van eene waardeering des Heeren, waarbij Hij meer geacht wordt dan het kostelijkste, dat wij bezitten. U dan, die gelooft, is Hij dierbaar, dierbaar boven alles, zoodat dan ook eer alles wordt prijsgegeven dan dat kan worden afgelaten van Hem. Vandaar dat wie Hem deelachtig zijn, wie Hem ooit leerden kennen in der waarheid, zich geene toekomst, zelfs geene zaligheid kunnen denken zonder Hem. Daarom is dit de heerlijkheid der zaligheid voor Gods volk, dat zij den ingang in het nieuw-Jeruzalem kennen als een Hem gelijk zijn, een zijn, waar Hij is, een altijd met Hem zijn, een zich verblijden in zijne tegenwoordigheid. De Heere Jezus Christus neemt de voorname plaats in den hemel der heerlijkheid in. Alle zaligen worden ons geteekend als zingend den lof van het Lam, dat geslacht is en ons Gode kocht met zijn bloed. Hij is als de zonne der gerechtigheid in het leven van Gods volk.

Om Hem beweegt zich alles. Hij is de spil van hun leven, de bron van hun heil, het water des levens en het brood, dat teerkost biedt op de reize naar de eeuwigheid. Zonder Hem zijn zij zonder blijdschap, zonder vrede, zonder licht en zonder troost. Maar met Hem staan zij in het licht der eeuwigheid en staren zij vol blijdschap op de kusten van het land der heerlijkheid. De Christus is voor Gods kind alles. Zonder Hem hebben zij niets. En daarom is er in den verborgen omgang met Hem ook voor den gang van hun dagelijksch leven een groote schat weggelegd, waarvan zij mogen genieten. Wij hebben niet alleen een Zaligmaker voor de toekomst, maar Christus is ook Heiland voor dit leven.

Verborgen omgang met Hem heeft de strekking Gods kinderen door dit leven heen te voeren. Daarom juist houdt Hij omgang met hen, opdat zij niet zullen omkomen. De weg des levens is moeilijk en gevaarvol. Niet zonder oorzaak wordt gezegd, dat de poort eng en de weg nauw is, die tot het leven leidt. Het is merkwaardig, dat als de Heere Jezus in Matth. 7 dat ernstig woord spreekt en waarschuwt, dat er maar weinigen zijn, die dezen nauwen weg vinden. Hij er onmiddellijk op laat volgen: „Maar wacht u van de valsche profeten, dewelke in schaapskleederen tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven". Want er wordt geloerd op Gods kinderen dóór de valsche profeten van binnen en van buiten. Niet alleen van buiten zijn zij. Het zijn niet alleen valsche leeraars, niet alleen verleidende vrienden, die zich doen gelden, maar ook in de verborgenheid van eigen leven, in onze eigen begeerten, iü eigen willigheid, in eigen vleescb, schuilt een machtige bekoring. Wij hebben ook profeten binnen in ons. God de Heere heeft den mensch zoo wonderbaar geformeerd. In eigen zelfbewustzijn, in de diepe verborgenheid onzes harten is het ons mogelijk met onsaelven te spreken, tot onszelven te spreken. En uit de wondere diepte daarbinnen komen de stemmen op, helaas, maar al te dikwijls de stemmen eener valsche profetie. Daar is een machtige verzoeking in eigen hart. Gods kind is in zichzelven, zelfs ondanks de genadedaden,  die hij ondervond, zoo klein, zoo zwak, dat  het maar al te gemakkelijk opnieuw de prooi  wordt van de betooverende macht der zonde.  Wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.. Gods kinderen kennen zich als zwak, als tot  zinken en tot hinken ieder oogenblik gereed, Er is geene zonde, waarvoor zij niet open en bloot liggen. Eik oogenblik dreigt er gevaar. Wanneer zij op zichzelven zien, dan is er maar al te dikwijls de vreeze, dat zij den Naam des Heeren nog te schande zullen maken en dat de wereld nog eenmaal den spotlach over hen zal doen hooren. Zij weten het, dat Gods heiligen in de Schrift als zoovele voorbeelden zijn, waaraan rij zich spiegelen kunnen.

En nu is het zulk een schoone vertroosting, dat ook met betrekking tot die vreeze en die angsten de Heere Jezus voor zijne kinderen iets beteekent. De Schrift leert het ons, dat Gods ware kinderen tegenover de verzoeking bevreesd staan. Het is dus nooit een teeken van gezond geestelijk loven, als er licht over de zonde gesproken wordt, als zij weinig geteld en minder geacht wordt. Het leven, dat Gods Heilige Geest wekt en werkt, onderscheidt zich juist door een groote teederheid tegenover de heiligheden des Heeren. Gods kinderen loopen over de zonde niet lichtelijk heen. En daarom ook niet over de verzoeking. Maar nu wijst ons de Heilige Schrift ook aan, welke verhouding de Heere Jezus tegenover zijn bevreesde kinderen aanneemt als zij staan voor hunne zwakheid. „Want", zoo zegt zij, „wij hebben geenen hoogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden." Als zijne kinderen geslingerd worden, als zij gekweld en beangst worden, als zij klagen en benauwd zijn, dan zegt God, dat wij geen hoogepriester hebben, die niet kan medelijden hebben. Hij legt er nadruk op, dat zijne gemeenschap met zijne kinderen zoo innig is, dat hunne benauwdheden zijne benauwdheden zijn, zooals ook onder het O. V. reeds geprofeteerd was, hoe Hij in alle onze benauwdheden benauwd, zijn volk heeft gered. En omdat Hij door de nooden zijner kinderen heenging, kan Hij, de verheerlijkte Middelaar, nog in hun smart afdalen, hunne klachten verstaan. Hij weet zich zóó een met de zijnen, dat hetgeen hun geschiedt, Hem gedaan wordt. Daaruit nu komt in den verborgen omgang met den Middelaar schoone en rijke vertroosting voor Gods kinderen op. Want is het vertroosting te midden van onze smarten en nood te ervaren, dat iemand waarlijk met ons medelijdt. Te weten, dat de troost, dien men tracht toe te brengen, niet slechts bestaat in koude en ziellooze woorden, zooals onder menschen maar al te vaak het geval is, maar' inderdaad opwelt uit diep medegevoel, is op zichzelf reeds een aangename gewaarwording. Zoo verschijnt de Heere Jezus in de Heilige Schrift als die waaarlijk meeleeft met de zijnen en de ervaring des levens toont ook hierin, dat het Woord niet bedriegt. Hij leidt de zijnen zachtkens aan zeer stille wateren. Hij draagt hen op zijne armen en weet altijd te spreken naar het hart van Jeruzalem. Reeds Jesaja heeft hem beschreven als teeder en ontfermend, vol van mededoogen, terwijl hij het volk ons teekent als gekweld door vele zwakheden, gedrukt onder den last der verzoekingen en beproevingen. En toch is de Heere Jezus voor hen als de goede herder, die zijne schapen weidt en voert in grazige vlakten. En als er één is, teeder als het lam, dat dreigt onder te gaan, dan neemt Hij het op zijne schouders, draagt het aan zijn boezem, en geeft het de rust en de verfrissching, die het behoeft. Want als Gods kinderen in banden geklemd liggen, en in droefenis nederzitten, wanneer zij, hetzij door de lasten van het natuurlijk leven gedrukt, geen uitkomst zien, hetzij bekommerd van ziel ronddwalen, omdat zij do teederheid des geestes derven, dan komt Hij met een rijke belofte om hunne zielen te troosten en te sterken. Daarom heeft Hij dan ook een twist met die herders, die wel het ambt dragen, maar die nalaten den zwakke te sterken, het kranke te heelen, het verbrokene te verbinden, het weggedrevene weder te brengen en het verlorene te zoeken. Hij zelf heeft dit alles gedaan, is daarvoor gekomen en ingegaan in ons lijden en daarom draagt Hij aan zijne gezanten op diezelfde boodschap te brengen, opdat Hij als de Trooster zal worden, gekend. En dat Hij in zijn Woord dit met zooveel nadruk vermaant, wijst uit, hoeseer er de - eeuwen door tegen die verhouding in de boodschap des heils moet getuigd. Het is, helaas, maar al te waar ook in onzen tijd en in onze kringen, dat er van die diepgevoelde teederheid des ontfermens in den dienst des Woords zoo weinig wordt bespeurd. Week aan week wordt er soms gepredikt zonder dat er iets van ontroering en ontferming tintelt in de predicatie des Woords. Zij blijft een ijdele klank dan, die galmt door de ruimte, die wel het vleeschelijk oor treft, maar het hart koud laat, die wel de verbeelding prikkelt, maar waaraan toch de adem des Geestes ontbreekt. Het is zulk een ernstig, aangrijpend woord, dat den prediker moge dringen tot ernstig zelfonderzoek, dat hij niet, anderen predikend, zelve verwerpelijk wordt bevonden. Er is veel dwaling en onkunde, veel ziekelijkheid en naarheid in het leven der gemeente, die te danken zijn aan de predikers zelven, omdat zij niet tegemoet kwamen aan de werkelijke zielsbehoeften, geen geestelijke leiding gaven zooals de arme, bekommerde en worstelende zielen behoefden. Als er geen spijze te vinden is op de rechte paden, is het geen wonder, dat doolwegen worden betreden. Wel is er oorzaak, dat zij, die het meest klagen over de piekten der gemeenten, de hand in eigen boezem steken en sich de vraag stellen, of er soms aan de geboden spijze niet de reuke der frischheid ontbreekt.

Door gansch de prediking van den Heere Jezus Christus alsook door gansch zijn werk gaat eene oneindige ontferming over al wat ellendig is. .Daarom was Hij de Trooster en wordt Hij nog altijd als zoodanig gebeeldhouwd door den kunstenaar. Maar zooals Hij was, zoo is Hij nog in den verborgen omgang met de zijnen. En dat niet alleen door ons zijne belofte toe te fluisteren, die spreken van zijne liefde, maar door ze ook inderdaad te vervullen. Bij Hem is ook genade om geholpen te worden te bekwamer tijd. .Het kan vergaan in de nooden des levens. Het water kan komen tot de lippen. Zij kunnen staan met de klacht: hoe lang nog ! Want de dagen van den druk duren altijd lang. Maar dit is toegezegd, dat Hij komt te bekwamer tijd. Op dien tijd, die inderdaad geschikt is. Niet vroeger en niet later. Daarom zegt God: zoo Hij vertoeft, verbeidt Hem, Hij zal gewisseiijk komen. Alg wij de hulpe ontvangen, zoodra zij werkelijk eene levensbehoefte is, dan is het vroeg genoeg. Vóór dat oogen­blik kan zij niet baten en na dat tijdstip niet meer redden. En nu komt de Heere Jezus in den verborgen omgang altijd op het juiste oogenblik. Hij geeft genade en spreekt van verlossing op het oogenblik als Gods kind denkt om te komen. En alle zijne bekommerde en vreezende kinderen mogen in hunne beproevingen en verzoekingen er op hopen, dat Hij komt, als zij Hem werkelijk behoeven. Dit is dan ook de oorzaak, dat zoo menigeen al maar neerzit met klacht over donkerheid, met twijfeling in de ziel of de Heere Jezus hem wel zou willen aannemen. Zij hebben nog geen werkelijke behoefte aan Hem. Er zijn er, die in wat zij bekommering noemen zooveel behagen hebben, dat zij in hunnen bekommerden staat meer behagen hebben dan in den Heere Jezus. Daarom zijn. er, die altijd leeren en nooit tot kennis der zaligheid komen en die in hun schijn van bekommering voor menige zoekende ziel een struikelblok op den weg tot het leven leggen. Als zij niet klagen en zuchten is het niet goed, naar zij meenen; als zij niet uitmeten over al ro.aar nieuwe bekommering achten zij, dat er van leven geen sprake is. Zij hebben die klachten en bekommeringen liever dan Jezus, want waar die komt, daar komt Hij met de sleutels der helle en des doods en daar gaat de deur des levens open en schijnt het licht der verlossing en gaat de jubel des heils op. Inderdaad, er is veel kaf onder het koren en onder veel bekommernis ligt weinig meer dan een looze huls, waarin de levenskorrei ontbreekt. Daarom ontmoeten zij den .Heere Jezus niet met zijne redding te bekwamer tijd. Zij liggen naar het schijnt voor het badwater der reiniging, maar niemand komt om hen er in te werpen, want de reiniging is hun geen levensbehoefte. Want zoo doet de Heere Jezus zeker met de zijnen. Hij komt met verlossing en hulp, als zij het niet langer uithouden kunnen. Wie het nog dragen kan, aan dien gaat Hij voorbij; maar - wie  het besterven sou, dien redt Hij door het woord der schuldvergevende liefde. Maar nooit redt Hij iemand, die niet gansch verloren is. Want dit juist komt altijd weder uit, dat Hij geheel en alleen wil zaligen, opdat nooit aan het schepsel daarvan de eere zou kunnen worden toegebracht.

Dat dus Christus niet gekend wordt als die waarlijk vrij maakt, dat menigeen niet verder komt dan woorden van bekommernis en dat er dus ook zoo velen zijn, die alle geloofsverzekerdheid missen, vindt daarin zijn oorzaak, dat de innerlijke ontdekking niet daar is, of niet genoegzaam diep heeft doorgewerkt. Maar als Hij een zondaar vindt als die waarlijk gevaar loopt onder te gaan, dan is Hij ook daar te bekwamer tijd om wonderlijk uit te helpen.

Dat is zoo tot het licht der verlossing, door al Gods kinderen ervaren, eenmaal voor het eerst doorbreekt. Doch dat blijft Hij nu doen ook daarna, telkens als het noodig is. De weg is moeilijk en altijd gevaarlijk. Geen stad is spoediger verloren dan die, waarin de vijand van binnen vrienden heeft. En zoo is het bij den zondaar steeds. De zonde, die inwoont, ook na verkregen genade, maakt, dat wij maar ai ts spoedig in de strikken van het kwade verward raken. .De psalmdichter heeft dit soo diep gevoeld toen hij zong: „want ik ben tot hinken gereed." Dit was zijn groote hem benauwende vreese, das zij zich over hem zouden verblijden, als zijn voet wankelde. Daarom ging ook zijn gebed op: „Verlaat mij niet, o Heere, mijn God! Wees niet verre van mij. Haast u tot mijne huip, Heere, mijn Heil!" En alzoo doet de Heere in den verborgen omgang met zijne kinderen. De verzoeking tot zonde, waaraan de mensch kan bloot slaan, is verschillend. Hoewel elk mensch den wortel aller zonde iu zich omdraagt, treedt toch bij den een meer deze, bij den ander meer die zonde op den voorgrond. Zoo heeft de een van Gods kinderen meer te vreezen van de verzoeking tot deze zonde, de andere meer van verzoeking tot dit kwaad. Omdat nu Gods kind langs een weg van ontdekking voor zonde en ongerechtigheid, langs wegen des doods tot het leven kwam en hij de zonde in haar gruwelijkheid zoo diep heeft leeren kennen, is er niets, dat hij dikwijls meer vreest en waarvoor hij meer beangst is, dan dat hij door de verzoeking zal worden overvallen en overwonnen. Dat zou hem zoo pijnlijk en smartelijk zijn, als door zijn zonde en ongerechtigheid des Heeren Naam smaadheid werd aangedaan. En als hij dat nu maar diep gevoelt, zoo diep dat hij daarover de hulpe des Heeren moet aanroepen, dan wordt het ook daarin openbaar, dat de Heere Jezus Christus hulpe biedt te bekwamer tijd. Dat doet Hij door genade te doen toevloeien, waardoor in het hart van zijn kind een sterke afkeer wordt gewekt. Zoo hepft Hij Joseph bewaard in de ure der verzoeking door de genegenheid af te snijden toen de gelegenheid er was. En ander maal keert Hij het om en biedt de gelegenheid zich niet aan, als de genegenheid er wel was. Als Gods kinderen zien op hun levensweg, dan wordt het hun klaar, dat de Heere medelijden met hen heeft. Door hun levensomstandigheden, door de omgeving waarin zij verkeeren moeten ; door hun arbeid en hunne zaken, zijn Gods kinderen aan zeer vele verzoekingen blootgesteld. Maar onder dat alles toont de Heere dat Hij hunne harten kan en wil versterken met overvloedige genade, dat Hij Zijne bewarende hand over hen uitstrekt en dat Hij niet toelaat, dat zij verderving zien. Ook al moeten zij soms langs diepe en smartelijke wegen leeren, dat iij zonder Hem geen oogenblik kunnen bestaan. Zoodra  zij van Hem afwijken, of zich inbeelden, dat zij zeiven genoegzame kracht bezitten, zoodat zij er zich op beroemen, dat dit of dat hun nooit gebeuren zal, is hun val nabij gekomen. De Heere heeft een arm en ellendig volk, dat op zijn Naam vertrouwen zal. En waar het  laatste ontbreekt, omdat het eerste er niet is, daar is de val nabij. En ook in dien weg doet de Heere nog wonderlijk met zijn kind. Zoo wordt ons David geteekend als op het punt om zijne hand te slaan aan den gezalfde des Heeren en als tot inkeer komende op het laatste oogenblik, zoodat hij zeide: „dat late de Heere verre van mij zijn." God kan zijn kind terughalen zelfs van den rand des afgronds. En zoo kan Hij ook als de klem hun te benauwend zou worden, den weg zoo leiden, dal Hij de godzaligen uit de verzoeking verlost, zooals Hij met Noach en Lot en tal van anderen deed. Hij laat zijn kinderen niet omkomen in benauwd heden. Hij geeft hun wijsheid en verstand en al wat zij behoeven te zijner tijd. Endoor al deze dingen gaat hun pad opdat zij zuilen worden geleerd en onderwezen in den der godzaligheid. Zij worden in dien weg langzaam maar zeker verlost van zichzelven, De groote les in Gods Koninkrijk te leeren bestaat meer in verlies dan in gewin, meer in afleeren dan in aanleeren. Hier blijft altijd gelden het aangrijpend woord: Hij moet wassen en ik moet minder worden. Het is een weg van vallen en opstaan, maar altijd zoo, dat de ontferming en de teederheid der liefde van Christus uitblinkt, want te midden van allen strijd en onder alle worsteling der ziel, onder alle verzoeking en benauwdheid, onder alle aanvechting, onder alle zwakheid en zelfbeschuldiging komt Hij toch tot zijn arm kind om het vast te houden, blijft Hij toch omgang met hen oefenen, opdat zij met Hem zullen verkeeren. Daarom spreekt Hij tot hen het heerlijk, woord der vertroosting: „Kinderkens, ik schrijf u deze dingen, opdat gij niet zondigt. En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben eenen voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den rechtvaardige."

Gods kinderen kunnen slechts leven uit Hem, omdat hun leven met Christus verborgen is in God.

Geest en Hoofdzaak.

Daar in ons stukske over „Geest en Hoofdzaak" in het vorig No. twee drukfouten voorkomen, die veel verwarring kunnen stichten, willen we nog even in 't kort herhalen wat we daar schreven.

Van de 44 Classicale Vergaderingen hebben zich 25 vóór en 19 tegen de schrapping verklaard en wel:

VOOR

In Gelderland: Arnhem (53 st. voor en 7 st, tegen, 5 blanco); Zutphen (51 st. voor, 46 st. tegen); Bommel (38 st. voor, 11 st. tegen); Harderwijk (49 st voor, 5 "st. tegen).

In. Z. Holland: ', s Gravenhage (66 st. voor, 6 st. tegen); Rotterdam (74 st. voor, 12 st. tegen); Leiden (63 st. voor, 7 st. tegec); Dordrecht (69 st. voor, 10 st. tegen); Gouda (49 st. voor, 15 st. tegen); Brielle(41 st. voor, 16 st. tegen).

In N. Holland: Amsterdam (65 st. voor, 15 st. tegen.

In Zeeland: Middelburg (40 st. voor, 15 st. tegen); Zierikzee (31 st. voor, 19 st. tegen); Goes (53 st. voor, 8 st. tegen.

In Utrecht: Utrecht (63 st. voor, 3tegen); Amersfoort (44 st. voor, 6 tegen); Wijk (32 st, voor, 2 st. tegen).

In Friesland: Sneek (45 st. voor, 20 tegen); Franeker (46 st. voor, 42 st. tegen); Dokkum (51 st. voor, 29 st. tegen).

In Overijsel: Zwolle (26 st. voor, 16 st. t^en; 8 blanco); Kampen (41 st. voor, 4 st. tegen).

In Groningen: Appingedam (42 st. voor, 34 st. tegen).

In N.Br. en Limburg: Breda (32 st. voor, 13 st. tegen); Heusden (45 st. voor, 2 st. tegen.

TEGEN.

In Gelderland: Nijmegen (35 st. tegen, 26 st. voor); Tiel (26 st. tegen, 24 st. voor.

In N. Holland: Haarlem (40 st. tegen, 30 st. voor); Alkmaar (66 st. tegen, 13 st. voor); Hoorn; Edam (40 st. tegen, 7 st. voor.

In Zeeland: IJzendijke (31 st. tegen, 8 st. voor.

In Friesland: Leeuwarden (80 st, tegen, 13 st. voor); Heerenveen (45 st. tegen, 38 st. voor, 2 blanco.

In Overijsel: Deventer' (46 st. tegen, 27 st. voor.

In Groningen: Groningen (42 st. tegen, 23 st voor'); Winschoten, Winsum.

In N.Br. en Limburg: Den Bosch (44 st. tegen); Eindhoven (15 st. tegen, 5 st. voor); Maastricht (30 st. tegen).

Inn Drenthe: Assen (32 st. tegen, 8 st. voor); Meppël (19 st. tegen, 13 st. voor); Emmen.

Alzoo:

Gelderland Z. Holland N. Holland Zeeland Utrecht Friesland Overijsel Groningen N.Br. en Limb. 2 4 Class. Verg. vonr en 2 tegen, 6 „ „ Q 3 , , n - 1-H » Drenthe O 25 voor 19 tegen.

Is de Ned.. Herv. Kerk de Geref. Kerk?

XIV.

Men wilde komen tot den idealen toestand, dat in de Ned. Herv. Kerk ieder leeraar mocht belijden en ieder lidmaat mocht gelooven — of niet-gelooven! — wat men wilde. Vrijheid, blijheid ! En zoo zou de Kerk worden een vereeniging van „elk wat wils"; een huis, waar-allerlei verschillende richtingen konden samenwonen.

Natuurlijk was dat lijnrecht in strijd met 't geen men sinde 1816 gezegd had [niet met 't geen men had gedaan!)

Met woorden had men jaar op jaar verzekerd, dat het er om ging de fundamenteele waarheden te bewaren en te verdedigen. Loswoelen van de grondslagen der Kerk zou men niet dulden. Immers als degenen, die wel met de belijdenis instemden, moesten saamwonen met degenen die vierkant iets dnders geloofden, dan zou men een koninkrijk krijgen 'dat tegen zich zelf verdeeld was. Dan kon't niet meer zijn en blijven de Ned. Herv. Kerk, die haar leer te handhaven had. Dan zouden de aloude grondslagen worden losgewoeld.

Maar ... bij al die scboone woorden had men toch telkens met stoute daden in die richting heen gestuurd, dat de Kerk feitelijk zonder belijdenis zou komen staan en in de practijk zou worden een vereeniging van elk wat wils ....

Dat is het oneerlijke, het onwaarachtige in de historie onzer Herv. Kerk I

Men wilde in naam de belijdenis bewaren en eeren — 't stond zoo gek voor-een Kerk om er geen belijdenis op na te houden.

Maar met de daad maakte men de Kerk van haar belijdenis los en gaf men gelegenheid, dat men op alle punten kon afwijken van de belijdenis, zelfs in het belijden van een drieëenig God, in het belijden van de Godheid van Christus, in het belijden van de verzoenende kracht van Christus' bloed — 't was ook zoo lastig om er een belijdenis op na te houden!

De rechtschen werden met woorden gepaaid. De linkschen werden met daden geholpen. En zoo heeft onze Herv. Kerk tweeërlei gedaanten, tweeërlei aangezicht, tweeërlei beginsel gekregen — 't is een belijdende .Kerk zonder band aan de belijdenis. In woorden is zij sterk geweest, maar in daden zwak.

Dat zien we ook als we de geschiedenis nagaan van de 18 jaren die er liggen tusschen 1862 en 1880.

We zagen hoe in 1862 een. stel nieuwe beiijdenisvragen gekomen is.

In dien geest zoudeu dus de predikanten moeten vragen en de leerlingen antwoorden ,

Hoe Dr. J. G. Acquoy te Zalt-Bommel(de latere .hoogleeraar), Ds. B.ter Haar te Nijmegen, Ds. K. F. Ternooy Apêl te Amsterdam enz. in een adres van 17 October' 1876 konden schrijven: „De wetgever van 1862 heeft door het stellen der vragen de verschillende rigtingen in ons kerkgenoot schap bijeen willen houden", is ons een raadsel.

Gaat men in een Kerk bepaalde vragen stellen om juist Jan en Alleman, van welke overtuiging ook zijnde, bij elkaar te houden ? Wij dachten van neen!

Wij dachten, dat het stellen van vragen was, opdat de Kerk zelve zou bepalen wat lisar belijdenis is, om haar karakter in dese te openbaren, tegelijk eischende van allen, die tot haar wenschen toe te treden of in haar midden belijdenis willen afleggen, dat zij met die kerkelijke belijdenis zullen overeenstemmen.

Had men in 1862 voorgeschreven, dat gevraagd zou worden: „belooft gij een braaf mensch te zullen zijn en een eerzaam lid der Kerk? " — ja dan kon men zeggen: dat is om alles bij eikaar te houden.

Maar in 1862 heeft men een stel belijdenisvragen gegeven, waarin het belijdend karakter der Herv. Kerk eenigermate uitkwam, met den eisch, dat de leden der Kerk en zij, die toegang tot het H. Avondmaal vraagden, in belijdend-karakter met die vragen zouden overeenstemmen.

Dat is zoo duidelijk als glas. Maar de vrijsinnigen deden sinds 1862 met die vragen alsof ze niet voorgeschreven waren. Alsof men van die vragen maken mocht wat men wilde. En dat is 14 jaren achter elkaar tamelijk goed gegaan, totdat in Nijmegen Ds. J. Hooykaas Herderschee er mee tegen de lamp liep.

De willekeur vierde hoogtij.

Men deed maar net wat men wilde met die vragen van art. 39. Natuurlijk in strijd met de regiementen

Totdat een ouderling Ds. J. Hooykaas aanklaagde.

Dat was een heet hangijzer. En toen is men begonnen om te probeeren meer vrijheid te krijgen in betrekking tot het stellen van de voorgeschrevene vragen.

Dat heeft men op onderscheidene manieren beproefd. De Synode van 1875 stelde voor in art 22 Regl. Kerkeraden op te nemen, dat de predikant naar eigen oordeel zou mogen te werk gaan in zake het al of niet gebruiken van den Heidelb. Catechismus, van de Liturgische schriften en nu ook van de belijdenisvragen in art. 39 Regl. Godsd. onderwijs genoemd.

Zoo zou iedere predikant dus inderdaad vrijheid krijgen om die vragen al dan niet te stellen.

't Gebruik van de vragen werd facultatief gemaakt.

Maar hoe werd dit Synodale voorstel van het jaar 1875 — geboren uit de kwestie Ds. Hooykaas Herderschee — door de Kerk ontvangen?

Met overgroote meerderheid hebben in 1876 de Prov. Kerkbesturen en Class. Vergaderingen dit facuitatief-stellen der belijdenisvragen afgekeurd; en op voorstel van de meerderheid der Commissie van rapport heeft de Synode van 1876 dan ook de vei'plaatsing der belijdenisvragen naar de liturgie afgekeurd. (Handel. Sym. 1876 blz. 177—185; 281—285)

De belijdenisvragen bleven dus voorgeschreven, om ze overal te gebruiken zooals ze waren.

Maar dat bezorgde de Synode weer tal van adressen, waarin geroepen werd om vrijheid met protesten tegen formulierdwang!

We laten éen adres volgen, dat vastgesteld werd op een vergadering van 17 October 1876 en onderteekend met welbekende (moderne) namen ais Dr. J. G. R. Acquoi te Zalt-Bommel (de latere boogleeraar), B. ter Haar Bzn. te Nijmegen, H. Steenberg en K. P. Ternooy Apél, beiden te Amsterdam, enz.

Het adres luidde als volgt:

De óndergeteekenden, predikanten in de ned. hervormde kerk, nemen de vrijheid zich tot u te wenden, ter zake van het besluit der synode van 1876, betreffende de bevestigingsvragen (syn. regl. o. h. gods, onderwijs, art. 39). — Met allen eerbied voor de persoonlijke overtuiging van de leden der genoemde synode, die tot dat besluit hebben medegewerkt, achten v/ij ons in gemoede verpligt nog eens onze stem te doen hooren en daartegen ten ernstigste te protesteren, innig bewust dat door dit besluit de eerste stap gezet is op den weg van confessionelen dwang, waarop geen protestantsch kerkgenootschap geleid mag worden. — Reeds aanstonds merken wij op, dat het genomen besluit afwijkt van de bedoeling des wetgevers van 1862. Deze heeft door het stellen der vragen de verschillende rigtingen in ons kerk genootschap bijeen willen houden; en het hoogste kerkelijk coUegie heeft daartoe medegewerkt, door veertien jaar lang de vrijheid, om de vragen min of meer te wijzigen, feitelijk te laten bestaan. Nu echter de jongste synode, ondanks een adres van ruim 400 predikanten, tot welke ook velen onzer behoorden, bevolen heeft dat zij letterlijk moeten gedaan worden, verwachten, dat zij juist zullen gaan uitwerken wat zij bestemd waren te voorkomen en: in plaats van te blijven vereenigen, eene oorzaak van scheuring zullen worden. Daarom roepen wij u met de meeste bescheidenheid, maar toch ook met mannelijken nadruk toe: bewaart de reeds zoo jammer verdeelde kerk voor verdere scheiding en ontneemt aan de duizenden die haar wenschen te houden, de vreeze, die hunne zielen vervult! — Er is-meer. Ook als vrije protestanten komen wij tot! u. Een kerkgenootschap, dat de beantwoording van dogmatische vragen als voorwaarde tot toetreding stelt, ja daarbij eischt, dat zijne leden, in stede van steeds verder te onderzoeken, bij hunne leerstellige belijdenis zullen volharden, wijkt onbewust van de oorspronkelijke bedoeling van het protestantisme af. Nu de vragen tot gebiedende letter zijn verheven, zullen zij een struikelblok worden en den toegang tot de protestantsche kerk versperren juist voor hen, die het innigst protestantsch zijn van hart. Met andere woorden: het meest zelfstandig gedeelte onzer jongelingschap zal of buiten alle kerkelijke gemeenschap blijven, of naar meer vrijzinnige kerkgenootschappen overbrengen wat de eer en de kracht onzer ned. herv. kerk had kunnen zijn. Om hunnent-en om harentwil vragen wij u: handhaaft ook nu nog den protestantschen geest in onze protestantsche kerk!

Eindelijk, ook als mannen, die op godsdienstig gebied de vroomheid bovenal achten, zij het ons vergund nog een woord tot u te rigten. Jarenlang lag het zwaartepunt der bevestiging in de vrome indrukken, op de jongste gemoederen in de plegtigste ure huns levens gemaakt. Op die indrukken was alles gerigt. Zelfs het beantwoorden van vragen moest daartoe medewerken. Maar nu? De vragen zijn feitelijk de hoofdzaak geworden. Vóór de godsdienstoefening zullen zij voor velen een oorzaak van spanning, bij ' de godsdienstoefening een voorwerp van niet zeer heilige aandacht, nè. de godsdienstoefening een onderwerp van ijdele gesprekken zijn. Voor de bevestelingen dreigt daarenboven nog een ander gevaar. Zij worden in den waan gebragt dat niet het leven, maar de leer het voornaamste is; en ingeval hun mond mogt belijden wat hun hart niet gelooft, zal het uur, dat zoo beslissenden invloed ten goede kon hebben, ontheiligend werken op htln gemoed. Daarom, ook met het oog op de nieuwe lidmaten, verzoeken wij u dringend: heft het verbindend karakter der vragen op en regelt de bevestiging zóó, dat de gezindheid des harten, niet hét leerbegrip, maatstaf en toetssteen zij! — Het zal niet noodig wezen bij het geschrevene nog meer te voegen. De vragen, die als leiddraad nuttig waren, zijn als voorgeschreven letter gevaarlijk. Hare heillooze gevolgen vertoonen zich reeds. Een niet gering aantal onzer amhtgenooten, en onder hen mannen, wier jiamen zelfs bij andersdenkenden met eere worden genoemd en wier groote gaven der kerk tot zegen konden blijven, hebben, door hun geweten gedrongen, verklaard, dat zij de bedoelde vragen niet kunnen doen en hunnen leerlingen de toestemmende beantwoording er van onmogelijk kunnen aanbevelen. Dit is het begin. Wat zal het einde zijn? — In dezen dreigenden nood is ons vertrouwen op God, hetzij dat het gevaar tijdig worde afgewend, of dat ons geloof gelouterd moet worden door langdurige rampen. Maar gevoelende, dat Hij werken kan ook door middel van u, hebben wij vrijmoedig tot u gesproken. Een hoogere magt dan de onze beslisse thans. Moeten er treurige dagen over onze vaderlandsche kerk komen — dat zij komen! Maar dan zullen wij ten minste den troost bezitten, eene poging te hebben gedaan om de ellende te keeren en protest te hebben aangeteekend tegen hetgeen haar noodwendig veroorzaken moest.

(Wordi vervolgd.)

Waar zitten ze?

In het boekje van Ds. v. d. Vlies: „Kunnen vrijzinnigen in de Nederl. Herv, Kerk blijven? ", waarin de schrijver geweldig tegen die zalvende, femelende, schijnheilige orthodoxen tekeer gaat, zegt hij o. a. dat de modernen a aan hun hoorders Christus' woorden des levens voorhouden en hen opwekken, naar die woorden te handelen." Om dan van de orthodoxen te getuigen „die van Jezus Christus soo'n carricatuur maken, dat de verstandige en godsdienstige mensch vol walging en droefheid van zulk eene prediking zich afkeert."

Bij de orthodoxe dominees komen dus geen „verstandige" en „godsdienstige" menschen in de kerk. Vol „walging" en „droefheid" keeren deze zich af van de plaats waar een rechtzinnige prediking is.

Maar waar blijven die „verstandige" en „godsdienstige" menschen dan?

Dat zouden we wei eens willen weten. 't Antwoord kan interressant worden !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juli 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk lenen.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juli 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's