Uit het kerkelijk leven.
Van verborgen omgang.
XVI.
Door het leven van Gods kinderen gaat dus een machtige strijd. Het is eene worsteling met verzoeking en zonde, maar ook een doorloopend getuigenis van de ontfermingen des Heeren, die niet ophoudt zijn medelijden te toonen aan zijn kind en met woord en daad hem de uitredding en de verzoening schenkt, die het behoeft. Als Gods kind ziet op zijn geestelijk leven, dan heeft het zooveel te vertellen van de wondere genadeleidingen Gods, van de veelvuldige goedertierenheden des Heeren. Want zij ontmoeten Hem in al deze omstandigheden als den medelijdenden Hoogepriester, die weet wat van ons te wachten is en daarom altijd bereid is om hulp te bieden te bekwamer tijd. Hij is de overste Leidsman, de goede Herder, die zijn kinderen zekerlijk inbrengt in de Koningsstad. Hij heeft voor hen gebeden, dat hun geloof niet ophouden zou, zoodat als de Satan zeer begeerde hen te ziften als de tarwe, hij toch niet heeft vermocht, want Hij laat niet één der zijnen rukken uit zijne hand.
Maar daarmede is nu het werk van den Heere Jezus in den verborgen omgang met zijne kinderen nog niet afgedaan. Zooals de Heere Jezus zijne Middelaarstaak volbracht heeft niet alleen in zijne vernedering, zoo is ook de verborgen omgang met Hem niet beperkt tot wat Hij in de gestalte eens dienstknechts heeft gedaan. Zien op het offer is ongetwijfeld veel. Voor de door schuldbesef verslagen ziel is het de uitredding te vernemen, dat het bloed van Jezus Christus den Zone Gods reinigt van alle zonde. Het is de boodschap des heils uit den hemel als het in onze ooren weerklinkt: Zie het Lam Gods, dat de zonde wegneemt. Maar hoe groot ook de uitkomst is, daarmede gegeven, alles wat Gods kind behoeft, is dat nog niet. Daarom is met het offer van Christus nog zijne Middelaarstaak niet volbracht. Het [Middelaarsambt der vernedering wordt voortgezet in de verhooging. In den verborgen omgang, die het leven der godzaligheid kenmerkt, heeft Gods kind niet minder van doen met Christus in de verhooging. Indien er geen verhoogde Christus was, zou er nog geene zaligheid voor hem zijn weggelegd. Immers, hel blijkt maar al te menigvuldig, dat wie eenmaal genade ervaarde in de ontmoeting met den Zoon, toch nog weer afdolen kan. Gods kind kan spreken over de dagen zijner eerste liefde, opgewaakt toen hij eenmaal voor het eerst het licht der verlossing zag dagen. Het is een machtige, alles verheffende gewaarwording voor het eerst van Hem te kunnen gewagen, die in de worsteling der zonde het woord der vergeving en der verzoening sprak. Dan gaat het als met de discipelen op den heiligen berg, toen Petrus zeide: „het is goed, dat wij hier zijn." In den aanvang schijnt het maar al te dikwijls, alsof de genieting onuitputtelijk is en alsof nooit meer een wolk der donkerheid den Heere Jezus aan het oog zal kunnen onttrekken. Dat mag een langer of korter spanne tijds zoo voortduren, maar het oogenblik komt, waarop de glans der blijdschap verdooft, waarop het eerst zoo hoog opwellende leven inzinkt, en het schijnt als ging de zonne der gerechtigheid schuil in de nevelen.
En dan naakt de ure, waarop diezelfde mensch, die zich zoo verblijden mocht in de gemeenschap met en in de tegenwoordigheid van zijn Heiland, weer eenzaam zich gevoelt en verlaten en somber, zoodat de klacht opgaat, dat het eertijds hem beter was dan nu. De trekking der wereld wordt weer gevoeld met de koorden barer zonde, de macht des vleesches doet zich weer gelden, de oude paden worden weer opgezocht. En dit alles kan zeer ver gaan, zoodat de vraag kan oprijzen of het niet alles, wat doorleefd werd, gerangschikt moet bij de vruchten der verbeelding, die immers zoo talloos vele zijn. Behoefteloosheid en biddeloosheid worden weer gekend in hare ontroerende eenzaamheid. En alles is weer als voorheen. Slechts dit ééne is anders, dat de herinnering aan de schoone-en zalige uren als een onaangename prikkel in het heden blijft, dat dit heden daardoor des te zwaarder drukt, zoodra het maar recht wordt onder de oogen gezien. En als dan in zulke tijden de mensch bleef overgelaten aan zichzelven, hoe zou dan iets anders van hem te wachten zijn dan altijd verder afdolen. Ook na ontvangen genade zou Gods kind in zonde en ellende ondergaan, indien de Heere Jezus, nadat Hij zich als de verzoenende Borg en Middelaar geopenbaard heeft, niet nog een andere taak aan de zijnen vervulde. De verheerlijkte Middelaar is 'ook de voleinder van de redding zijner kinderen. Als zoodanig heeft Hij zichzelven aan de zijnen gepredikt. Hij ging heen om plaats te bereiden. Hij leeft altijd om te bidden voor ons. Zijn Middelaarsarbeid gaat door, totdat de laatste der zijnen ingegaan is in de stad, die fundamenten heeft. En juist daarom, dat Hij niet kan aflaten van zijn taak voordat zij geheel is vervuld, is er oök aan het leven van elk der zijnen, hoe klein en gering zij ook wezen mogen, een voortarbeiden door Hem, dat zich uitstrekt over den ganschen weg, waarlangs zij optrekken. Hij heeft steeds het oog op hen, ook als zij Hem niet zien, en Hij is altijd zorgende voor hen, ook als zij het niet verwachten.
Gods kinderen worden geleid langs vele diepe afgronden en door gevaarlijke plaatsen. De smarten des levens vermenigvuldigen zich over hen. Hun leven wordt niet te vergeefs een strijd, hun weg niet zonder oorzaak steil, hun ingang niet zonder bedoeling nauw genoemd. De Schrift wijst het uit, dat dit aardsche bestaan van Gods kinderen aan vele moeiten en ellenden is onderworpen. Zelfs worden zij getroost door het uitzicht op het groote goed, dat wacht, gesterkt door de hope op het uitnemend gewicht der eeuwige heerlijkheid. Maar in en onder alles is toch de verheerlijkte Middelaar zelve de bewaarder Israels, die niet sluimert noch slaapt. Hij is de voorbidder der zijnen, die intreedt bij den Vader en de nooden zijner kinderen torscht. Reeds in het O. V. was dat niet alleen afgebeeld door den Hoogepriester in de uitoefening van zijn ambt, maar wordt ons de Engel des Heeren reeds geteekend, als die bad tot den Heere der heirscharen: „hoe lang zult Gij u niet ontfermen over Jeruzalem." De Christus treedt tusschenbeide niet alleen met betrekking tot onze zonde, maar ook in zake ons lijden. Er is geene verlossing uit eenige benauwdheid, geen herstel uit krankheid, geene verlichting van smart, geene redding uit eenig kwaad, dat ons niet toekomt op grond van de tusschenbeidetreding des Heeren. De ver lossingen, waarvan de geloovigen kunnen getuigen ook in het natuurlijk leven, zijn geen vrucht van de algemeene voorzienigheid Gods, die over alle dingen gaat, gaan niet om buiten Christus' werk, maar zijn er een onmiddellijke vrucht van. Zooals de schepping door het Woord is, zoo is ook de verlossing door Hem en alle gave der verlossing niet minder. Ook wat de wereld geniet aan gaven des levens, ontvangt zij van Hem, dien zij niet kent. Over boozen en goeden daalt de regen en gaat het zonlicht op, maar niet buiten Christus om. Het is al om zijnentwil. En in nog veel hooger zin geldt zulks van hetgeen zijne kinderen ervaren en ontvangen. Óver hen gaat in bij zonderen zin zijne zorg en voor hen staat Hij altijd als op de bres^om in hunne nooden op te treden tot hunne redding.
Met betrekking tot het natuurlijke leven wordt het niet altijd bedacht en daarom zijn we dan ook voor de natuurlijke gaven zoo weinig dankbaar. Wij merken niet op, hoe en voor welk doel zij ons worden toegedeeld en achten maar al te dikwijls, dat die natuurlijke stroom van zegeningen van zelf spreekt. En toch is het waar, dat Gods volk ook dat alles dankt aan de voor-en tusschentréding van onzen Heere Jezus Christus. Zijn medelijden, zijne ontferming is de bi*on der verlossingen zijns volks. Zelfs is er maar al te dikwijls eene tempering op te merken in hetgeen hen treft, die uitwijst, dat Hij geene verzoeking toelaat, die uitgaat boven onze kracht. En altijd vervult Hg zijne belofte, dat Hij met hen is, als zij gaan door vuur en water. Hij weet, dat zooals Hij in deze wereld was, ook de zijnen hier verkeeren, dat de strijd maar al te dikwijls zwaar is, dat de vijanden vele zijn, ook de vijanden die zij hebben om zijns Naams wil. Hij weet, dewijl Hij zelf het voorzegd heeft, dat zij vele verdrukkingen zullen hebben in de wer.eld, daarom heeft Hij ook vermaand tot goeden moed, wijl Hij de wereld overwonnen heeft. Die wereldoverwinnende macht, die Hem als Middelaar in de verhooging toekomt, openbaart Hij nu door zijne tusschentreding zoodra het lijden zwaar wordt en dreigt voor de zijnen e^n gevaar te worden. Veel, dat hen treft, is hun noodig tot leering en leiding, is hun noodig, opdat zij zullen blijven achter Hem en niet terugwijken. Ook dit gaat niet buiten Hem om. Maar zoodra als het gevaar naakt, staat Hij op tot verlossing. Zelfs wanneer zij zelven het gevaar niet opmerken en het verre van zich wanen, als het van alle zijden vrede schijnt en er dus uit hunne zielen geen stem opgaat naar den hemel en geen klacht ontperst wordt aan hun hart, dan is Hij er reeds tot verlossing. Hij ziet als 't ware uit, of er geen hulp noodig is, en Hij heft het schild reeds op, voordat zij de pijlen zien. Daarom wordt Hq' ons dan ook geteekend als de Held, die zich stelt tegen den vijand en wraak doet over het leed. Zoo treedt Hij dan ook op in de geschiedenis der wereld voor heel zijne kerk. Zij is het grootste wonder, dat de wereld te aanschouwen geeft. Niets is zwakker en nietiger dan het begin van Gods kerk en toch heeft zij eenmaal de zege weggedragen over de volken, die tot wereldbeheersching waren voorbestemd. En oök toen zij overwonnen had, was zij nietig en klein door haar innerlijke zwakheid en ellende, door hare verdeeldheid en wereldgelijkvormigheid, haar afwijk king van de paden des Woords, En toch, bij al wat in den loop der eeuwen onderging en veranderde, bleef toch Gods kerk. Zij mag soms zijn als een nachthut in den komkommerhof, eoms niet te vinden wezen met het natuurlijk oog, God heeft toch zijne kerk en houdt haar staande, , terwijl Hij de wereldmachten, die haar zouden vernietigen, weet •te treffen op den juisten tijd. Hij verstrooit hare vyanden. Zoo deed Hij oudtijds en zoo doet Hij nog, maar altijd is daarin de pleiting van den Heere Jezus, die opkomt voor de zijnen. Zijne hand is beschermend over hen uitgestrekt. In hun gansehé leven, van de eerste ontdekking af, is Hij het, die de twistzaak zijner kinderen beslecht en alles en allen afweert, die hun ten verderve konden zijn. In al deze leidingen openbaart de Heere het medelijden, dat Hij met ons heeft en de teederheid zijner ontfermende liefde.
Ook voor den verborgen omgang, die Gods kinderen genieten mogen, komt er uit deze bijzondere voorzienigheid een geestelijk goed op, dat als een tegenbeeld is van hetgeen in den Middelaar leeft. De apostel spreekt van de eenvoudigheid, die in Christus is en waarschuwt voor het bederf der zinnen om daarvan af te wijken. Hij wil daarmede zeggen, dat Gods kinderen in hunne verhouding tot Christus niets mogen toelaten, dat in strijd is met hetgeen, waarom zij Hem hebben ontvangen. Ook de Heere Jezus Christus wordt ontvangen met een bepaald doel. En waar dit uit het oog wordt verloren, daar lijdt het geestelijk leven schade; Zoo wordt ons van de Galatiërs medegedeeld, dat zij Christus tot rechtvaardigmaking en leven ontvangen hadden. Zij begonnen in den Geest, maar dwaalden af van de gerechtigheid des geloofs. Zij lieten zich betooveren en kwamen er toe om aan de gerechtigheid der weteen waarde toe te kennen, die der gerechtigheid ' des geloofs te kort deed. En nu grijpt de apostel de roede aan om hunne dwaasheid te bestraffen. Dit deed hij om hen te vermanen en terug te brengen tot de ware verhouding, die er tusschen Christus en de zijnen alleen mag gevonden worden. Hij wordt door Gods kinderen ontvangen tot gerechtigheid en zaligheid, als de bron en springader van alles wat wij behoeven. En nu komt het gevaar, dat zij in de plaats van deze eenvoudigheid andere dingen gaan stellen. Dan sluipt er een verderf in het geestelijk leven in. En er zijn, helaas, tal van menschen van wie, voor zoover ons menschen de onderscheiding der geesten gegeven is, mag worden aangenomen, dat zij genade hebben ervaren en die toch een ziekelijk en ellendig geestelijk leven leiden, omdat zij als de uitzinnige Galaten tot andere dingen keeren. Men moet bovendien ook niet vergeten, dat er onder degenen, die een schijn hebben van Gods kinderen te zijn en die zich aandienen als van eene bijzondere vroomheid, ook velen worden gevonden, die eigenlijk krank zijn. Er is ook een zenuwziekte in ^den vorm der vroomheid. Dat zijn menschen, die het nergens kunnen vinden. Onder geene prediking vinden zij voedsel. Zij zoeken hun heil van conventikel tot conventikel en gaan op in de vroomheid, die daar geboden wordt en meestal eigenaardig vleeschelijke glimpen heeft. Er wordt gesproken in diep mystieke woorden met zeer vleeschelijke beelden over de diepten des geestelijken levens zooals niet God en zijn Woord, maar zij zelven het verstaan. Waren de Galatiërs afgedwaald van de gerechtigheid, er zijn nog meer afdwalingen, waarvan hij zou zeggen: „O gij uitzinnigen! wie heeft u betooverd, dat gij der waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn, "
Want dit is immer de bij Gods ware kinderen terugkeerende eenvoudigheid, dat zij tegenover de voorzienige en ontfermende liefde van Christus, nu ook hunnerzijds niets anders in zijne plaats kunnen en willen hebben. Zij kunnen nevens zijne gerechtigheid niets hebben. Zoo had de apostel Paulushet ook zelve in den weg zijner ontdekking ervaren. Alles had hij zich zien ontvallen om niets anders over te houden dan alleen dit ééne. En al wat zich daartusschen schuift, hoe schoon en vroom het ook zijn mag, heeft niet slechts geen waarde in Gods Koninkrijk, maar is zelfs een afwijking van Christus, een ongehoorzaamheid aan het Evangelie en een bederf en verderf van den verborgen omgang met Hem. Het kind Gods, dat zich verblijden zal in waar geestelijk leven, kan dit alleen genieten door te blijven in de eenvoudigheid, die in Christus is. Daarom is het dan ook een doorgaande karaktertrek van Gods ware kinderen, dat zij begeeren zijne gerechtigheid te hebben om daarvan zeker te zijn. En daarom, als zij somtijds niet weten of zij wel deel in Hem hebben, als Hij zijn aangezicht verbergt en zij Hem niet zien en de wereld komt om hen te vertroosten met wat zij heeft aan te bieden, dan kunnen zij door dit alles niet blijvend getroost worden. Het is waar dat zich velerlei aanbiedt, dat ook Gods, kind voor een wijle bekoren kan en schijnt te behagen, maar het leven er bij vinden kan het niet. Door wegen van dwaling en zoeken wordt het opnieuw geleid tot Hem, die alleen hunne hope zijn kan. Als zij ronddwalen door < le woestijn en in diep ellendigen toestand verkeeren voor zichzelven, dan wordt het bekend, dat de Christus alleen troosten kan, en er wordt naar uitgezien, dat Hij toch komen zal om den steun en de vertroosting te bieden door alles weg te nemen, wat er tusschen Hem en zijn kind is. Maar daarom is er dan ook zulk een ernstig onderzoek noodig, dat er in ons geestelijk leven geen insluipsels inkomen, die ons vrede met God moeten schenken buiten den Christus om. Als de vraag opkomt, waarmede wij voor God zullen moeten verschijnen, dan zal er nooit een ander antwoord gegeven kunnen worden dan dat er in den Heere Jezus Christus gerechtigheid is en dat die gerechtigheid alleen een grond voor vrede is, omda, t we er mede voor God kunnen bestaan. En nu is het ongetwijfeld waar, dat als de vraag komt, of er wel een andere grond tot zaligheid is dan deze gerechtigheid, al degenen, die zich om de banier der waarheid scharen, daarover in antwoord niet zullen verschillen. Ook de ziekelijkste vrome houdt het werk der gerechtigheid voor genoegzaam. Maar in de werkelijkheid van het leven is er o zooveel, dat duidelijk doet zien, hoe er ook onder den dekmantel der vroomheid en der tot het uiterste gedreven bevindelijkheid, een adder van eigengerechtigheid en vleeschelijke vroomheid schuilt, die maakt, dat er toch inderdaad met die gerechtigheid geen vrede wordt gevonden. Er zijn er velen, die er geen genoegen mee nemen en die de eenvoudigheid van het Evangelie en de eenvoudigheid van Christus veel te eenvoudig achten. Ook hier is er een groot onderscheid tusschen wat de mond zegt en het hart beleeft. Het is een groote zaak om het in leven en sterven met niets anders te kunnen en te willen wagen dan met het werk van Christus alleen en naast Hem niets, hoe schoon en begeerlijk het ook schijnen moge, te willen hebben om er op te hopen. Maar in de ziel van ware kinderen is, als het er op aankomt de Heere Jezus het eenig begeerlijke goed, ééne noodige, waarnaar al de liefde van hun hart uitgaat, zooals zij weten, dat alle liefde over hen is en zyne voorzienige en zijn altijd voortgaand waken hen voor de ondergang behoedt.
En daarom is er dan ook, als het wel Gods kind is, een teederheid tegenover dingen van zijn Koninkrijk. Zooals de Christus teeder is voor de zijnen, zoo zijn ook teeder met betrekking tot het zijne. Hoe? Gods kind zich over zijne zonde diep te beklagen heeft en hij als een schuldenaar voor God zal moeten verschijnen, omdat hij niet was zooals hij moest, niet deed zooals hij moest: doen en hij de zonde dagelijks meerder maakt, zoo is er toch in zijne ziel ook teederheid tegenover Gods geboden en inzettingen. Ook in dat opzicht is het in onze tijd zeer bedroevend gesteld met tal van menschen, die zich om de waarheid schaart die zich tellen bij Gods kinderen en tegenover de inzettingen des Heeren zich niet slechts lichtvaardig, maar zelfs met minachting gedragen. Het gemeenteleven, hoewel eene inzetting des Heeren, wordt niet mee geleefd. Omdat er zonden en gebreken zij omdat zij niet altijd vinden wat zij zoeke omdat de afval groot is, en om zoo talloos vele andere oorzaken, bemoeien zij er niet meer mede. Zij zijn in eigen oogen godzalig voor zulk een verdorven staat. schouderophalend minachten gaan zij er voorbij, gaan zij zelven niet in en verhinderen anderen in te gaan. Een roep tot bekeering gaat er niet van hen uit tot de gemeente, met wier leven zij hebben afgedaan Met hare zonde, die toch ook de hunne zijn komen zij niet tot God, voor wiens aangezicht zij zich daarmede, althans niet buigen. Dat de Heere Jezus zelve te midden van den afval zijner dagen hun andere voorbeelden gegeven heeft, laat hun koud. Zinj voorbeeld wordt door hen niet geteld, dewijl zij alleen luisteren in het gunstigste geval naar de ingevingen van hun eigen vleeschelijke vroomheid, soms ook naar deste van andere neigingen, die uit de wederbarende daden Gods niet opkomen.
In het ware kindschap Gods is een ve borgen omgang met den Heere Jezus gegeve waarin zich de stelregel verwezenlijkt: hebben Hem lief, omdat Hij ons het eerst heeft liefgehad". Uit zijne wondere vrijmachtige liefde komt in het hart zijner kindere een wederliefde op, die hen doet vragen niet allereerst naar hetgeen hun zelven aangenaam is, niet naar hetgeen hun gemoed streelt, maar naar hetgeen Hem welbehagelijk is, naar zijn wil en naar zijn Woord Hunne belijdenis is: Heere, wat wilt U dat ik doen zal.
Maar van allen eigenwilligen godsdiensl hoe schoon die ook schijnen moge en hoe streelend voor den natuurlijken mensch, geld het woord des profeten: „Die zichzelven heiligen, en zichzelven reinigen in de hoven en die dus met het leven van Gods gemeente' gebroken hebben', te zamen zullen zij verteerd worden, spreekt de Heere".
Is de Ned. Herv. Kerk de Geref. Kerk?
XV.
Er is in de Synode van 1877 héél wat gesproken over de kwestie van de belijdenisvragen. En voorloopig werd toen aangenomen een wijziging in art. 38, 39 en 40 Regl. Godsd. onderwijs, waarbij bepaald werd, 1 dat iedere predikant z'n eigen leerlingen mocht bevestigen, 2 dat leerlingen van elders ook mochten worden toegelaten en 3 dat de belijdenis vragen van art. 39 zouden worden veranderd.
Bepaalde vragen zouden voorgeschreven blijven. Maar een nieuw stel, door Ds. Douwes, predt. te Leens, opgesteld, werd aangenomen,
't Waren deze vragen:
1 «Verklaart gij, in oprechtheid des harten« te vereenigen met allen, die God aanbidden als hunnen Hemelschen Vader, Jezus Christus vereeren als den Zoon Gods, hunnen leidsman tot den Vader, en door den Heiligen Geest zich wille" laten besturen.«
2 »Hebt gij mitsdien het ernstige voornemen, de zonde te verzaken en matig, rechtvaardig en Godzalig te leven, gelijk het waren Christenen betaamt? » enz.
Maar hoe ontving de Kerk'dit voorstel' dat in de Synode met 13 tegen 6 stemmen was aangenomen?
Men vertrouwde het niet. „Eeniggeboren' was weggenomen. God aanbidden en Jezus „vereeren" stond er nu; er was sprake van „zich willen laten besturen door den H. Geest" enz. enz.
Neen! men vertrouwde het niet.
En er ging een storm op in het midden der Kerk. Zóo geweldig, dat de Synode van 1878 eenparig besloot om de vragen-Douwes* weer te laten vallen en terug te keeren tot de oude vragen van 1862.
In de 28ste zitting van de Synode (17 Aug. '78) bracht de Commissie rapport uit en moest toen zeggen: „allen komen echter hierin overeen, dat de ongunstige consideratiën van het meerendeel der Prov. Kerkbesturen en Class. Vergaderingen eene overwegende reden is om haar niet vast te stellen", weshalve daartoe dan ook overeenkomstig het advies der Commissie met algemeene stemmen besloten werd. (blz. 338 Hand. Syn. 1878).
Zou het nu bij 't oude blijven?
In 1875 wilde de Kerk geen facultatief stellen van de belijdenisvragen. In 1878 wilde zij geen verandering van vragen in den zin van Ds. Douwes.
Zou 't nu zoo blijven, zooals het sinds 1862 was, dat iedere predikant de vragen van art. 39 Regl. G. O. moest voorleggen en dat iedere leerling die vragen moest beantwoorden zooals zij daar lagen?
Wie dat denkt, die houdt geen rekening met den woelachtigen en brutalen geest der vrijzinnigen.
Neen! 't gaat zooals 't gaat, maar de vrijzinnigen rusten niet vóór dat alles, wat de belijdenis betreft, in de Ned. Herv. Kerk op losse schroeven staat — hoewel ze plechtig beloofd hebben in die Kerk alles te zullen doen naar uitwijzen van Gods Heilig Woord (Beroepsbrief) en handhavecdö de leer der Kerk, vervat in hare belijdenisschriften (art. XI Algem. Regl.)!
Onvermoeid wordt de strijd tegen de belijdenis aangebonden en volgehouden.
Zie maar op 't geen in 1878 geschiedde. De Kerk wilde de belijdenisvragen niet facultatief stellen. Ze wilde ook die vragen niet in modernen zin hebben.
Maar daar komt Ds. Alingh Prins, predt. te Korte Zwaag, en stelt in de Synode voor om de 3 belijdenisvragen te versmelten tot éeae korte verklaring.
Hij' stelde voor, dat in 't vervolg slechts gevraagd zou worden:
"belooft gij tot den bloei van het Godsrijk in het algemeen en van de Nederl. Herv. Kerk in het bijzonder, met opvolging van hare verordeningen, naar uw vermogen volijverig mede te werkene.
Terwijl dan in art. 39 Regl. Godsd. onderw. zou worden bepaald:
"De voorstelling van lidmaten heeft plaats in eene daarvoor bepaalde Godsd. oefening onder ernstige en hartelijke toespraak.»
De uniformiteit zou dus bij dit alles bewaard worden.
Overal op dezelfde wijze handelen.^
Maar... er zou zoo geen sprake meer zijn van belijdenis-doen.
Want alles wat maar eenigszins met eene belijdenis des geloofs verband hield, was weggeschrapt.
Zooals b.v. ook in 1914 de professoren Meijboom en Oort aan de Synode verzochten de belijdenisvragen eenvoudig af te schaffen en heel de bevestiging van nieuwe lidmaten met een plechtige toespraak te laten afioopen.
Ds. Alingh Prins verdedigde zijn voorstel op deze wijze: „waar het zooveel moeite kost om voor de eerste vraag in art. 39 eene algemeen bevredigende formule te vinden, schijnt het mij beter toe de vragen bij de bevestiging te doen vervallen. Ik acht het vol doende, dat de aannemelingen eene verklaring afleggen, als door mij opgesteld; waarbij ik meen dat tot aanbeveling strekt, dat genoemde vraag geen leerstellig karakter heeft en derhalve geene aanleiding geeft tot twist."
Verder ? telde hij voor „de nieuwe lidmaten aan de Gemeente voor te stellen met de mededeeling der namen, wat gepaard moest gaan met eene ernstige en hartelijke toespraak, waarbij de plegtigheid niet minder indrukwekkend zou wezen."
Enkele leden der Synode vielen Ds. Prins bij.
Maar anderen brachten in het midden , , dat het niet aanging om zoodoende de openlijke bevestiging af te schaffen, met voorbijzien dat de gemeente recht heeft om van de toegetreden aannemelingen de verklaring omtrent hunne geloofsovertuiging en gezindheid te vernemen." Het wordt ook opgemerkt, dat de voorsteller — die beweerd had, dat de openlijke bevestiging van lidmaten vóór 1816 niet geschiedde — bij zijn beroep op vroegeren tijd eene gansch andere aanneming wil als toen plaats vond, daar zij voorheen enkel eene aflegging der geloofsbelijdenis was naar de vragen van den Heidelbergschen Catechismus.
Men meent ook, dat eene „voorstelling" aan de gemeente, zooals Ds. Alingh Prins wilde, iets nieuws in onze Kerk zou zijn en geen bijval bij de gemeenten vinden en ook aan het karakter van toetreding tekortdoen, dat in overeenstemming moet zijn met hetgeen de Heere verlangde, immers, dat men Hem voor de menschen zou belijden.
Bij de stemming verklaarden zich 4 stemmen vóór het voorstel — en 15 stemmen tégen.
En dus was deze forsche zet van Ds. Prins mislukt.
Uit dit alles blijkt duidelijk, wat de modernen eigenlijk wilden. Zij wilden den weg banen, dat de moderne leerstellingen overal vrij zouden kunnen worden verkondigd. Maar ook komt nu aan 't licht, dat de Kerk zelve dat niet wilde.
Zij wilde geen facultatief-stellen van de belijdenisvragen, zoodat iedere predikant kon doen of laten naar 'tgeen hij wilde.
Zij wilde geen stel'moderne vragen voor alle predikanten en alle leerlingen.
Zij wilde geen afschaffen van de belijdenisvragen en van het belijdenis-doen.
Wat zij ten slotte heeft aanvaard is: met te behoud van positieve belijdenisvragen gaf zij vrijheid aan kerkeraden en predikanten om de vragen zelf te formuleeren, onder uitdrukkelijk beding, dat althans de geest en de hoofdzaak van de in de belijdenisvragen van art. 39 vervatte BELIJDENIS, VERKLARING 671 BELOFTE ZOU worden bewaard.
D4t heeft de Synode ten slotte aangenomen. Dat heeft ten slotte ook de Kerk aanvaard. Gelijk we zullen zien uit 't geen verder voorviel in de Synode van 1878 en 1879.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juli 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juli 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's