Stichtelijke overdenking.
Jes. 43:1—7.
Gods getuigenis of eigen begeerte.
Een jaar is bijna heengegaan, eenjaar van wee over de volkeren. Wat drukken de oorogslasten op de schouderen der natiën zwaar en zwaarder steeds; wat een kostbaar bloed vloeit er eiken dag op de vele slagvelden; en wat een wonden, diep en pijnlijk, worden er geslagen!
Jes. 43:1-7.
Een jaar is bijna heengegaan en nog wordt iet kanongebulder gehoord, hooguit boven
jammerkreten van gewonden en stervenden; en de hand van Hem, die alleen „de oorlogen doet ophouden tot aan de einden der aarde", wordt niet opgemerkt, en naar Zijne stemme, die roept tot vernedering „onder de krachtige hand" des Heeren, wordt niet geluisterd.
De vele uitvindingerl hebben den krijg ïfrseder gemaakt en woest grijpt de geest des oorlogs om zich heen, om steeds meerdere volkeren te doen optrekken naar de kampplaatsen, waar de duizenden sterven.
Vau 1 Aug. 1914 tot dienzelfden datum in dit jaar is een tijd geweest van bloed en tranen, zóó ernstig, dat men haast niet begrijpt, hoe het mogelijk is dat de zorgeloosleid zoozeer toeneemt en de lichtzinnigheid uitgaat tot wegen van schadelijk vermaak en schandelijke brooddronkenheid.
t Staat tot nu toe niet best met de volkeren, tot welke de Heere zoo luide spreekt, en, daarop gezien, schijnt het einde van den krijg nog verre.
Ook over ons vaderland drijven donkere wolken, als men acht geeft op den volksgeest. Wel zijn er zwakke stemmen, die om vrede roepen; maar van verootmoediging, van geraaktheid onder de hand des Heeren, van een zoeken van vrede door vrede met God te zoeken, verneemt men in 't algemeen weinig.
De „hoovaardij des harten" heeft nog veelszins 't hooge woord onder de machtige volkeren ; de lust om den boog te breken en de spies aan stuk te slaan, wordt nog niet openbaar. Waar de Heere roept tot rouwklagen en geween, daar gaat de menseh uit, tot allerlei wegen, waardoor des Heeren gramschap ontstoken wordt, in plaats van Zijn toorn gestild.
En wij zullen geen vrede hebben, wandelende naar het goeddunken van ons boos hart.
t Is zoo, naar de uitspraak der Heilige Schriftuur, dat zij nooit, nooit welvaren zien keeren en vrede over de zielen in eigengekozen wegen, doch in onderwerping aan Gods getuigenis geheel en al.
Daar is menig blad, dat ons van menschendwaasheid spreekt, uitkomende in de verwerping van 's Heeren getuigenis. Neemt eens voor u, vriendelijke lezers, Jeremia 43 en zoekt leering van den Heere door 'tgeen er geschied is te Geruth-Chimham, dat bij Bethlehem was.
Jeruzalem is verwoest, Gadalia, de edelman, is schandelijk vermoord. Johanan is tegen Ismaël opgetrokken, Ismaël is met enkelen gevlucht naar Ammons volk. Johanan en 't gansche overblijfsel, dat bij hem is, is in vreeze voor de wraak van den koning van Babel, als deze straks hooren zal van den moord op Gadalia gepleegd.
In hunnen angst zoeken ze de voorbede Van den profeet Jeremia, want, zeggen ze: wij zijn weinigen van velen overgebleven. Eenige dagen verloopen eer Gods antwoord komt. Zij wisten wel, dat hun besluit om naar Egypte te gaan tegen de Gode welbehagelijke wille was, maar een mensch is maar een mensch, en zij willen hunnen verkeerden weg. gaarne goedmaken en onder het schild van Gods Woord plaatsen. Jeremia komt bij vernieuwing met zijne waarschuwing om niet naar Egypte te gaan, en met 's Heeren belofte: Ik zal met u zijn om u te behouden en van zijne (Nebukadnezar's) hand te redden.
Doch Jeremia's woord staat hun niet aan.
Zouden Johanan en zijn volk de uitvoering van hunne begeerte doorzetten en zouden ze zich niet laten gezeggen, of zouden ze Gods waarheid recht laten wedervaren en Zijn Woord doen, gelijk ze zich daartoe als bij eede verbonden hadden? Daar moest bij de „herberg van Chimham" eene gewichtige beslissing genomen worden.
Er zijn in elk menschenleven van die gewichtige momenten, waarop het op een tweesprong, op een keerpunt staat.
Zal men de sprake des gewetens, de stemme van Gods waarheid; in een bizonder geval hooren of niet?
Immers is het in vele gevallen, bij een volk, dat onder 't licht des Woords leeft, wel bekend, wat de eisch des Heeren is, doch wij gebruiken drogredenen, liefst dezulken, die vroom klinken, om heimelgk onze eigene begeerte te volgen.
Nu hebben Johanan en zijn aanhang gehoord uit Jeremia's mond, wat 's Heeren weg was. Blijven in Juda, buigen onderden Heere, en 't zal u welgaan. Doch zij hebben hun eigen inzicht (? ), opinie, gevoelen en zeggen onbescheiden en stout op allergrievendste wijze tot Gods knecht: Gij spreekt leugen! Eu zij miskennen heel zijn roeping, sprekende: De Heere, onze God, heeft u niet gezonden!
Jeremia is een valsche profeet; hij dekt zich met goddelijk gezag, doch God heeft door hem niet gesproken.
Vreemd toch. Nu Gods knecht hun niet naar den zin spreekt, nu gaat hij „overboord, " want zij willen zichzelven handhaven en in eigen weg heil zoeken; had Jeremia hen bevestigd in hunne verkeerde trekking van eigen lust, dan ware hij natuurlijk een „uitnemend" man geweest. Thans niet.
Zij waren wel gekomen als mannen, wie het ging om Gods Woord, alsof ze in nederige en gewillige onderwerping lust hadden en die in verlegenheid raad des Almachtigen zochten, maar nu werd duidelijk, dat ze het reeds wisten en Gods Woord wilden, als het hun aanstond en voor zoo verre het hun paste.
Zij hadden zich gedragen (eerst) als menschen, wien het licht op 't pad ontbrak en die zonder den Heere niet verder wilden; evenwel blijkt uit hun norsch en ruw antwoord, en verachting van den profeet, dat heel die houding gruwelijke veinzerij was; zij trekken, nu het er op aankomt, Gods Woord in het slijk van menschelijke opiniën, en zetten hun gevoelen tegen dat van Jeremia, d. w. z. tegen Gods Woord.
Buigt hier uwe hoofden, menschen, die weet dat de Heere lust heeft tot waarheid in het binnenste, en laat u niet vreemd voorkomen, als een volk, dat Gods waarheid begeert en in dat spoor zijn gang en treden bevestigd wenscht door den H. Geest, deze dingen tot schuldontdekking eu vernedering leest.
Wat is er een biddend onderzoek noodig, om des Heeren wille te mogen kennen en genade om die te betrachten, zoodat er niet slechts zij genade om te zien, maar ook gewilligheid om naar het gegeven licht te wandelen.
Volvaardigheid des gemoeds om naar het ontvangen licht te doen, is zoo'n noodige genade; en het Woord van den Heiland: „Indien gij deze dingen weet, zalig zijt gij, zoo gij ze doet", heeft eene beteekenis zoo heerlijk, dat wij er ons met een gemoedelijk praatje niet van kunnen afmaken.
Oprecht volk, dat de liefde tot de waarheid deelachtig mag zijn, weet hoe arglistig het harte is, om zichzelven, zijn eigen lust en opinie, ja zelfs zijn eigen „ligging" gesterkt te willen zien.
David getuigt voor den Heere: dat Hij naar hem niet zou gehoord hebben, indien hij in zijn hart naar ongerechtigheid had omgezien, en allen, die iets kennen van de verborgenheid des Heeren, komen in vele wegen met schuld uit en zeggen wel: ik meende dat 't mij om God en Zijn weg te doen was, doch ik zocht mij zelven en mijn eigen meening en gevoelen.
Als de boeken openkomen, zal ook het volle licht opgaan over veler duisternis, weinig zegen voor 't harte, en allerlei teleurstelling en vruchteloos aanroepen van den Naam, öindat wij ois zelven bedoelen inplaats van den Heere en onze eigene wegen wilden gaan, instede van Gods wegen.
„Die kwaad doet, komt tot 't licht niet." Reeds voor eeuwen is het gezegd: die zijne lusten aan de hand wil houden en volgen, wendt zijn oor af van de waarheid.
„Die de waarheid zoekt, komt tot het licht, opdat Zijne werken openbaar worden, dat zij in Gode gedaan zijn."
En dan komen er lieflijke verkwikkingen van Gods aangezicht.
Jeremia heeft genade om bij het Woord Gods te blijven om tegen den stroom op te roeien, al wordt hij een valsch profeet gescholden.
Zij willen de pijnlijke beieediging wat verzachten en voegen hem toe: Baruch, de zoon van Neria, hitst u tegen ons op; opdat hij ons spele in de hand der Ohaldeën enz. — Gij waart nog zoo kwaad niet, doch hebt een boozen opsteker en zijt zwak genoeg om u als werktuig der vijandschap te laten gebruiken. Dat is ook nog dat echt satanische. Zij willen oneenigheid brengen tusschen die twee mannen, die om Gods wif voor 't volk der achtergeblevenen 't goede zoeken.
't Is later ook voorgekomen, dat het karakter niet werd ontzien van 's Heeren kinderen en de duivel het toelegde op tweespalt door booze achterdocht te wekken.
Zij hebben zichzelven niet verdedigd, maar het overgelaten aan Dien, die rechtvaardig oordeelt. Daar is soms heel wat zelfbeheersching noodig, onder ruwe aanklacht en valsche beschuldiging; maar de Heere geeft genadige kalmte in de bewustheid: Mijne Getuige is in den hemel!
Johanan, de zoon van Karéah en de oversten der heiren en al het volk gehoorzaamden niet de stemme des Heeren, om in het land van Juda te blijven.
't Is daar bij Bethlehem uitgekomen, dat er wel allerlei bedekselen zijn voor het eigenlievend hart, doch dat het eindelijk uitkomt, welke de ware bedoeling is. Eigen weg, eigen opinie. Gods getuigenis moet op zig, opdat voor onze gedachten vrije doortocht zij. Er was weerbarstigheid, booze onwil om te buigen, omdat die mannen meenden in 's Heeren weg schade te lijden, zelf om te komen, terwijl Jeremia gelooven mocht en het uitsprak: In 's Heeren weg is de zegen en voorspoed; Hij staat voor Zijn eigen Woord.
Ongelukkige politiek zou raad schaffen, 't Is zoo natuurlijk, dat zij geen tegenspraak kunnen verdragen en geen tegenstand willen tegen hunne oogmerken. —= Hunne hardnekkige ongeloovigheid in den Heere en Zijne leiding maakt droeve uitvluchten en dwingt straks — want ongeloof is tyranniek — Jeremia en Baruch om mede te gaan naar Egypte.
De H. Geest leert Gods raad zoeken en, door strijd henen, het voor den Heere opgeven ; Hij geeft eene resolutie, om zich nedrig aan den Heere te onderwerpen. Dan is de bede: Neem Uwen H. Geest niet van mij, opdat ik Uw geopenbaard Woord erkenne en in bizondere wegen klaarlijk Uwe wille moge verstaan en genade hebbe haar te volgen!
In Juda blijven en niet naar Egypte. M. a. w. niet mijn inzicht, mijn opinie, maar Uwe Waarheid en hare heerschappij overal mijn begeeren en willen.
Dan gaat het wel.
Gods kinderen moeten vaak onrecht en geweld lijden, zoolang totdat de Heere zelf opwaakt over Zijne erve en in de uitkomst der wegen kroont de Heere Zijn werk en woord en geeft aan een Jeremia en Baruch in de verruiming huns gemoeds of in de bigdsehap dês hartéh, zegel vin: Zijne genade; want alle paden des Heeren zijn goedertierenheid en waarheid voor degenen, die Zijn verbond en getuigenis bewaren.
Hij sterkt de handen en troost de harten, ook als de tuchtroede op de volkeren komt, en ontfermt Zich als het nedrig geroep opklimt voor Zijn troon.
Geve Hij ons die genade, dat we ons niet met uitvluchten en „schoone" argumenten uit de klem van Zijne getuigenis zoeken te ontwringen, maar in oprechtheid vragen:
Och dat ik klaar en onderscheiden zag, Hoe 'k mij naar Uw bevelen moet gedragen,
Uw wondren recht betrachten dag aan dag! Mijn ziel druipt weg van treurigheid en klagen!
Ai richt mij op, verander mijn geklag; Wil naar uw woord mij gunstig onderschragen,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juli 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juli 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's