Uit de Synode.
Woensdag 28 Juli, 7de zitting. Een Synodus Contracta wordt uitgeloot, (de Synode wordt, wanneer zij "beroepen wordt om uitspraak te doen in hooger beroep, bij uitloting verminderd op de helft harer leden, zie o.a. art. 15 algem. Regl.) met het oog op een hooger beroep ingesteld door een predikant tegen en uitspraak van het Provinciaal Kerkbestuur van Zuid-Holland d.d. 16 Juli 1915 (kwestie Ds. Monsma van Feijenoord). Bij loting werden aangewezen voor de Synodus Contracta: de heeren Leenmans, Prof. van Veldhuizen, Bakhuizen van den Brink, Creutzberg, Steenbeek, Cremer, De Groot, Tammens, Franke, Couvret, Weener en Gordon Spandaw.
Voortgegaan wordt om de bijdragen der verschillende gemeenten voor de Algemeene Kas te bepalen. Per classis zal gemiddeld f25 meer moeten worden geheven, aangezien de lasten der Algem. Kas aanmerkelijk zijn gestegen. Zooals bekend is zijn de gemeenten volgens art. 7 v. h. Regl. op de kosten voor het bestuur verdeeld in 9 klassen. Elke gemeente draagt bij de som, welke zij naar hare klasse te betalen heeft, vermenigvuldigd met het aantal van haar predikantsplaatseii.
De bijdrage gaat van 15 tot f 50. Bij de bepaling tot welke klasse een gemeente behoort wordt gelet op de talrijkheid en de welvaart van haar leden en op de inkomsten van haar kerkegoederen. Het geheele bedrag der quotisatie over de 44 classes en de Waalsche Kerken wordt vastgesteld op f 31.555 d. i. f2110 hooger dan in het afgeloopen tijdperk.
Donderdag 29 yuli, 8ste zitting. In deze vergadering wordt allereerst gesproken over het rapport van Ds. de Haan, namens de commissie voor de stukken ter behandeling, inzake de vestiging van twee nieuwe predikantsplaatsen te den Helder. Ds. de Haan had voorgesteld goedkeuring te verkenen-op het besluit in hooger beroep van het Prov. Kerkbestuur van N. Holland d. d. 6 Mei 1915, waarbij een besluit van het Class. Bestuur van Alkmaar d.d. 24 Maart 1915 is vernietigd en waarbij is voldaan aan het verzoek van den Kerkeraad van den Helder om in de gemeente den Helder twee nieuwe predikantsplaatsen te vestigen. De kerkeraad heeft dat verzoek gedaan, omdat met het oog op de uitgebreidheid der reeds vele leden bevattende gemeente en de voortdurende uitbreiding van het marine-en rijkswerfpersoneel eene betere behartiging der geestelijke belangen dringend noodig is en de tractementen zijn verzekerd.
Het Class. Bestuur van Alkmaar had hiertegen overwegende bezwaren, welker ernst door het Prov. Kerkbestuur zijn erkend. Dit bestuur overwoog echter, dat het hier geldt een abnormaal geval, omdat de regeering wenscht in den geestelijken nood van het marine-personeel te voorzien, er de Kerk om verzoekt en aanzienlijken geldelijken steun toezegt, waarvoor aan de regeering dankbaar hulde moet worden gebracht. Ook de algemeene synode is van oordeel, dat de kerkrechtelijke bezwaren niet van dien aard zijn, dat de goedkeuring op het besluit tot vestiging zou moeten worden geweigerd. Zij overweegt, dat het hier betreft het belang van ons vaderland en van de Ned. Herv. Kerk.
De conclusie van het rapport wordt met algemeene stemmen aangenomen. Vanaf 15 Aug 1915 zal den Helder een plaats van 5 predikanten zijn. Bij de discussie merkte de rapporteur op, dat de Kerkeraad of het Kiescollege te den Helder weten moeten op welke personen zij het beroep hebben uit te brengen en dat de Synode op het beroepingswerk niet heeft vooruit te loopen. En wat betreft het feit, dat de predikanten, die' in de nieuwe plaatsen beroepen zullen worden, belast zullen zijn met een bepaalde werkzaamheid, dat mag geenszins als een bezwaar aangemerkt worden, terwijl toch ook dit het beleid van den Kerkeraad geldt. Maar de Synode zou toch wel als haar gevoelen mogen uitspreken, dat het hoog tijd wordt, dat in grootere gemeenten predikanten beroepen worden bijzo^ider belast met den arbeid in de ziekenhuizen, der Stads-Evangelisatie, met betrekking; tot het onderwijs of tot de scholen, die van de Kerk uitgaan enz.
Prof. van Nes stelt de vraag: Kan, mag een Kerkeraad een predikant voor een bepaalde werkzaamheid beroepen en heeft hij niel te volstaan met hem den beroepsbrief toe te zenden? Ds. Bloem is van meening, dat het een het ander niet uitsluit en dat zoo iets kan geschieden in overleg met den beroepen predikant.
Dr. Visser rapporteert over het verzoek van Mejuffr. Dr. C Gerlings te Noordwijk a. Zee, om voor vrouwelijke candidaten in de theologie het hulppredikerschap open ïe stellen. Dit verzoek is ingediend in aansluiting aan eene motie van de classicale vergadering van Maastricht, waarin een dergelijke wensch is uitgesproken. De commissie van rapport heeft ook overwogen een motie van de classicale vergadering van Edam, welke de Synode uitnoodigt, die maatregelen te nemen, welke het optreden vdn de vrouw alspredikant in de Ned. Herv. Kerk op gelijke voorwaarde als voor den man mogelijk maken.
De commissie van rapport is eenstemmig van meening dat aan het verzoek, zooals het daar ligt, ! niet kan worden tegemoet gekomen. Wel blijven twee leden der commissie van oordeel, dat het optreden van'de vrouw als predikant mogelijk moet worden gemaakt, maar na de gebleken stemming in de Kerk, ontbreekt hun de vrijmoedigheid met een voorstel in dien geest te komen. De meerderheid der commissie kan zich niet vereenigen met eenig optreden der vrouw als hulpprediker of predikant. Mitsdien concludeert de commissie eenstemmig geen gehoor te geven aan het verzoek.
Na korte bespreking wordt deze conclusie aangenomen, terwijl tegen stemmen de h.h. Zijp, Tammens, Frank en Weijland en Menthen!
Dezelfde rapporteur behandelt een voorstel van de classicale vergadering van Goes tot wijziging van art. 11 Regl. Godsdienstonderwijs, in dien zin, dat aan godsdienstonderwijzers de bevoegdheid, in dat artikel omschreven, n.l. om bijbellezingen en zoogenaamde oefeningen te houden, niet worde verleend.
De meerderheid der commissie voelt wel voor deze wijziging om zoodoende het in het openbaar optreden en spreken van de vrouw in de Kerk tegen te gaan en stelt voor een wijziging aan te brengen in art. 5, al. 2 en daar te lezen: „waar het noodig is, wordt dit onderwijs ook gegeven door daartoe aangestelde godsdienstonderwijzers, onder welke benaming hier en in de volgende artikelen, behalve in art. 11, mede godsdienstonderwijzer moet begrepen worden." Deze wetswijziging zou dan aan de consideration van de Prov. Kerkbesturen en class, vergaderingen onderworpen worden.
Een levendig debat volgt. Het voorstel wordt bedenkelijk geacht, een reactie, een willekeurige beperking, een sluiten van een open deur, een ontnemen van een eenmaal geschonken recht. ;
De meerderheid van de Commissie had er al op gewezen, dat, toen het Regl. op het Godsd.onderwijs gemaakt werd niemand er aan gedacht heeft om de vrouw op den preekstoel toe te laten. Eerst den laatsten : tijd is dit punt op den voorgrond gekomen. In zooverre moet een leemte in de wet nu worden aangevuld.'
De minderheid van de Commissie had daartegenver aangevoerd, dat het hier niet geldt de Evangeliebediening in haar vollen omvang, maar slechts de bevoegdheid om bijbellezingen en zoogen. oefeningen te houden. Zij meent dat met een wetswijziging als voor de Class. Verg. van Goes bedoeld is rechten' ontnomen worden aan de Godsd.onderwijzeressen die zij krachtens het regl. op het G. O. hebben ontvangen. Wil men zoo handelen, dan ontneme men, echt reactionair, ook aan de vrouwen de bevoegdheid om Godsd onderwijzeres te worden.
De conclusie van het rapport om n.l. aan de vrouw te verbieden bijbellezing of oefening te houden wordt niet aangenomen daar 9 st. vóór zijn doch 10 st. tegen.
De heer Timmers brengt namens de Commissie voor de stukken ter behandeling een rapport uit over de circulaire van de heeren Ds. de Ligt c.s. aan de Tweede Kamer gericht, waarin gevraagd wordt aan allen vrijstelling te geven van den militairen dienst, die tegen militairisme en nationaal verv/eer onoverkomelijke gewetensbezwaren hebben.
De Commissie van rapport verblijdt zich er over, dat zoo weinig class, vergaderingen aandacht hebben geschonken aan deze beweging van Ds. de Ligt c.s. en dat er van sympathie in 't midden der Kerk voor deze zaak geen sprake kan zijn. Vooral uit de toelichting van dit adres kan immers worden opgemaakt welk gevaar er ligt opgesloten in het meegaan met deze beweging. Verzet tegen de Overheid kan hieruit voortvloeien.
De Commissie acht met het oog op den kostbaren tijd het niet gewenscht dieper op deze dingen in te gaan en stelt voor een en ander voor kennisgeving aan te nemen.
Op verzoek van een der leden wordt het rapport een dag ter visie gelegd.
De heer Franke rapporteert over een brief van Ds. D. Th. Keck, destijds predt. te Zuilichem (nu te Bergambacht), waarin een gevoelen wordt uitgesproken over de uitspraak van het Provinciaal Kerkbestuur van Gelderland in zake Ds. J.P. Paauwe, destijds predt. te Bennekom. De Commissie, overwegend, dat het schrijven bij de Synode niet aan het juiste adres is, omdat de Synode in de gememoreerde zaak nooit handelend is opgetreden en haar afkeuring uitsprekend over den toon waarin het is gesteld, meent op't zachtst te handelen wanneer zij aan de vergadering voorstelt dit schrijven van Ds. Keck voor kennisgeving aan te nemen. Aldus wordt, zonder discussie, met algemeene stemmen besloten.
De heer Picard brengt, namens de commissie voor de nieuwe wetsvoorstellen, rapport uit inzake de Wijziging in Art. 25 van het Reglem, op het examen ter toelating tot de Evangeliebediening in de Ned. Herv. Kerk, bedoelende de schrapping van deze v/oorden: »Na de derde afwijzing;wordt geen hernieuwd examen toegestaan".
Gelet op de gunstige adviezen der Provinciale Kerkbesturen en der Classicale Vergaderingen, stelt de commissie voor de bedoelde woorden te doen vervallen. Aldus werd met groote meerderheid besloten.
Namens dezelfde commissie brengt de heer Couvret een rapport uit over de Wetswijziging, reeds vroeger vermeld, van den heer De Haan, inzake de Generale Kas. Overwegende bezwaren zijn aan de aanneming van dit voorstel verbonden, vooral ook met het oog op de vele werkzaamheden en het bezwarend onderzoek voor de Synodale Commissie en de verschillende Besturen, die deze wijziging mede zou brengen; terwijl bovendien niet verwacht werd, dat de Gemeenten er door tot meer ijver zouden aangespoord worden. Merk waardig was in dit rapport de mededeelingen omtrent de houding van sommige gemeenten jegens de Gen. Kas. Vrij aanzienlijke Gemeenten hadden den moed om een gulden of twee kwartjes bij te dragen.
De commissie, waardeerend de goede bedoeling, moet tot verwerping adviseeren. Na korte discussie wordt met groote meerderheid dit advies gevolgd.
De heer Van Nes herinnert aan een vroegere aanschrijving van de Synode om op de af te geven attestatiën te vermelden de bijdrage, die door de vertrekkende lidmaten betaald worden aan de Generale Kas. Hij vroeg of daar de hand aan gehouden werd. Het antwoord moest luiden: door vele Gemeenten niet. De secretaris stelt voor de vroegere circulaire in de Kerkelijke Ct. nog eens te doen afdrukken. Dit wordt aangenomen.
Prof. v. Veldhuizen geeft thans een overzicht van het zoo belangrijk verslag opgesteld door Dr. Hulsebos, inzake de Kerkelijke archieven. Groote hulde wordt gebracht aan Dr. H. voor zijn gewichtigen arbeid in betrekking tot de Kerkelijke archieven.
Achtereenvolgens wordt nog kennis genomen van een tiental aanvragen om vernietiging van besluiten, uitspraken en van beslissingen in hooger beroep, door de Synodale Commissie behandeld.
Ter bestrijding van het Bioscoopgevaar werd met 12 tegen 7 stemmen aangenomen een voorstel van Dr. Visser om de Synodale Commissie opdracht te geven te onderzoeken of het wenschelijk is dat er contact kome tusschen de 3 April 1!.. te Rotterdam gevormde organisatie van Bioscoop-commissiën in Nederland en de Synodale Commissie.
Vrijdag 30 Juli, 9de Zitting. Het voorstel van de Commissie om het verzoek van Ds. de Ligt voor kennisgeving aan te nemen wordt aangenomen.
De heer Cremer brengt, namens de commissie voor de nieuwe wetsvoorstellen, een rapport uit omtrent het voorstel tot toevoeging van een nieuwe alinea aan Art. 7 onder c in het Reglement op het Studiefonds, aldus te lezen: »3e. Opgave van het bedrag dat door hen uit beurzen wordt genoten. In de eerste week van de maand Mei moet door de aanvragers opnieuw een opgave worden overgelegd van het bedrag, dat door hen uit beurzen is genoten en van het bedrag, waarop zij voor het volgend studiejaar kunnen rekenen". Voorts invoeging van een nieuw Art. 9*, aldus te lezen : «Onjuistheid in de opgaven, bedoeld in Art. 7 C 36 kunnen intrekking van de verleende toelagen ten gevolge hebben".
De vergadering vereenigt zich met de conclusie van het rapport om deze wijziging over te nemen en haar aan het oordeel der Kerk te onderwerpen.
Aan de Synodale Commissie was door de Vergadering van de Synode op 6 Oct. 1914 opgedragen een onderzoek in te stellen of er aanleiding bestaat om er bij de Regeering op aan te dringen, dat bijzondere maatregelen worden genomen ter voorziening in de geestelijke verzorging van militairen in vredestijd. De Synodale Commissie is omtrent deze zaak niet tot eenstemmigheid kunnen komen. De helft is het niet eens met het voorstel der andere helft, dat de Synode zich tot de Regeering wende met het verzoek, dat deze een commissie benoeme, die haar voorlicht of en op welke wijze in vredestijd althans eenigszins voldoende voorzien kan worden in de geestelijke verzorging der protestantsche militairen door de aanstelling en werkzaamheid van bepaaldelijk daarvoor aangewezen garnizoenspredikanten. De andere leden zijn van oordeel, dat de Synode zelve of door een commissie dit doen moet, al moeten zij erkennen, dat haar de noodige gegevens ontbreken en het een bezwaarlijk werk moet worden geacht. Een zeer langdurige discussie volgt.
Door de heeren De Haan en Bloem wordt ten slotte het volgend voorstel gedaan: „De Synode benoeme een Commissie (eventueel drage aan de Synodale Commissie op) om een regeling te ontwerpen waardoor ' de ' kerkeraden wettelijk de bevoegdheid zullen verkrijgen om predikanten te beroepen voor speciale werkzaamheden."
Door de voorstellers wordt aangevoerd, dat dit het begin is van hetgeen door de Kerk voor de militairen zal gedaan kunnen worden.
Allereerst wordt in stemming gebracht de beide conclusies van de Synodale Commissie. De eerste luidt, na een kleine wijziging-, aldus:
De Algem. Synode van de Ned. Herv. Kerk spreekt als hare overtuiging uit, dat het noodig is, dat maatregelen genomen worden om beter dan tot nog toe, n.l. door middel van bepaaldelijk daarvoor aangewezen garnizoenspredikanten, te voorzien in de geestelijke verzorging van de Protestantsche militairen in vredestijd, van welke militairen verreweg het grootste deel tot hare leden behoort. Deze conclusie wordt aangenomen.
De tweede, waarin wordt voorgesteld, dat de Synode zich tot de Regeering wende met het verzoek dat deze een commissie benoeme enz. — zie boven — wordt verworpen.
In het voorstel van de heeren De Haan en Bloem wordt door den vice-president een wijziging voorgesteld, die door de voorstellers wordt overgenomen. De Synode benoeme een commissie (eventueel drage aan de Synod. Comm. op) om ten spoedigste in het bijzonder met het oog op de geestelijke verzorging van militairen in vredestijd, een regeling te ontwerpen, waardoor de Kerkeraden enz. — Zie boven. Het aldus gewijzigd voorstel wordt met algemeene stemmen aangenomen.
Nadat nog beslotenis, dat deze zaak aan de Synodale Commissie wordt opgedragen, sluit de president om half één de vergadering, omdat dezen middag de verschillende commissies weer vergaderen moeten.
Zaterdag 31 juli, 10e zitting In behandeling komt het z.g.n. UTRECHTSCHE ADRES, zijnde een schrijven van de Hoogleeraren S. D. van Veen, H. Visscher, J. A. C. van Leeuwen, H. Th. Obbink, T. Cannegieter en F. E. Daubanton, d.d. 7 Mei 1915, waarin zij verzoeken, dat door de Synode, ten einde de eenheid en den bloei der kerk te bevorderen en allerlei conflicten te voorkomen, opdat er een einde kome aan den onverkwikkelijken partijstrijd, een commissie benoemd worde, welke, met erkenning der in de Ned. Herv. Kerk historisch geworden toestanden, de vraag in studie neme of het mogelijk is, een modus vivendi te vinden voor de verschillende in onze kerk bestaande kerkelijke en theologische richtingen; en zoo ja, te zijner tijd der Synode een uitgewerkt plan van zulk een modus vivendi voorlegge, volgens hetwelk het voor deze richtingen mogelijk zal zijn in onderling adminstratief kerkelijk verband, maar tevens naar den vollen eisch van hare eigene beginselen, samen te blijven in de Ned. Herv. Kerk.
Bij de Synode was ook ingekomen een adhaesiebetuiging met dit verzoek van de Classicale Vergadering van Deventer en van den Ring Enschede, en een verzoek van de Classicale Vergadering van Utrecht om het adres der Hoogleeraren niet in behandeling te nemen, voordat de eindbeslissing der Kerk over de voorloopig aangenomen wijziging van Art. 39, al. i Regl. op het Godsdienstonderwijs zou zijn gevallen.
De commissie is eenstemmig van oordeel, dat aan dit laatste verzoek niet voldaan kan worden, omdat het een niet in direct verband met het ander staat of althans behoeft te staan. De wijziging van Art. 39 bedoelt de wegneming van een aanleiding tot misbruik; het verzoek van de Hoogleeraren het in studie nemen van een bepaalde vraag, die geacht kan worden aan de orde te blijven, afgezien van het resultaat der bespreking in de Synode over Art 39, al. i.
Met betrekking tot het verzoek van de Hoogleeraren is de commissie niet eenstemmig.
De minderheid kan niet meegaan met dit verzoek, omdat, naar hare meening, dit leiden moet tot oplossing van de Kerk als Kerk.
De meerderheid acht dit een vooruitloopen op het resultaat, dat de studie van bedoelde vraag zou kunnen opleveren. Zelfs als men persoonlijk mocht meenen : het zal toch niets geven, zou het gewaagd geacht moeten worden, niet op het verzoek in te gaan. Het geldt een verzoek van mannen, die als predikant onze Kerk gediend hebben en haar thans dienen in de opleiding van hare a.s. Evangeliedienaren. Van dezulken mag men verwachten, dat zij voor onjze Kerk het goede zoeken. Daarenboven zijn deze mannen, hoezeer in zienswijze van elkander verschillend; in dit ééne reeds tot overeenstemming gekomen, dat zij eenparig dit verzoek tot de Synode gericht hebben. Mag dit niet beschouwd worden als een eerste schrede op den weg, dien zij meenen dat bewandeld moet worden ?
Terwijl dus de minderheid der commissie adviseert niet op dit verzoek in te gaan, adviseert de meerderheid, afgescheiden van de vraag, of een resultaat mogelijk of niet mogelijk geacht moet worden, aan het verzoek der Utrechtsche hoogleeraren te voldoen.
Een levendige discussie volgt, waardoor het verschil van gevoelen duidelijk aan het licht treedt. Zeer vele leden verwachten van deze zaak niet veel; sommigen achten elke schrede op dezen weg verderfelijk, anderen wenschen een te benoemen commissie aan het werk te zien en een afwachtende houding aan te nemen, juist omdat de toestand van de Kerk thans ook allesbehalve rooskleurig is en er in zekeren zin een modus vivendi bestaat, die vrijwel aan niemand voldoet.
Eindelijk wordt tot stemming overgegaan. Met de conclusie van de minderheid gaan mee: de heeren prof. Van Nes, de vice-president Weyland, Weener, Bloem, Timmers, Steenbeek, De Groot, Zoete en de president Leenmans.
Met de conclusie van de meerderheid vereenigen zich de heeren: prof. Van Veldhuizen, de secretaris Bakhuizen van den Brink, Tammens, Franke, Visser, Spandaw, Picard, Creuzberg, Menthen, Couvret, Cremer, Zijp en De Haan.
Het Utrechtsche adres is alzoo AANGENOMEN, met 11 tegen 8 stemmen en tot het benoemen van een Commissie is besloten.
De heer Weyland stelt voor een grostal te formeeren; de heeren Van Veldhuizen en Zoete doen het voorstel om als commissie te benoemen de zes Utrechtsche hoogleeraren, onderteekenaars van het verzoek. De heer Cremer stelt voor, dat de behandeling van deze beide voorstellen en de benoeming van een Commissie uitgesteld worde tot Maandag. Met algemeene stemmen wordt dit aangenomen.
De heer Picard brengt thans rapport uit, namens de commissie voor de nieuwe wetsvoorstellen, inzake een Wijziging van Art. 7 van het Regiem, op de kosten voor het Bestuur der Ned. Herv. Kerk. De wijziging bedoelt aan Art. 7 een nieuw lid toe te voegen: »Deze bedragen kunnen, op voorstel van de Synodale Commissie, door de Algemeene Synode met ten hoogste 10 pet. worden verhoogd, telkens voor den tijd van één jaar. indien de toestand van de Algemeene Kas dit noodig maakt."
Het oordeel der Kerk over deze wijziging luidt buitengewoon gunstig. De commissie is van oordeel, dat deze wijziging behoort te worden vastgesteld en aan de hoofdelijke stemming van de leden der Provinciale Kerkbesturen onderworpen. De vergadering vereenigt zich hiermee.
Namens de Commissie voor de nieuwe wetsvoorstellen brengt de heer Couvret een rapport uit betreffende het voorstel van den heer Tammens, dat wijziging bedoelt in art. 7 van het Regl. op de Kerkvisitatie en tot toevoeging van een 4e aan art. 7 D. (Ten slotte onderzoeken Kerkvisitatoren of er leden (of een lid) van de gemeente zijn (is) opgekomen die een of ander hebben voor te dragen; trachten in den geest van art 4 enz.)
Het blijkt, dat tengevolge van een verzuim in 1898 deze bepaling in art. 7 is achterwege gebleven. De conclusie van de commissie is de voorgestelde wijzigingen voorloopig aan te nemen, waartoe besloten wordt.
De heer Menthen brengt, namens dezelfde commissie, een rapport uit omtrent de invoeging van een nieuw lid, in Art. 15 van het Regiem, op het Godsdienstonderwijs, bedoelende het verkorten van het examen voor Godsd.onderwijzer ten behoeve - van hen die reeds Candidaat in de theologie zijn.
De commissie stelt voor, hoewel de Provinciale Kerkbesturen er bijna alle vóór geadviseerd hebben, maar 23 Classicale Vergaderingen met 816 stemmen tegen en 21 Classicale Vergaderingen met 752 vóór, de invoeging terug te uemen. De meerderheid is met deze conclusie meegegaan.
In de voorjaarsvergadering van de Synodale Commissie is besloten den heer J Knottenbelt uit te noodigen om zijn hulp te verleenen ter bevordering van het werk onder onze landgenooten in Duitschland. De heer Knottenbelt heeft welwillend op deze uitnoodiging beschikt, hetgeen met blijdschap door de vergadering vernomen wordt.
Van het verslag der Synodale Commissie over den Evangeliearbeid onder onze landgenooten in de Rijn-Provincie en in Westfalen werd met belangstelling door de vergadering kennisgenomen.
(Wordt vervolgd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 augustus 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 augustus 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's