Staat en Maatschappij
Na een jaar.
Het is thans een jaar, dat de rampen van den ontzettenden oorlog de volkeren der wereld teisteren. En nog is het uitzicht op den vrede er niet.
Wie had het bij het uitbreken van den oorlog in de Augustusmaand van het vorige jaar gedacht, of wie had het durven voorspellen, dat de groote ellende, waarin een groot gedeelte van Europa leeft, langer dan een jaar duren zou.
Naar de schatting van vele bekwame mannen was het dwaasheid om te denken, dat een wereldoorlog, waarin het grootste gedeelte der beschaafde wereld gewikkeld was, langer dan enkele maanden zou aanhouden. Immers kon er niet aan gedacht worden, dat aan de eerzucht der strijdende partijen, het economisch leven der volkeren zou opgeofferd worden.
Men zou het zien, zoo werd er geredeneerd, dat wanneer de worsteling eenigen tijd. geduurd had en de oorlogsrampen zich duchtig deden voelen, van uit de parlementen een 'ernstigen aandrang zou, komen om de wapens reer te leggen.
Al deze beschouwingen zijn echter als morgendamp voorbijgegaan. En wat het meest verbijsterend in deze gansche historie is, is dat men zich in de groote ellende om zich heen is gaan inleven. De ontzettende menschenslachting ontroert niet meer. Men is gewoon geraakt aan het gruwelgk bedrijf, dat op de slagvelden plaats grijpt. En als er soms eens vredesklanken oprijzen, vindt men het zeer natuurlijk als regeering en pers ze tegenwerkt in naam van het gezag en van de vaderlandsliefde.
Het gaat bij de vorsten en volken om de macht. Er is geen hooger ideaal meer, er is geen heilig belang meer, dat de oorlogvoerende natiën tegenhoudt. Het recht is gebroken. Men drinkt den zondedrank en een ieder voor zich wil den beker tot op den bodem toe ledigen.
Er wordt bij de volkeren de heilige ' ernst gemist om voor zichzelve schuld te belijden en mitsdien Gods ontfermingen in te roepen.
Zoo staat het bij de grootmachten van Europa, maar zoo is het ook bij ons eigen volk Daar is geen leed over de zonde, geen aanbidding tot den heiligen God, dat het Hem mocht behagen den oorlogsfakkel uit te dooven en den vrede te herstellen. Bij de groote menigte denkt men daar niet aan. Integendeel men leeft in zijne zonden voort, van verootmoediging wil men niet weten, hoogstens berust men er in, wat nu eenmaal over Europa beschoren schijnt.
In het begin was dit anders, toen was er vrees, maar die vrees is spoedig voorbijegaan. Voor menigeen is het geworden: wat kunnen wij aan den oorlog verdienen. Er zijn er die den oorlog nog niet zoo kwaad vinden, omdat die oorlog voor hen gewin aanbrengt.
De oorlog heeft ook ons volk in het afgeoopen jaar nog niet veel geleerd. Zal de Heere met Zijne roede ook over ons volk moeten komen, eer het zich onder Zijne achtige roepstemme vernedert? De wereld heeft zich voor God te buigen, dan zal er vrede komen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 augustus 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 augustus 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's