Uit liet kerkelijk leven.
Van verborgen omgang.
XVII.
Met minder dan met den Persoon dés Heeren kan Gods kind dus niet toe. Hij heeft Hemzelven noodig. Hij is het ééne noodige. En wie Hem als Middelaar in den weg van recht en genade leerde kennen, diens oog wordt geopend voor de eeuwige liefde, die in Hem geopenbaard is en in diens hart kiemt op een wederliefde, die leert alles schade en drek te achten om zijnentwil. Hij verlaat alles om Christus te gewinnen. Maar in diens ziel waakt ook een teederheid op met betrekking tot zijne geboden en inzettingen. Daarom juist is het, dat als Gods kind in de zonde valt, bij ontdekking zijne smart zoo vlijmend is. Gods kind zondigt duur, omdat het zooveel heerlijkheid van liefde in xijn Verlosser ziet en vindt. Hij staat zoo diep beschaamd, die moest zingen: , wat zal ik met Gods gunsten overlaèn, dien trouwen God voor zijn gena vergelden" en die met smart moet belijden, dat hij Hem slechts met ontrouw en afwijking en eigenwillige vroomheid en vleeschelijke lusten heeft beloond.
Gods kind heeft daarover zulk een diepe smart, niet het minst omdat het Hem had leeren kennen. Daarom is er een dagelijksche bekeering van noode, en dus een dagelijks verloren gaan, een dagelijks schuldenaar worden, om ook dagelijks uit zijn mond te mogen vernemen dat Hij zich onzer ontfermt, door zijne schuldvergevende liefde bewogen. Zonder den Persoon des Heeren kan dus Gods kind nooit. Het behoeft Hemzelven en zal altijd weder tot Hem moeten komen. En de Heere heeft dan ook toegezegd, dat Hij zal maken, dat zijne kinderen van achter Hem niet afwijkend Daarvoor heeft Hij zijne middelen en zijne wegen, die voor des Heeren kind soms hard en diep zijn, maar die altijd leiden tot terugkeer naar Hem, die de goede Medicijnmeester is en blijft. Op welke paden zij ook dwalen en met welk geestelijk draf zij zich ook een poos lang kunnen vergenoegen, Hij houdt toch niet op voordat zij tot Hem zijn teruggebracht.
Maar nu is ook dit naar het getuigenis des Heeren, dat wie Hem ontvangt, ook zijne gaven zal deelachtig worden. De apostel leert ons, dat het zijne innigste begeerte was Hem te kennen en de kracht zijner opstanding en de gemeenschap zijns lijdens, zijnen dood gelijkvormig wordende. De gemeenschap met den Heere Jezus sluit dus in zich gemeenschap aan zijne gaven, want die gaven zijn hier niet bijkomstig, maar zijn als geworteld in zijn Persoon. Het is met de gaven, die de Christus geeft, anders dan met de stoffelijke gaven, die wij geven. Tusschen ons en de gaven, die wij mededeelen, is er na de schenking der gave geene gemeenschap meer. Den bedelaar, die van ons eene gave ontvangt, kennen wij niet. Wij bemoeien, ons niet meer met hem, geven soms om van den mensch verlost te zijn. Die gaven zijn dan ook niet gegrond in onze personen. Wij kunnen ze dan ook gemakkelijk loslaten, soms ook moeilijker, al naar de omstandigheden, maar met onze persoonlijkheid als zoodanig hebben zij niet uit te staan. Zelfs de vrek, die niet bij machte is zijne heerschappij over de gaven los te laten, kan nog in bepaalde omstandigheden gul worden. Bij onze stoffelijke dingen is er onderscheid tusschen ons en ons bezit. Vandaar dat de mensch in zijn sterven het alles achterlaat en het duidelijk wordt, dat er tusschen zijne persoonlijkheid en het stoffelijk bezit geen levensband bestaat. Met de geestelijke gaven echter, die wij te schenken hebben, wordt het reeds anders. Zij zijn tot op zekere hoogte gegrond in onze persoonlijkheid, zoodat zij het karakter daarvan dragen. En toch is ook die band maar tijdelijk en kan de gave evengoed beteekenis erlangen en behouden, afgezien van de personen, die het middel waren om ze ons te doen toekomen. Er zijn vele groote en edele mannen geweest, die ons tot op den huidigen dag met hunne geestelijke gaven stichten en met wier personen als zoodanig we toch niet de minste gemeenschap meer oefenen. Zoo hebben onze vaderen ons tal van geestelijke vruchten nagelaten, waarvan duizenden genieten eiken dag, hoewel zij van hunne personen weinig of niets zelfs weten, veelal niet meer dan de namen. Die geestelijke gaven hebben waarde en beteekenis, maar geheel afgescheiden van hunne personen, ook al dragen die pennevruchten den stempel huns geestes, de sporen van het karakter dat zij bij hun leven omdroegen. Zoo kunnen zeker hunne nagelaten werken ons een indruk geven van hunne personen zooals die waren, hoewel er van eene gemeenschap met hen geen sprake meer is.
Maar geheel anders is het nu in den verborgen omgang met den Heere Jezus Christus. Bij Hem is er van eene scheiding tusschen zijn Persoon en zijne gaven nooit sprake. Er kan bij Hem nooit sprake zijn van een gave zonder den Persoon, en omgekeerd, waarde Persoon is, daar zijn ook de gaven. Juist daarom is er groot gevaar, dat hierin gedwaald wordt, en voor gaven worden aangezien wat geene gaven zijn. Ook op het gebied van het geestelijk leven, ja, daar vooral, is er veel dat gewrocht kan zijn van verbeelding. Er is in het verbeeldingsleven des menschen dikwijls veel ziekelijks. De begeerten doen zich daarin gelden, door op te roepen wat er in de werkelijkheid niet is. Vandaar dat er zoo menigmaal met. profetische beloften en toezeggingen gewerkt wordt, die men meende van den Heere te hebben en die toch inderdaad slechts vrucht waren van eigen akker, waarop de verbeelding een welig opschietend zaadje had gestrooid. En als dan de profetie niet uitkwam en alles soms geheel anders verliep, dan men het zich gedacht had, dan is er in die teleurgestelde ziel maar al te zeer een groote, vreeze. Dan wordt zij geworpen in den maalstroom van den twijfel soms aan alles wat in het verleden werd ontvangen, en dan kunnen zich bange wegen ontsluiten voor den voet. En al die benauwdheid is gevolg van een gave, die werd aangezien voor een gave des Heeren, waarin zich in de werkelijkheid niet anders dan de verbeelding deed gelden. Het was een schijngave, een gave, waarin de Heere zelve niet was. Daarom is het zoo noodig voorzichtig te zijn met de geestelijke goederen en zichzelven daarin wel te onderzoeken en te beproeven. Want het zou iets ontzettends wezen, als iemand meende te kunnen ingaan en niet kon, als een mensch, zichzelven bedroog met een valsche verwachting, met ingebeelde vroomheid en beyindeiijkheden geboren uit een ziekelijk gevoelsleven, terwijl hij het gezonde werk van Gods Heiligen Geest miste. De Heere moet zijn in de gaven en zonder dat zijn de gaven geene gaven, maar vrucht van eigen verbeelding en dus gestolen geestelijk goed, dat ook in Gods Koninkrijk niet gedijen kan. Gods kinderen moeten alle deze dingen dan ook verliezen. De Heere verlost hen van dit schijngoed door hen soms langs diepe wegen te leiden.
De ware geestelijke gaven hebben haren oorsprong in den Heere Jezus Christus en dat! niet alleen, maar Hij blijft ook in zijne gaven, Bij Hem is de gave nooit los van Hemzelven. Elke geestelijke gave, die Hij aan zijn kind geeft, is vrucht niet alleen van wat Hij eenmaal deed, maar ook van hetgeen Hij nog doet. Het komt alles uit zijne vernedering en vsrhooging op. Alle daden van Christus als Middelaar zijn vruchtgevolg van wat Hij als Middelaar in de vernedering deed. En de gaven, die Hij in den verborgen omgang met zyne kinderen uitdeelt, dragen daarvan dan ook den stempel. Het zijn alle genadedaden, voortvloeiend uit zijn Middelaarstaak. Dit is dan ook zeker merkwaardig, dat er in Gods Woord van het Middelaarswerk, dat Hij in de vernedering volbracht, bijna geen sprake is, zonder dat er wordt bijgevoegd, dat ook Gods kinderen het met Hem deden. Zegt niet de Schrift, dat zij met, Hem gekruisigd, gestorven en begraven zijn? Zij zijn ook met Hem opgewekt en verrezen. Ja zelfs zijn zij met Hem gezet in den hemel. Er is zulk eene nauwe gemeenschap, zulk eene levenseenheid tusschen Hem als Borg en Middelaar en de zijnen, dat zij als in Hem begrepen zijn. De Heere Jezus is onzer een, zoodat het onze het zijne, maar nu ook het zijne het onze is. Wat Hij als plaatsbekleedende Borg deed, wordt beschouwd als door hen gedaan, in wier plaats Hij optrad. Daarom kan er nooit geene afscheiding zijn tusschen Hem en de Zijnen, ook niet tusschen Hem en de gaven, die Hij mededeelt, , want er is tusschen Hem en zijn werk nooit een scheidingslijn te trekken. Zijne gansche verschijning is tevens zijn werk. Daarom is er zonder zijn Persoon niets, kan er van geene geestelijke gave sprake zijn, waar Hij ontbreekt. Uit Hem komt het alles op, van Hem vloeit het af, met Hem en in Hem wordt het geschonken. En dat alleen. wijl Hij het heeft verdiend. De gaven, die Hij schenkt, zijn toch altijd gegrond in zijn recht. Zij gaan niet om buiten Gods recht. Zion is door recht verlost. En ook de minste gave, die Gods kinderen ontvangen, zijn toch altijd door recht verkregen, ofschoon zij voor hen daden van vrijmachtige genade blijven. Zij sijn steeds langs den weg van rechtdoor Hem verworven. Daarom hangen zijne geestelijke gaven steeds af van wat Hij als Middelaar deed en doet. En daarom in de eerste plaats van hetgeen Hij als Middelaar in vernedering aanbracht, dat is gehoorzaamheid. Als waarachtig rechtvaardig mensch was de Heere Jezus innerlijk en uiterlijk in volstrekte overeenstemming met den wil en de wet van God. Hij had eene inklevende gerechtigheid, tengevolge waarvan van Hem geprofeteerd moest worden tot Maria: het Heilige, dat Uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden. Tusschen Hem en de zonde was er van meet af geene gemeenschap. Hij was een onbevlekkelijk en onbestraffelijk Lam. Het was des Vaders welbehagen, dat in Hem al de volheid wonen zou. Krachtens de vereeniging der goddelijke en menschelijke natuur in de eenigheid zijns Persoons is Hij drager van eene volkomenheid, waardoor Hij alle andere schepselen overtreft. Zij wortelt in het feit der vleeschwording. En daarom brengt Hij dan ook eene gehoorzaamheid in overeenstemming met de diepte der geestelijke eischen van Gods wet. Al wat de wet in zich vervat, doet Hij., volbrengt Hij innerlijk en uiterlijk. Al wat aan ons in den weg van gehoorzaamheid was opgelegd, volbracht Hij. Daarom zegt de apostel van Hem, dat Hij, die geworden is uit eene vrouw, geworden is onder de wet, zoodat zij met haren vollen eisch op Hem beslag legde, opdat Hij alle gerechtigheid vervullen zou. Zooals Hij vleeschwordend door alle onze ellende gaat, in alles verzocht wordt als wij, zoo gaat Hij tevens door alle diepte van Gods heilige wet. Door onze ellende gaat Hij, opdat Hij zal medelijden kennen, door de diepten der wet, opdat Hij gerechtigheid zal bezitten. Maar nu is dit opmerkenswaardig, dat de Heere Jezus als Middelaar nog bovendien onder eene andere wet staat, die voor ons niet geldt, Wel zegt de apostel dat Christus voor ons; geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, maar behalve dit is er toch in zyn werk ook nog, dat Hem alleen geldt. Inzonderheid in de gehoorzaamheid, die Hij betoonde in zijnen dood. De Heere Jezus zelve leert ons dat. „Daarom", zegt Hij, „heeft mij de Vader lief, overmits ik mijn leven afleg, opdat ik hetzelve wederom neme. Niemand neemt hetzelve van mij, maar ik leg het van mij zelven af; ik heb macht hetzelve af te leggen en heb macht hetzelve wederom te nemen. Dit gebod heb ik van mijnen Vader ontvangen, " Voor den Heere Jezus als Middelaar is er dus nog eene wet afzonderlijk, waaraan Hij te gehoorzamen had. Als Middelaar heeft de Heere Jezus als mensch dingen gedaan in onderwerping aan Gods wet en ook deed Hij dingen in onderwerping aan de wet, die over Hem als Middelaar ging. Als mensch heeft Hij, de wet der liefde vervullend, voor de overtreders gebeden : „Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen, " was eene; bede opgeweld uit de diepte der liefdebron; ontsloten in zijn hart bij een blik op de: ellende van het arme volk. Maar als Middelaar klonk het van zijn lippen: „Ik bid voor hen; ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij mij gegeven hebt, want zij zijn uwe". De vervulling van de wet der liefde komt nergens klaarder uit dan in het gebed om vergeving voor hen, die Hem het „kruis hem" toeriepen en zijne smarten hoonend aanschouwden, want er is geen machtiger uiting der liefde, dan die opvlam in het gebed. En er is geen machtiger gebed dan de bede van den Middelaar, die zeggen kan: „Ik wist, dat Gij mij altijd hoort." Zoo heeft de Heere Jezus als Middelaar dus een geheel eenige gehoorzaamheid. Die middelaarswet, waaraan Hij zich vrijwillig onderwierp. heeft nu ook voor zijn volk een geheel eigen beteekenis. Zij stelt Hem in staat zich van zijn ambten zoo te kwijten; dat de vruchten van zijne onderwerping aan de wet, die met haar vloek en eisch op ons drukt, ons ten goede komen. Het is de kracht van zijne tusschentreding als Middelaar, waardoor ons het goede toekomt, dat wij ter zaligheid behoeven. Zeker, alles wat Hij gedaan heeft, alles wat Hij leed. Hij deed en droeg het als Middelaar. Maar in dat volbrachte werk is eenerzijds eene wetsvervulling, waardoor Hij gerechtigheid aanbrengend, tevens ons een exempel nalaat, en anderzijds is daarin hetgeen Hij alleen uitsluitend als Middelaar doet tot redding van zijn volk. Daar was in zijn arbeid hetgeen ons als gerechtigheid wordt toegerekend, gelijk er ook in is hetgeen Hij alleen als Middelaar verricht, dat ons ten goede komt, maar uitsluitend het zijne is en blijft. En juist dat middelaarsambt, dat Hij alleen vervult, is voor Gods volk van zoo groot gewicht, omdat zij zonder dat aan zijn werk en de vruchten daarvan geen deel zouden krijgen.
Onder de wet gaat Hij, opdat de zonde in het vleesch zou worden veroordeeld, opdat Hij zou lijden wat wij niet konden lijden en verlossing verwerven, opdat Hij zal doen wat wij niet konden doen en toch van ons wordt geëischt, opdat wij alzoo bij God aangenomen konden worden. Voor dat alles wordt het recht der wet vervuld in Hem. Door die wet wordt Hij ten doode verwezen, door diezelfde wet, waaraan Hij als mensch is onderworpen geweest, en waarvan Hij gezegd heeft: „wilt gy in het leven ingaan, onderhoud de geboden". En als zoodanig heeft Hij ons verlost van den vloek der wet, verlost van de wet zelve als een weg om er het leven door te verwerven, opdat wij haar opnieuw zouden ontvangen als een weg om met God te wandelen, dien de Heere zelve voor zijne kinderen heeft afgebakend. Die wandei met God is voor des Heeren volk onmisbaar, opdat het de zaligheid deelachtig worde in waarheid. Daarom juist blijft het werk des Middelaars niet beperkt tot een gaan onder de wet en hetgeen daarin ligt opgesloten, maar vaart Hij voort tot een volmaking van het werk des Middelaars door tusschentreding. Gelijk Hij stierf voor onze zonde, zoo werd Hij opgewekt tot onze rechtvaardigmaking, opgewekt ook, opdat Hij zal leven om te bidden voor ons. Wat de verhoogde Heiland doet, heeft de strekking om zijnen kinderen de vruchten te schenken van hetgeen Hij door lijden, sterven en verrijzenis voor hen verkregen heeft. In den hemel zelven is Hij ingegaan om nu te verschijnen voor het aangezicht voor ons. Zooals de hoogepriester onder het Oude Verbond na het offer voor de zonde het bloed in het heilige der heiligen inbracht voor het deksel der verzoening, waarboven de Heere zich openbaarde, zoo verschijnt ook de Heere Jezus, nadat Hij zichzelven geofferd heeft en met zijn eigen bloed werd besprenkeld, voor het aangezicht Gods. In het licht des Heiligen Geestes is Hij daar aanschouwd door de mannen Gods als het Lam, dat geslacht werd, als de Middelaar, die alle teekenen des lijdens draagt, opdat Hij geduriglijk als een levende herinnering zal zijn voor Gods aangezicht, als een levend pleit om aan het volk des Heeren te gedenken. De verheerlijkte Heiland in den hemel heeft; dus voor de toedeeling der eens verworven genadegaven de grootste beteekenis. Dat Hij voor het aangezicht des Vaders onze voorspreker is, behoort niet tot de bijkomstige dingen, maar is voor al Gods volk van het grootste gewicht. Zonder den arbeid des Verheerlijkten was er geen sprake van dat iemand Gods Koninkrijk zien zou en kon zien. Zonder dezen ontving niemand het leven, want als Hij niet daar was, zou geen Heilige Geest worden gezonden tot wederbaring en vertroosting des volks. Zonder Gods Geest is zonder leven en zonder hope, omdat Hij ontbreken zou, die alleen macht heeft ons Christus' volheid toe te passen en was er dus ook van een verborgen omgang met Hem geen sprake.
Daarom is er dan ook van eene evangelieverkondiging geen sprake, als het kruis niet gezien wordt in het licht der opstanding, de lijdende Heiland niet wordt geschouwd in den glans zijner verhooging. De waarde van Christus, de kracht zijner zaligmaking kanalleen ervaren in de gemeenschap met den verheerlijkten en verhoogden Middelaar. Er is geen Christus tenzij dan als het Woord, dat vleesch werd, als waarachtig God en waarachtig rechtvaardig mensch. De mensch Jezus alleen, hoe ook geprezen en geïdealiseerd als voorbeeld, zal nooit kunnen redden, alleen maar veroordeelen. Zoo ook de gekruisigde alleen, die sterft en begraven wordt, Hij kan misschien verheerlijkt worden als een held, maar waarde voor de menschheid kan zijn dood op zichzelf nooit hebben. De klacht zijns lijdens versterft dan onder de talloos vele kreten van smart en onrecht, van smaad en leed, waardoor het leven van de in zonde verzonken menschheid wordt verdonkerd; maar een andere vrucht kon dit alles dan niet nalaten dan alleen deze ééne, dat ook zijn lijdensweg uitwees, dat onder de menscheu nooit het recht, maar altijd de macht triumfeert. Een doode Christus kan nimmer heil bieden, kan geen redder, geen zaligmaker zijn. Daarom zegt de apostel: „Indien Christus niet opgewekt is, zoo is uw geloof tevergeefs, zoo zijt gij nog in uwe zonden." Indien Hij niet leeft, opdat Hij met zijne voorbede ons voortreedt bij den Vader, is er geen uitkomst voor de verslagen zondaarsziel, is er geen boodschap des heils, geen vreugde, geen vrijheid, geene heerlijkheid voor Gods kinderen. Dan blijft alleen de wolk van het oordeel, de last van den vloek der wet, de ontwrichting der conscientie en staat heel de wereld, ondanks hare glansen en schittering, in den nacht der verlorenheid. Een Christus, die niet verhoogd werd, zou geene overwinning hebben behaald over de machten der duisternis, onder wier juk de menschheid gebogen ligt. Dit is dan ook de vertroosting van de gemeente aller eeuwen, dat het kruis staat in het licht der opstanding en verheerlijking. Onze vaderen vierden daarom het Heilig Avondmaal op den eersten Paaschdag. Zij verkondigden juist op den dag der opstanding zijnen dood, omdat deze eerst van uit de opstanding in zijn kracht en beteekenis kan worden gewaardeerd. Zoo kan ook nog Gods kind aan de verzoening door het bloed des kruises eerst deel ontvangen uit de hand des Verheerlijkten. Gemeenschap met den Verlosser en Zaligmaker, verborgen omgang met den gekruisigde wordt slechts verkregen door Hem, die aan des Vaders rechterhand gezeten is. Er is geen kennis aan verzoening, geen besprenging des bloeds, geen heiUging en reiniging dan alleen doordat de verheerlijkte Middelaar zelve zijne kinderen neemt bij de hand en hen leidt tot dien spiegel, waarin het beeld van Hem, die een vloek wordt, aanschouwd kan als de Overwinnaar over dood en graf-Nooit kan de vernedering worden losgemaakt van de verhooging. Zij zijn de twee schalmen in den keten der genade onbreekbaar saamvereenigd, door de band van Gods genade zelve aaneengeklonken. Nimmer is er een Christus, die slechts vernederd is, nooit alleen een Christus, die leed en stierf, nooit een Goede Vrijdag los van Paschen. Daarom is er ook voor het kind des Heeren nooit een dood in misdaad en Bonde, een nacht van verlorenheid, een last van vervloeking, die ten laatste niet verschijnt in het licht der levendmaking, in de glansen van een dag der behoudenis, als een last, die werkt een uitnemend gewicht der eeuwige heerlijkheid. Omdat de Christus door kruis tot kroon, door de groeve tot het leven, door de vernedering tot de verhooging ging, daarom gaat ook Gods kind langs den weg der ontdekking, in éénwording met Christus' vernedering tot éénwording met Hem in zijne verhooging en volgt ook voor hem na de droefenis de vreugde, na de smart der verlorenheid de blijdschap der behoudenis, na den dood het levenslicht. Gods kinderen blijven niet staan bij een ledige groeve. Zij kennen de dagen, waarin zij den levende zoeken bij de dooden, maar de verrezen Heiland zelve komt, noemt hen bij hunne namen en zegt tot hen, dat Hij is opgevaren tot zijnen Vader en hunnen Vader, tot zijnen God en hunnen God, opdat zij hunne oogen zullen opheffen tot de hemelea, vanwaar zij ook den Zaligmaker altijd weder zullen verwachten als die komt in heerlijkheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 augustus 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 augustus 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's