uit het kerkelijk leven.
Van verborgen omgang.
XVIII.
Zoo heeft dus Christus niet slechts als het Lam Gods, dat ter slachting wordt geleid, beteekenis voor ons. Hij is niet slechts verbroken om onze zonde en verbrijzeld om onze ongerechtigheden, maar Hij heeft ook als de verrezene en verheerlijkte een middelaarstaak te volbrengen ten behoeve zijner kinderen. Als zoodanig heeft; Hij ook voor den verborgen omgang, dien zij mogen oefenen met Hem, eene groote beteekenis. De Heilige Schrift spreekt, met het oog op die taak in de heerlijkheid, van Hem als van onzen Voorbidder, van 'onzen Voorspreker. Zoo heeft Hij nog vóór zijn heengaan beloofd, dat Hij den Vader zal bidden, opdat in zijne plaats de Trooster komen zal. Het doel zijns levens is, dat Hij voor ons bidden zal. En zoo zegt ook Johannes, dat wij een Voorspraak hebben bij den Vader, Jezus Christus den rechtvaardige. Ook met betrekking tot dit groote heilswerk van den Middelaar wordt maar al te veel vergeten, wat Gods gemeente in den Heere Jezus bezit. Hoogstens wordt er bij de behandeling van de rechtvaardigmaking even stil gestaan bij de voorbidding en voorspraak des Heeren, als Hij ons wordt gepredikt als die onze twistzaak twist en als bij Jozua den hoogepriester de Satan wordt afgewezen op grond van Gods verkiezende daden. En ongetwijfeld, in de worsteling des levens is het een schoone en heerlijke vertroosting te ervaren, dat Hij, die de Heere onze gerechtigheid is, zich ook voor de vierschaar van Gods recht met het schild dier gerechtigheid stelt om zijn arm schuldig kind te dekken met de kleederen des heils en de vryspraak te verwerven voor wie neerligt in vreeze des doods. Zeker, in den weg der rechtvaardigmaking verschijnt de Middelaar als een advocaat, die den schuldige vrijpleit, niet met ijdele woorden noch met valsche gronden, maar met de voorbrenging van zijn goddelijk recht. Hij vervult de belofte, dat Zion door recht zal worden verlost. Voor het kind des Heeren is daarin de uitkomst ten leven, want als het doodvonnis over hen zou uitgaan, dan is Hij het, die het wonder werken kan, dat God naar recht toch niet wil schuldig keuren, omdat zijn werk de rechtsgrond is. Maar toch is hiermede het werk des Verheerlijkten in den hemel niet voltooid. Integendeel, het is daarvan slechts een klein deel. Wat Hij als Middelaar in den hemel doet, wat Hij zelve als zijn arbeid heeft omschreven, die het doel was van zijn heengaan, dat is de plaatsbereiding. „Ik ga heen", zoo sprak Hij, „om u plaats te bereiden."
Wat Hij eenmaal in het vleesch leed en deed, is de grond, waarop zijn hemelsch werk rust. En dat hemelsche werk doelt op de eeuwige toekomst der gemeente. Zooals gansch de schepping is opgekomen uit den eeuwigen raadslag Gods en daarin haar laatsten grond en oorsprong vindt, zoo ligt ook de eindbestemlning aller dingen daarin. Zooals het van elk menschenkind geldt, dat het optrekt naar zijn eeuwig huis, zoo geldt het ook van de gausche schepping, van geheel deze groote en wondere wereldgeschiedenis, dat zij in haren diepsten grond is een worden, een voortschrijden naar haar eeuwige bestemming. En de Schrift laat ons dit in bijzonderen zin zien van Gods gemeente. Zoo zag de ziener op Patmos eeuen nieuwen hemel en eene nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde was voorbijgegaan. De eerste dingen waren weggegaan en die op den troon zit zeide: „Ziet, Ik maak alle dingen nieuw." Daarom zag Johannes dan ook de heilige stad, het nieuw Jeruzalem nederdalende van God uit den hemel. Het komt dus alles op uit den eeuwigen Raad des Heeren en hët keert tot de voor ons nu ónzienlyke, eeuwige orde. En daarmede is gegeven de toekomst van een nieuwe orde, waarin al het oude is voorbij gegaan en alles is nieuw geworden en waarin de gemeente als het lichaam des Heeren zich vol heerlijkheid zal openbaren. Aan de verwerkelijking dier toekomst, aan den bouw van het nieuw Jeruzalem, die van eeuwigheid in den vrederaad aanving, waaraan de Christus als het vleeschgeworden Woord door zijn werk en kruis, groeve en opstanding heeft gearbeid, arbeidt Hij nu nog voort als de verheerlijkte Middelaar in den hemel, opdat, straks al de zijnen zullen wezen, waar Hij is.
En tot die taak behoort nu ook zijne voorbidding' en zijne voorspraak. Ook daarmede heeft Gods kind in den verborgen omgang met Hem van doen, zoodat Hij ze zal leeren kennen in de practijk der godzaligheid. Op den weg des levens hebben zij voor hem de grootste beteekenis. Toch wordt er over Christus als Voorbidder en Voorspraak weinig gesproken, ook al worden er de vruchten van genoten. Er heerscht met betrekking tot deze verborgenheid een betrekkelijke instinctmatigheid, minder zelfbewuste klaarheid. Gods kind doet er een beroep op, deelt er dikwijls in, zonder dat hij er bij stilstaat. Zooals er in het natuurlijk leven talloos vele handelingen zijn, die wij doen, zonder dat wij er onszelven rekenschap van geven, omdat zij ons als een tweede natuur door gewoonte zijn geworden, zoo is het ook op geestelijk gebied maar al te dikwijls. Eerst wanneer er eene bijzondere aanleiding voor is, waardoor wij tot nadenken als gedwongen worden, staan wij er opzettelijk bij stil en wordt het ons klaar, dat in dit bijzondere geval we van doen hebben met eene bijzondere daad des ontfermens. Zoo is b.v. over gansch ons leven de voorzienigheid Gods. Elke bete broods, elke dronk waters, elke ademtocht, elke zegening, elke tegenspoed, het komt ons immers nooit toe buiten Gods Voorzienigheid om. Ook de kleinste dingen in ons leven liggen toch altijd onder zijne voorzienigheid, zonder hetwelk geen haar van ons hoofd valt en geen musch ter aarde zijgt. En toch, hoewel het aizoo is, hoe weinig staan we daarbij stil, hoe weinig treedt die voorzienigheid voor ons in klare bewustheid. Een enkele maal, als er eene bijzondere aanleiding voor is, staan wij voor de voorzienige leiding Gods op zulk een aangrijpende wijze, dat wij zeggen: „dit is Gods hand." En elk van Gods kinderen herinnert zich blijvend zulke gebeurtenissen, welke soms kleine en nietige voorvallen waren, waarin de voorzienige zorge des Heeren op onvergetelijke wijze werd gespeurd. En toch is het waar, dat diezelfde hand dagelijks zich over ons opent ook in het kleinste en onbeduidendste, dat wij vergeten.
Zoo is het nu ook met de voorbidding onzes Heeren. Alles wat Gods kind aan geestelijke gaven mag genieten, van de eerste levensroering in de morgenschemering der ontdekking voor zonde en schuld, tot de volle ontplooiing van de levensblijdschap in den dag, waarop voor het eerst de liefde van Christus in heerlijkheid aanlichtte over zijne ziel en al wat daarna werd gesmaakt van de goedheid Gods, het kwam aan het kind des Heeren alleen toe, omdat de Christus als Voorbidder en Voorspraak in den hemel zijne taak volbrengt. Dcch er zijn bijzondere omstandigheden, waarin de Voorbidder Christus klaarlijk wordt ontmoet en gekend. Hij is reeds lang als zoodanig werkzaam, voordat Gods kind daarvan iets kan onderscheiden. Ja, zijne voorbede vangt reeds aan, als er nog van geen ontdekking sprake is, opdat het waar zal blijken, dat wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door den dood des Zoons en reel meer behouden worden door zijn leven.
Want de voorbidding van Christus heeft een geheel bijzondere kracht. Er is een groot onderscheid tusschen Christus' gebed en het onze. Gods kind weet het maar al te goed, hoe het met hem gesteld is in zijn gebed. Het is waar, dat hij zich maar al te zeer te beklagen heeft over biddeloosheid en behoefteloosheid. Met zijn gebedsleven is het maar al te dikwijls zeer armelijk gesteld. Maar hoe het ook zijn mag, als hij er iets, hoe weinig dan ook, van kent, dan weet hij, dat hij in het gebed altijd voor God staat als een, die het verzondigd en verbeurd heeft. Hg kan nooit pleiten op wat zijn recht is, wijl hij alles verzondigd en verbeurd heeft. En alles wat hij in dien weg ontvangt, wordt verkregen als een gave der genade des ontfermenden Gods, die het schonk, hoewel alles daartegen getuigde. In het gebed verschijnt Gods kind als een zondaar allereerst, die zich beroept op des Heeren barmhartigheden onder de erkenning van eigen zonde en schuld, ouder de erkenning ook daarvan, dat God hem geen onrecht zou doen, als Hij weigert de nooddruft te vervullen. Er is geen waarachtig gebed, waarin de Heere niet in het recht wordt gesteld en de zondaar in het onrecht. Hij staat altijd als die geene aanspraak ook, de geringste niet, maken kan. Zelfs als het gebed van Gods kinderen uitgaat, omdat de nooden van anderen wegen op de ziel, is er altijd nog de erkenning van eigen zonde en schuld, de belijdenis van eigen diepe onwaardigheid. Nooit zullen zij komen met een beroep op het hunne, want hunne gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed.
Doch alzoo is het met de voorbede onzes Heeren niet. Hij, de verheerlijkte Middelaar, verheven tot de hoogste waardigheid, staat niet als een zondaar, bidt niet als die geen rechten kan doen gelden, smeekt niet als die alles verzondigd en verbeurd heeft. De Heere Jezus heeft recht; Hij kan spreken van verdienste, kan aanspraak maken op grond van het verdrag in de stilte der eeuwigheid gesloten met den Vader. Hij kan een beroep doen op de verbondsvoorwaarden zelve. Hij staat niet als roepend om genade en om ontferming, want Hij heeft alles volbracht. Hij kan zijne eischen brengen voor de vierschaar Gods. Hij heeft een goddelijk recht op hetgeen Hij van den Vader vraagt. Een recht, dat gegrond is in de belofte des Vaders zelven, dat voortspruit uit de toezegging des Vaders aan den Zoon. Daarom kon dan ook de Heere Jezus zeggen, dat de Vader Hem altgd hoort. Zijn gebed is eene machtige wilsuiting vnn den verheerlijkten Middelaar, eene wilsuiting, waarin Hij met den Vader overeenstemt. Tusschen den wil des Vaders en de begeerte van den Middelaar i is eene voortgaande overeenstemming. Zooals 'de Zoon in de gestalte van een dienstknecht gehoorzaam was aan den Vader en altijd deed wat de Vader Hem oplegde, zoodat het; zijne spijze was te doen den wil zijns Vaders in de hemelen, zoo is er tusschen den wil des Vaders en dien des Zoons een doorgaande ! overeenstemming nu de Middelaar gezeten is in heerlijkheid. En Hij treedt daar op! voor zijn volk, staat daar. voor de levensbelangen zijner kinderen en Hij ei? cht wat zij behoeven. En daar nu de nooden van zijne kinderen er zijn, voordat zij het weten en zich daarvan bewust zijn, en Hij in alle dingen is verzocht geweest als zij, is Hij reeds werkzaam voor hen eer zij het vermoeden, eer er nog een klacht uit hunne zielen opwelt, eer er eene verzuchting ontperst wordt aan het geprangd gemoed. Als zij nog midden in de wereld leven, vervreemd van God, zonder hope, zonder roering des levens, als zij nog nergens naar omzien, naar geen geestelijk goed zelfs vragen, dan is Hij reeds arbeidend in den hemel tot hunne verlossing door zijne voorbede te doen uitgaan tot den Vader. En waarin bestaat die dan? Zelf heeft Hij het ons gezegd: „Ik zal den Vader bidden en Hij zal u een anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid". Hij bidt niet hierom, dat de liefde des Vaders toch over zijne kinderen zal zijn, want de eeuwige liefdebron Gods des Vaders is de fontein, waaruit de Middelaar zelve is voortgekomen. Zij ia de grond van al zijn werk. De eeuwige liefde des Vaders is geen vrucht van zijn werk, maar omgekeerd is de Middelaar en zijn werk eene vrucht van de eeuwige ontferming des Vaders. Wat de Christus verdiend heeft en door zijn werk verkregen, - dat is de gave des Heiligen Geestes. Als Middelaar en Voorbidder eischt Hy voor zijn volk de komst des Geestes, de zending van dien Trooster, die zijn werk hier op aarde zal voltooien. Dit is dan ook het eerste, dat Gods kind door middel van dien hemelschen Voorbidder ontvangt. En daarmede is eigenlijk heel zijn geestelijk leven geschonken. De Heere Jezus bidt om de zending des Geestes. En die Geest gaat tot zijn kind uit en Hij vindt het midden in den dood, zonder eenige roering des levens, verkocht onder de zonde, een vreemdeling van de beloften en van het burgerschap. En de Heilige Geest, die op zijne voorbede uitging, baart in die ziel de allereerste ademtocht des levens door ontdekkend op te treden, door den zondaar met zichzelven bekend te maken, hem zijne ware nooden te toonen, hem de werkelijkheid zijner ellende te doen zien. En daarmede vangt aan de openbaring der wederbarende daad, die Hij in de verborgenheid werkt. Die uit den Geest geboren werd, is als de wind.'' Gij hoort zijn geruisch, maar gij weet niet 'vanwaar hij komt, noch waar hij heengaat.
En daarmede is ook de fijngevoeligheid geboren in den eertijds ongevoeligen zondaar en komt de schreeuw des levens op uit het diep ontroerde gemoed en wordt met den dichter des Ouden Verbondsgebeden: „Denk aan het vaderlijk meedoogen. Heer, waarop ik biddend pleit." En dat vaderlijk mededoogen is in den Christus, die de laatste pleitgrond is voor het verslagen en ontdekt gemoed en die alzoo gekend wordt als onze Voorbidder in den hemel. Die voorbidding heeft dus vooral voor het gebedsleven de grootste beteekenis. Zij doet zich reeds daarin ' gelden, dat gebeden wordt in zijnen Naam, dat gepleit wordt op zijn werk, dat gehoopt wordt op zijne genade, gebouwd wordt op zijne gerechtigheid. Voor den verborgen omgang is dus de Voor bidder van het grootste gewicht. Want de Vader hoort Hem altijd.
Hij geeft den Geest in de harten zijner kinderen eenmaal voor het eerst, opdat Hij daar blijve en voortarbeide aan het zieleheil van Gods kind daarna. En Hij is de Geest der heiligmaking en der reinigmaking. In het levensverloop zelf wordt nu de Heere Jezus gekend als die den Heiligen Geest geeft en voortdurend de werkingen van dien Geest doet uitgaan. Want zooals Hij eenmaal kwam op de voorbede van Christus, zoo gaat ook zijne werking daarna niet buiten onzen Voorbidder om. Hij is het, die ook over de uitvloeiingen van den Geest in het leven der kinderen des Koninkrijks heerschappij voert.
Met de bestaansorde der Heilige Drievuldigheid hangt deze heerschappij onmiddellijk saam. Want zooals de Heilige Geest in de huishouding Gods uitgaat niet alleen van den Vader, maar ook van den Zoon, zoo is ook de werking des Geestes niet omgaande buiten den Middelaar, De Vader geeft den Trooster, maar op de voorbede des Heeren. De Vader heeft Hem in de hand van den Middelaar als besteld De Christus zegt zelve, dat Hij Hem zenden zal van den Vader, Hij komt niet op eigen gezag, niet van zichzelven, maar Hij wordt mede door den Middelaar gezonden, gelijk deze Hem uit de hand zijns Vaders ontvangt. En zoo leert ons de Heere ook, hoe Hij dien Trooster ons zal doen toekomen, „Die zal mij verheerlijken", zegt Hij, „want Hij zal het uit het mijne nemen". Nu komen wij later daarop terug. Hier wordt er slechts op gewezen, wijl we nog altijd stilstaan bij de Middelaarstaak, dat Hij, de verheerlijkte Middelaar, den Heiligen Geest zendt in de harten zijner kinderen, opdat zij daardoor allereerst zullen worden levend gemaakt, opgewekt uit hunnen doodslaap, geheiligd en gereinigd eu verlicht. De vereeniging met den Heere wordt door dien Geest tot stand gebracht. Eens in de wedergeboorte voor het eerst en daarna telkens opnieuw tot herhaalde bekeering en dieper inleiding en voortgaande bewerking om Gods kind te doen ingaan in zijn hemelsch Koninkrijk. Hij is het, die de gemeenschap met den Heere Jezus steeds onderhoudt in het volk" des Heeren. En opdat Hij zulks zal vermogen, is het noodzakelijk dat Hij dien wederbarenden arbeid ia de zijnen wrochten zal, waardoor zij in staat worden gesteld de geestelijke dingen geestelijk te onderscheiden. Uit Hem komt de verlichting, waarbij Gods kind zijne zonde maar ook de heerlijkheid van Christus en zijne gaven leert kennen, de ziel geopend wordt voor den Heere Jezus en zulk een teederen band met Hem wordt gelegd, dat zij als samengegroeid met Hem zich weten. De Heilige Geest laat ontkiemen, die mystieke vereeniging met den Christus als het verheerlijkt Hoofd, zoodat zij zich met Hem als gezet' weten in den hemel en zoo opgaan in Hem, dat zij, zooals de Catechismus het ons teekent, Hem kennen als vleesch van ons vleesch en been van ons been, dat er een levenseenheid met Hem wordt gesmaakt, waardoor verstaan wordt, dat de Heere Jezus hun boven alles dierbaar is. „U dan, die gelooft, is Hij dierbaar." Dat is de ware innigheid des geloofs, waardoor zij door Christus als rusten in God. Dat geloof, dat als een teedere levenseenheid met den Heere Jezus zich openbaart, is dus tegelijk de liefde in haar edelsten en rijksten en schoonsten vorm. Het woord schiet aan het kind des Heeren te kort, als het pogen zou die heerlijke gewaarwordingen af te malen, die gesmaakt, genoten en als ingedronken worden onder den druk dier zalige gemeenschap. De Schrift zelve worstelt met woorden en beelden om er ons iets van te vertolken en wijst alzoo aan, dat er een grens is aan het taalvermogen om uitdrukking te geven aan hetgeen geen oor gehoord, geen oog gezien heeft en in 's menschen hart niet is opgeklommen. Maar zij wijst ook uit, dat er slechts ruimte kan gegeven worden aan het met zalig zielservaren vervulde gemoed, in den jubel tot verheerlijking Gods, in de stem der dankzegging, in het Halleluja, waarvan ons gezegd wordt, dat het eenmaal door den hemel zal weerklinken uit den mond van heilige engelen en zaligen Gods. De Heilige Geest, . die de mystieke unie met Christus doet geboren worden en tot klare bewustheid brengt, legt alzoo den lofzang op de lippen. En het is die Heilige Geest met alle vruchten, die Hij geeft, die eenmaal door den Middelaar verdiend werd door en in zijnen hangen strijd en dien Hij ook als de Verheerlijkte in den hemel voor zijne kinderen bestelt om hun zijne gaven te schenken. Daarom zegt de apostel, dat Gods kinderen gezegend zijn met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus. Het komt alles in en door zijn middelaarschap in den hemel. Zijne offerande en zijne voortreding daarmede is de onwankelbare vaste grond van de toedeeling zijner geestelijke goederen. De verheerlijkte Christus is gegrond op dat offer der verzoening, op dat werk der gehoorzaamheid en daarvan kan Hij aan zijne kinderen geven. In alles wat Gods kind van Hem ontvangt, moet dus steeds bedacht, hoeveel het Hem gekost heeft. Nooit kan dat worden voorbijgezien zonder schade voor het geestelijk leven. Hetgeen Hij door zijnen dood verkregen heeft, dat alles wordt geschonken door zijne voorbidding.
En Gods kind wordt dit dan ook opgeklaard op den weg des levens, als het die voorbidding des Heeren niet slechts als een leerstuk belijdt, maar ook daadwerkelijk beleeft. Want ook hierbij is beleven de eerste en onmisbare voorwaarde om te verstaan. Alleen wie beleeft, kan verstaan, alleen wie proefondervindelijk ervaart, kan er waarlijk van weten. En met betrekking tot de voorbidding des Heeren is het klaarste ervaren in de gebedsworsteling van Gods kinderen zelven. Het gebedsleven is zeer rijk in afwisseling, verscheiden ook in vorm. Er zijn gebeden, die opwellen als de wateren der fonteinen uit de diepte van de zielsverborgenbeden. Gods kind vindt ze dan als David weleer in zijn hart. Het gebed is er dan als van zelf. Het is gegeven, het verscheen in ons bewustzijnsleven, zonder dat wij er ons toe gezet hebben. Daar zijn gebeden, die opkomen zonder den gebedsvorm, Zooals het volk zegt, dat er meer gebeden kan worden met het gedekte dan met het ontdekte hoofd. ln dat geval is er met het gebed ook de ontsluiting des gebeds. Dan is het gebed eigenlijk geen worsteling. Maar het kan ook zoo gansch anders zijn, als het kind des Heeren het gebed niet vindt, maar moet worstelen om het gebed zelf. Er zijn uren, waarin het zou willen bidden, maar waarin het niet schijnt te kunnen. Een mensch kan zich zetten tot het gebed en tegelijk ervaren, dat het met dien vorm er niet is. Hij kan bidden en met zijn gebed schuldig staan. Het kan tot hem wederkeeren, het kan zijn als zegt de Heere: bidt daarom niet. Het kan geschieden, dat de klacht opgaat en de hemel toch schijnt gesloten te blijven, zoodat er geen zucht opklimt. En juist dan is het, dat de voorbiuding van den verheerlijkten Middelaar het duidelijkst aan den dag treedt en ervaren wordt, wanneer de gebedsontsluitiog komt te midden van dien gebedsstrijd. Als de deur des hemels opengaat, en ervaren wordt, dat het gebed, dat schuldig wederkeerde, gesteld wordt als reukwerk voor Gods aangelicht. Dan verschijnt de Heere Jezus als die de gebeden zijner kinderen heiligt en ze als opdraagt voor den genadetroon op de schaal zijner voorbidding. In die ure is er het zien op Jezus in de volheid zijner Middelaaiskracht, is er, wat Gods oude volk reeds aldus heeft bezongen: „zie en aanschouw toch uw gezalfden Koning". Dan, als de voorbidding des Heeren wordt ervaren, is er een volkomen hopen op Jezus, een onwrikbaar vertrouwen op Hem, een rusten op Hem en een goed toeverzicht op den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus door Hem. En dan wordt ook bet woord waarachtig bevonden, dat alles wat in zijnen Naam gebeden wordt, ontvangen wordt. Immers, dan staat onze Voorbidder op in den hemel en Hij eischt voor zijn arm en in het stof gebogen kind, dat daar worstelt om uitredding, om genade en verlossing, dat het licht zal opgaan in zijne donkerheid. En dan is de Heere die God, die nog altijd zeggen kan, dat het licht zal voorttreden uit de duisternis, de dag der uitredding uit den nacht der beklemming. Dan treedt in vervulling wat de psalmdichter zong: „toen hoorde God." En daarom laat er Gods kind uit den jubel zijns harten op volgen: „Hij is mijne liefde waardig."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 augustus 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 augustus 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's