Stichtelijke overdenking.
Toen zij nu. des anderen daags des morgens vroeg opstonden, ziet, Dagon lag op zijn aangezicht ter aarde gevallen vóór de ark des Heeren; maar het hoofd van Dagon, en de beide palmen zijner handen afgehouwen, aan den dorpel1 Sam. 5:4.
Gebroken riststaven!
De mensch is een hulpbehoevend schepsel ; niemand onzer is zichzelf genoeg: wij behoeven aanvulling, die van buiten af tot ons komt. Wel heeft de mensch. het ver gebracht in den eeredienst van ''t eigen ik, maar toch., zoekt hij van elders te bekomen wat tot verrükking zijns levens bijdragen zal. Dit bevreemde ons niet. Hierin is nawerking nog te speuren van zijn oorsprong. Hij werd niet aangelegd om op zichzelf te staan. Hij behoeft een hand, die hem. leide; een arm, die hem steune; een grond, die hem drage. Zoolang hij dit alles volkomen in Zijn God vond, verhoogde de veelheid zijner behoeften de volheid van zijn levensgenieting.
Maar toen blies hem de verleider in, dat deze afhankelijke staat hem onwaardig was; in zichzelf had hij de macht om zichzelf te zijn; maakte hij daarvan gebruik, dan zoa! hij' ook als God zijn. Ontzettende misleiding: want toen hij gehoor gaf aan deze lokstem, werd de mensch niet zichzelf, maar van Satan. Toen werd hem de veelheid zijner; levensbehoeften tot groote jammer: evenals! den verloren zoon in 't vreemde land, ontbrak' hem. nu wat tot verzadiging dienen moest.; Niet dit vormt '"s menschen ellende, dat hij ' veel behoeft en diep-afhankehjk is, maar dat er geen helper is, en dat hg 't daar zoekt, waar niemand hem helpen kan.
Hij heeft zich toevertrouwd aan een arm, die hem niet schragen kan: op rietstaven . leunt zijn hand: straks breken ze en doorboren hem. Dit moet hij leeren inzien: hij' moet - tot zichzelf komen"'; dan afgebracht worden van den valschen grond, opstaan en tot den levenden God vluchten, 'bij Wen hulpe is; daarna zal hij ook bekleed worden: uit de schatkameren des heils met al de' sieradiën van 't kindschap Gods, vervuld met genade voor genade.
Bovenstaand Schriftwoord leert duidelijk, dat God Zijn eer aan geen ander geeft. Het tekstverband is eenvoudig.
De Filistijnen hadden Israël een verpletterende nederlaag toegebracht. Israels legermacht was vernietigd: de leiders des volks' waren gesneuveld, zelfs de ark des Verbonds, door Israël mee ten strijde gevoerd, ala kon dat hen baten, waar de wortel der zaak wordt gemist, was in de handen der onbesnedenen gevallen.
't Ging Israel als zoovelen naam-christenen die zich op de uiterlijke aanhoorigheid aan' de Kerk des Heeren verlaten zonder innerlijke vernieuwing des harten.
Maar 't was den Filistijnen boven verwachting gegaan. Dezen heidenen was de schrik: om 't hart geslagen, toen de ark des Heeren; in - 't leger van Israël was gekomen; zij waren; gewoon op hout en steen hun vertrouwen te stellen en ook hen had de faam der groote: daden van Israels Gods bereikt.
En zij wisten niet beter maar meenden dat, nu die geduchte God van Israël in 't leger was, ; nu er de ark gevonden werd: daarom rees in hun oog de glorie van hun. zegepraal, nu. zelfs de tegenwoordigheid van Israels God de nederlaag van zijn volk niet had kunnen. afwenden.
Hun Dagon, zoo leiden ze de overwinning uit, hun Dagon was sterker dan Israels Jehova.
Ten bewijze hiervan moest dan nu de buitgemaakte ark in Dagons tempel worden neergezet ter eere van Dagon, die overwon. Hoe streelde 't der Filistijnen trots en nationaal gevoel, dat zij een god hadden, Dagon, die 't won van die geduchten God van Israël, 't Was dan ook een dag van hoogoplaaiende vreugde en geestdrift geweest toen de ongemeene buit van de strijd was opgebracht naar Dagons huis.
Èn toen daags daarna bij 't krieken van den dageraad de priesters van Dagon zich opmaakten om hun god het morgenoffer te gaan wijden, was er zeker in hun hart een; sterke begeerte, om 't streelend schouwspel van Dagon's triumf en Jehova's vernedering te genieten; de hand, die 't heiligdom ontsloot, beefde van nauw onbedwongen ongeduld, ; maar wie schetst de ontsteltenis der priesters als zij ontwaren, hoe Dagon vlak op 't aan-gezicht is neergevallen voor ds ark, als om: de God van Israël eerbiedig te huldigen. De overwinnaar vernederd!
God geeft Zijn eer aan geen ander.
Ietwat van hun schrik bekomen haasten zij zich 't beeld weer op te richten en nemen zich voor 't gebeurde stipt geheim te houden.
Dit gelukt; heel dien dag nog stroomen de Filistijnen toe en vergasten zich aan den aanblik van de behaalde glorie hun gods; heel den dag davert de lucht van den jubelkreet: groot is de Dagon der Filistijnen! Totdat weer een nacht is gedaald en weer een ochtendstond daagt en weer de priesters van Dagon bij 't krieken van den dageraad hun god gaan huldigen, nu niet zonder schroom; behoedzaam treden zij 't heiligdom binnen, aangerichte verwoesting.
Weer is Dagon ter aarde neergestort, maar nu zijn in den val 't hoofd en de handpalmen van 't 'beeld afgebroken. Ziedaar hun Dagon, wiens kracht de Filistijnen ter overwinning had geleid, en wiens wijsheid 't krijgsbeleid van Isrels grooten had te niet gemaakt; nu't hoofd en de handpalmen, de zetels dier wijsheid en macht, afgehouwen; vemietigend.
En ontzaglijke leering voor ons: zoo zal't allen gaan, die op de afgoden betrouwen, Eens zal God Zijn grootheid toonen, dan zal 't vreeslijk zijn voor allen, die Hem hebben gesmaad. '
Laat 't uitstel dier schrikkelijks vergelding ons niet misleiden. Dikwijls heeft 't den' schijn, alsof God geen acht slaat op den smaad dergenen die Hem smaden: spot vraagt: , , waar blijft de dag Zijner toekomst"; ;
of ongeduld mort: , , 't is tevergeefs God te dienen; al wie kwaad doet is goed in de oogen; des Heeren!" !
Niet alzool De Heere merkt er toch op en; hoort, en er is een gedenkboek voor Zgn: aangezicht. Dwaalt niet: God laat zich niet; bespotten!
Wat dwaze Filistgnen, om Dagon ds eere te even, nu Jehova hen als tuchtroede heeft; willen gebruiken!
Maar zijn wij veel anders? Of roepen ook wij 't niet vaak uit: is dit niet 't Babel dat nze handen gebouwd hebben.
Wij ook hebben onzen Dagon, aan wien wij geschenken en eere teekenen brengen; oor doorstane moeilijkheden, voor afgeende krankheid, voor de vrucht onzer akkers en den vrede onzer landpalen.
Maar bij 't verbrijzelde Dagonbeeld roept en bezweert ons de Heere: geeft eer den Heere uwen God, eer dat Hij 't duister maakt en uwe voeten zich stooten aan de schemerende bergen!
Nog draagt Hij ons in lankmoedigüeid; eens wordt 't anders! Nog klinkt't afgodisch en leugenleer en ongeloof en onrecht triomfeert. Dat Hij nog geen voleinding maakte, is omdat Hij een lankmoedig God is.
O, acht deze lankmoedigheid voor zaligheid, en vergader u geen toorn ais 'n schat tot den dag des gerichts.
Hoe bang zal 't zijn, voor de poorte des; doods te ontdekken, dat onze goden afgoden zijn, in wie geen kracht is om te verlossen.; 'tHoofd. is.de zetel der wijsheid de handpalmen instrumenten van kracht en vaardigheid; beide waren afgehouwen bij Dagon, ten teeken, dat in hem wijsheid noch kracht; was.
Dit is ons tot leering en waarschuwing.
Zeg niet, lezer, dat wij toch geen afgoden-; dienaars zijn; 't is waar, wij hebben geen beelden, die wij eeren en huldigen. Maar als onze Catechismus ons leert dat aan afgoderij zich schuldig maakt een ieder, die naast of in de plaats van den enigen waren God, Die zich in Zijn Woord geopenbaard heeft, . iets anders heeft waarop hij zijn vertrouwen stelt, wat dunkt u gaan wij dan vrijuit van het eerste gebod?
Denk eens: daar is de afgod van 't zingenot. aan wien zoovelen 't beste hunner levens-krachten offeren; maar middden in den feest-roes der zonde zal 't blijken, dat er in dezen Dagon geen kracht is om te verlossen.
Anderen hebben hnn arbeid, hun zaken, hun werkkring, waarvoor zij geheel leven; : in ons oog staat deze afgod misschien hooger dan de vorige, maar is daarom niet minder gevaarlijk: om gelukkig te kunnen sterven: is nog iets anders noodig, dan dat ge uw best gedaan hebt, zoodat uw zaak ging floreeren en gij 't goed dezer wereld hebt opgelegd.
Er zijn andere afgoden nog, die er nog onschuldiger uitzien: uw vrienden, uw gezin, uw dierbaren.
Daar is een moeder, die in haar kind opgaat; een man, die voor zijn vrouw slechts leeft.
Zonder twijfel, 't is een goede gave Gods, ; omringd te zijn van dezen, aan wie liefdebanden ons binden; maar geen hunner heeft 'n hand, die ons leidt tot aan, tot over 't graf: Daar zijn zelfs vrome afgoden: ernst, braafheid, gerechtigheid, nederigheid; kostelijke sieradiën der zielen, als ze uit Gods schatkamer komen, maar hoogst gevaarlijke afgoden, als we er ons zelf mee versieren, en er aanspraken in zien op den hemeL
Graaf dieper, menschehkind, zoo ge bij uzelf vertrouwt rechtvaardig te zijn; graaf dieper en Dagon zal vallen en gij zult roepen: hoe ik dieper poog te dalen, hoe ik meer bederf ontmoet; ach ik wanhoop aan mij zelve!
Allen, die op de afgoden letten, zullen zeker omkomen; de rietstaf breekt en doorboort u de hand.
Maar die den Heere verwachten, die zullen. de kracht vernieuwen; die zullen loopen en niet moede, wandelen en niet mat worden.
Die Ark des Verbonds was symbool van den Heere Jezus Christus, in Wien de AImachtige God een getrouw en barmhartig Vader wil zijn voor een verloren Adamskind.
O als ge aan dien Christus u moogt toevertrouwen, in Hem is kracht; dan wordt ge niet beschaamd. Dit is een getrouw woord en aller aanneming waardig. dat Jezus Christus in de wereld is gekomen om zondaren zalig te maken. Die op Hem vertrouwt heeft op de rots gebouwd. Straks zal de stormwind van 't hoog gericht des Heeren alle Dagons verbrijzelen, allee hooge stammen van eigengerechtigheid neervellen, : maar dan zal 't woord van den profeet waarachtig blijken:
, En die Man zal zijn als eene verberging tegen den wind en een schuilplaats tegen den vloed!"
En bij Hem kunt gij schuilen, als ge niets meer hebt overgehouden dan een arm wegzinkend hart; afgoden eischen geschenken, de levende God roept een volk, dat arm en ellendig is en , , geen geld heeft,
Onderzoekt uzelf nauw, ja zeer nauw! 't Gaat om 't hoogste, 't beste, uw onsterfelijke ziel; neen meer nog, 't gaat om God.
Buiten Hem kan niemand; dat 't slechts meer 'sierd beseft. Ieder behoeft stetm en zoekt ook steun; slechts met dit verschil: velen zoeken steun bij de afgoden, weinigen maar bij den levenden God. Ja, uit zichzelf zoekt 't niemand bij Hem.
Als Gods Geest ons oog verlicht, de nevelen op doet klaren, dan verstaan wij, dat vervloekt is de man die vleesch tot zijn arm stelt en welgelukzalig de mensch die geduriglijk vreest.
Bidt dan om die gave des Geestes!
Op de knieën slechts wordt de weg ten hemel bewandeld. Als God de Heere er u geleidt, dan zijt gij veilig.
In de afgoden is geen kracht om te verassen; de Dagons liggen eens zonder hoofd en handpalmen verbrijzeld ter aarde, maar de evende God heeft gezegd tot allen, die op em betrouwen:
Ik heb u in mijn beide handpalmen gegraveerd; uwe muren zijn steeds voor mij.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 september 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 september 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's