De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

4 minuten leestijd

Een nieuw voorstel.

Door de regeering is een nieuw voorstel ingediend tot tijdelijke nadere, voorziening betreffende het eedsvraagstuk.

Na de verwerping van het eerste voorstel door de Eerste Kamer heeft de regeering het een onafwijsbare plicht geacht een nieuwe poging te doen om de moeilijkheden, waarin de strafvordering door het bekende arrest van den Hoogen Raad gekomen was, weg te nemen.

De beginselen waarvan het thans ingediende wetsontwerp uitgaat, zijn:

1e. ieder is verplicht den eed af te leggen; 2e. geen eed wordt afgelegd door wie behoort tot eene godsdienstige gezindheid, die den te beëedigen persoon het afleggen van eeden verbiedt;

3e. geen eed wordt afgelegd door wie bij de beëediging verklaart tegen het afleggen van eeden gewichtige gemoedsbezwaren te gevoelen;

4e. voor ambten wordt de vrije keuze gelaten tusschen den eed en de belofte of bevestiging ;

en 5e. het wetsontwerp zal van kracht zijn tot 1 Januari 1919.

Bij vergelijking van dit voorstel met hetgeen door de Eerste Kamer werd afgestemd blijkt, dat er op twee punten verschil is aan te wijzen.

In de eerste plaats is de toetsing door den rechter omtrent de oprechtheid der verklaring van het bestaan van gemoedsbezwaren vervallen.

En in de tweede plaats draagt de voorziening een tijdelijk karakter.

Is het voorstel op één punt aan de bezwaren, die destijds door de rechterzijde geopperd werden, tegemoetgekomen, door in de tegenwoordige tijdsomstandigheden omtrent de verplichting tot het al dan niet afleggen van den eed geen definitieve beslissing te nemen, maar aan de nadere voorziening hét karakter toe te kennen van een tijdelijke noodregeling; tegenover het meest principieele verschilpunt tusschen de rechterzijde en de regeering heeft laatstgenoemde echter haar beginsel gehandhaafd.

Ook bij de nieuwe regeling blijft bepaald, dat de te beëedigen persoon, die bij de beëediging verklaart tegen het afleggen van eeden gewichtige gemoedsbezwaren te gevoelen, de belofte of bevestiging aflegt.

De keuze tusschen het afleggen van den eed of het doen van de belofte blijft dus aan het goeddunken van den te beëedigen persoon overgelaten.

Na al hetgeen we reeds over de oplossing van het eedsvraagstuk, zooals de regeering die wenscht, schreven, kunnen we voorshands er ons toe bepalen te verklaren, dat het nieuwe ontwerp ons al evenmin bevredigt als het oorspronkelijke. Het hoofdbezwaar blijft bestaan, dat de vrije keuze tusschen eed en belofte wordt gelaten, dat eed en belofte op dezelfde lijn zijn gesteld, zoodat de heiligheid van den eed minder beseft zal worden en men bij het afleggen van den eed niet meer van de tegenwoordigheid Gods zal doordrongen zijn.

Tot nog toe rust de instelling van den eed op het feit, dat de Overheid ais zoodanig den levenden God erkent. Voortaan zal daarvan geen sprake meer zijn. In het wetsontwerp wordt een nieuwe stap gedaan tot de algeheele losmaking van den band, die het volk aan het recht Gods bindt.

Het argument der regeering dat, doordat de wet slechts van kracht zal zijn tot 1 Jan. 1919, zoodat wordt het wetsontwerp tot wet verheven het eedsvraagstuk vóór dien datum opnieuw zal worden aan de orde gesteld, waardoor de tijdelijke voorziening dus niet vooruitloopt op de eindregeling, is maar voor zooverre juist, dat de regeling een tijdelijke is, wanneer de wetgever den termijn van 1 Januari 1919 niet verlengt. Bij onze tegenwoordige wetten, waarin de een of andere bepaling aan een datum gebonden wordt, komt het zoo herhaaldelijk voor dat deze verlengd wordt, dat ook al wil men door het noemen van een termijn een tijdelijk karakter aan eenige regeling geven, de practijk leert, dat die tijdelijke voorziening heel gemakkelijk in een blijvende wordt omgezet.

Doch hoe dit zij, het principieele bezwaar, dat bij het regeeringsvoorstel in de facultatiefstelling van den eed blijft bestaan, is van dien aard, dat het, zelfs al was het maar voor een tijdelijke regeling, niet kan losgelaten worden.

De eenige weg, die kan ingeslagen worden, om uit de moeilijkheid te geraken is die, welke door de rechterzijde is aangegeven, n.l. door eene tijdelijke regeling te treffen die zich beperkt tot die personen ten aanzien van wie tengevolge van het arrest van den Hoogen Raad ongelegenheid is ontstaan, d. w. z. tot die personen die verklaren niet tot eene godsdienstige gezindheid te behooren.

Verder mag en behoeft ook voor het oogenblik niet gegaan te worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 september 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 september 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's