Stichtelijke overdenking.
Toon ons Uwe goedertierenheid en geef ons Uw heil! Ps. 85 : 8.
Eene bede.
't Is voor volkeren en afzonderlijke personen toch dwaas om zichzelven te vleien in wegen, waarover de Heere Zijnen vloek heeft uitgesproken, 't Staat overal geschreven dat 's menschen zonden den weg banen voor 's Heeren rechtvaardigen toorn en dat, waar de mensch zijne ongerechtigheid vermenigvuldigt, de Heere Zijne oordeelen doet toenemen.
Vooral, indien onder de betooning van Gods lankmoedigheden de geslachten in ongeloof en afval voortgaan, staat te vreezen, dat de toestanden hoe langer hoe ernstiger gaan worden.
„Achteloosheid en zorgeloosheid zijn gewoonlijk voorboden van ondergang."
Wij weten wel, dat er velen zijn, die 't verband niet zien tusschen allerlei verschijnselen „in, de natuurlijke schepping en in de dingen des natuurlijken levens en de bestellingen en beschikkingen van den Albestierenden Koning; die geen deugden Gods erkennen en geen schuld bij menschen; die eene ijskoude idee van natuur-noodwendigheid aanhangen, waarbij geen plaats is voor Godes eere noch voor berouw en schaamte bij den mensch.
De uitstraling van Gods heerlijkheid te zien in al Zijne handelingen, is ook genade.
Vernederende zelfkennis doet allen, als met gebogen hoofd, het pad van ootmoedige erkentenis des Heeren gaan; bij die kennis wordt van verzondigde goedheid gesproken en levert eiken dag bewijs van verbeurde zegeningen, om Christus' wille uitgestort.
Een volk, tot 's Heeren vreeze genegen, is zoo bang om Gods goedheid te misbruiken en ziet met smarte, dat velen algemeene zegeningen tot dartelheid gebruiken; zulk een volk begeert God in Zijne weldaden te zien, en naarmate dit voorrecht zijn deel is, worden de weldaden heerlijker. En een stukje glas, waarin lichtstralen breken, wordt zoo schoon gekleurd!
De dichter van Psalm 85 heeft weldaden te roemen en in die weldaden Goddelijke gunst; een gunst, die bewezen was in de wegneming van de misdaad des volks, in bedekken, in voorbijgaan, in vergeven van volkszonden, in het opheffen van het oordeel, van al Zijne verbolgenheid, zoodat er niét alleen tegenheden werden opgeruimd, maat 's Heeren aangezicht weer werd aanschouwd ener weer vrije toegang tot den troon der genade was en geoefend werd.
't Is strikt noodzakelijk om de oorzaken we] te kennen, waarom de Heere in tegenheid handelt en waarom Hij met Zijn volk en met de volkeren een twist heeft, opdat door verootmoediging, in erkentenis van Gods rechtvaardigheid, de lucht weer mag ophelderen en de roede opgeheven.
Israels God had in al Zijne leidingen Zijn rijke gunst bewezen, en nu Zijn volk weer in benauwdheid verkeerde, moest het het weibetreden pad van alle Zions kinderen weer op,
's Heeren bevel was, is nog van kracht: «roept Mij aan in den dag der benauwdheid", en Zijne belofte niet ingetrokken: „en Ik zal u uithelpen."
Er is een God, die Zijn oor neigt tot 't gebed desgenen, die gansch ontbloot is.
't Was denkelijk een bange tijd, te banger naarmate het langer duurde, 't Ging zelfs , van geslachte tot geslacht"; nog wat anders dan van 't eene jaar in het andere. Vurig was de begeerte naar betere toestanden, d. w. z. naar nieuwe blijken van Gods gunst, opdat Uw volk zich in U verblijde.
Daar is geen duidelijke aanwijzing in welken uitwendigen nood het volk verkeerde; doch brak 's Heeren gunste weer door, dan zou het met moeite en verdriet wel klaar komen.
't Is vooral in 't laatste versje zoo helder, dat het den dichter gaat om de deugden Gods. Hij vraagt niet, dat de toorn der vijanden en hun woest geweld worde ingebonden, opdat er weer meer te verdienen valt en de prijzen van vele waren matiger mo^en zijn; hij doet niet zijn best om volkszondén goed te praten en 's Heeren toorn als onrechtmatig voor te, stellen; niet om nederlagen van de vijanden en overwinningen voor zich en zijne natie; hij vraagt, dat de Heere Zijne goedertierenheid betoone, doe zien in zegenrijk uitkomsten. Van goedertierenheid komt alleen welvaren.
Gedenkt de Heere Zijn Naam, Zijn Verbond, dan, spruit , het heil uit als de bloesems in 't vroeg getij, en komen er vruchten, als in den herfst.
Het „vergeef" en het „geef" staat in direct verband.
Terugkeer van gewenschten vrede, doch geheiligd aan het harte tot dankbare blijd schap in den Heere; vrede en welvaren uit Gods vernieuwde gunst; alle welvaren, als heil des Heeren, dus gezegend om Christus' wil. Opwaarts ten hemel, ter bedevaart, is de beste weg in alle nooden.
En die weg is wel met tranen besproeid, en op dien weg zijn vele verzuchtingen geslaakt, (opgevangen eer men er aan dacht!) maar daarop viel menige lichtstraal, die die tranen als parelen deden schitteren.
De Heere gedenkt Zijn Naam en zegent Zijn volk telkens en redt een arm (bedelarm 1) volk, dat op Zijne goedertierenheid betrouwt.
En die goedertierenheid, daarvan verklaart een profeet elders, dat ze beter is dan het leven, zoodat men beter eigen leven kan derven, dan Gods gunst, die ons doorbrengt door zondaarsnooden en zielsbehoeften, even goed als door benauwdheid der tijden en moeilijke levensomstandigheden.
Met den Heere, als zijn God, is de toekomst zoo donker niet; daarom is den Heere te zoeken, met Hem vrede te maken noodzakelijker dan alle andere dingen en de beste waarborg van noodige voorziening is nog altijd gelegen in het deelgenootschap van den Heere en Zijne gunst.
De tijdgeest spreekt zich duidelijk uit. De volksgeest openbaart zich wel. Och! dat de Geest des Heeren velen leide in Gods weg, aangewezen in Gods Woord, opdat de volkeren niet wegzinken in verderf en ondergang.
De nawerking van vele booze theorieën is kennelijk in de afwijking van 's Heeren waarheid; ook in allerlei misvatting, soms met zekeren gemoedelijken ernst gepaard.
Er zijn thans dagen aangebroken, in welke er reden is, om het volk toe te roepen:O Land, land, land! Hoort des Heeren woord! in welke een heilige oproep uitga, om bij den Heere te schuilen en Zijne gunste te zoeken.
In de hel is een boos plan gesmeed tegen den Heere en Zijne waarheid; 't is er om te doen om den mensch in zijn afwijking voort te drijven, om hem zelfs zonder gewetenstegenspraak Godloochenaar te doen zijn.
In den Heere zijn goedertierene gedachten; dat is gezegd; dat is bewezen; dat is bewezen in Nederland en daarom bidde het volk in vrijmoedigheid:
Toon ons Uw goedertierenheid, En geef ons Uw heil! .
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 september 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 september 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's