Stichtelijke overdenking.
Maar Ik heb tegen U, dat gij uw eerste liefde hebt verlaten. Maar dit hebt gij, dat gij de werken der Nicolaïten haat, welke Ik ook haat. Openb. 2:4 en 6.
Zwart, doeh liefelijk.
De Heere ziet Zijn Kerk zooals zij is, zwart in haar zelf, maar liefelijk in Hem die haar met Zijn heil heeft bekleed.
Ja, als vrucht van de zonde is en blijft daar, ook na ontvangene genade, in Gods volk altijd iets zwarts, in eigen oog worden Gods kinderen zelfs hoe langer hoe zwarter; maar als vrucht van genade wordt daar in hen toch ook altoos iets openbaar van de liefelijkheid welke zij in hunnen Christus bezitten.
Bijzonder duidelijk komt dat uit in de zeven Klein-Aziatische gemeenten aan welke de ziener op Patmos zijn brieven heeft gericht. Reeds in de eerste gemeente, de gemeente van Efeze heeft Johannes, in den naam des Heeren iets te laken, maar in'diezelfde gemeente heeft hij ook iets te prijzen.
Hetgeen de Heere in de Kerk van Efeze te laken had, was dat zij haar eerste liefde verliet. Het was dus wel een ernstige krankheid wier kiem in het hart van deze eens zoo bloeiende gemeente had wortel geschoten. De eerste liefde verlaten. Verstaat gij wat hier met deze eerste liefde wordt bedoeld? In het natuurlijk leven is dit het eigenaardige van de eerste liefde dat degenen in wien haar vuur gloeit, blind zijn voor elkanders gebreken en niets dan het goede in elkander zien.
Welnu, zoo is het ook in het geestelijke. Als daar van een eerste liefde gesproken wordt, dan wordt daar in den regel die liefde mee bedoeld die zich geheel in het geliefde voorwerp verliest. Natuurlijk kan er bij den natuurlijken mensch nooit van een eerste geestelijke liefde gesproken worden. Immers, inplaats van liefde tot God en Zijn dienst en Zijn Woord en Zijn volk in het hart te hebben, is de mensch van nature veeleer geneigd om God en zijnen naaste te haten. Alleen na ontvangene genade, door dé werking van den Heiligen Geest kan het woord van Johannes : wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad, weerklank vinden in onze ziel.
En wanneer die liefde dan pas in onze ziel tot ontwaking mocht komen, dan is die liefde een algeheele overgave voor ons zelf, een nawandelen van den Heere in een woestijn, in een onbezaaid land. Wie dan ook wel eens iets van die eerste liefde heeft ervaren, diens oog werd niet verzadigd van het zien op Jezus, diens geest kende slechts één verlangen, n.l. om zoo dicht mogelijk in de gemeenschap des Heeren te zijn. De eerste liefde is dan ook gelijk aan een vlammend vuur dat heel het leven van een kind des Heeren bezielt. En niet alleen dat het hart van zulk een geheel in liefde jegens den Heere is ontvlamd, maar daar is ook een onverbreekbare band der liefde aan Gods huis en Gods Woord en aan allen die een even dierbaar geloof zijn deelachtig geworden.
Welnu, zulk een machtig liefdevuur had eenmaal op den haard van de gemeente van Efeze gebrand. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat er in alle leden der gemeente zulk een machtige drang geweest was om bij den Heere te schuilen en den Naam des Heeren te verheerlijken, maar daar had toch zooveel overgave des harten aan den Heere in die gemeente bestaan, dat als 't ware die gansche
Kerk een geestelijke magneetnaald was geweest, die, hoe gij haar ook hield, altoos weer naar boven werd heengetrokken. In dien zin kon dus van deze gemeente getuigd worden wat de Heere in den ouden dag van Zijn volk Israël had gezegd: „Ik gedenk der weldadigheid uwer jeugd, de liefde uwer ondertrouw, toen gij mij nawandeldet in de woestijn."
Maar ziet, nu was die hartelijke liefde tot den Heere wel niet gedoofd — want dat kan niet, wanneer eenmaal een vonk der waarachtige geestelijke liefde in onze ziel is ontstoken, dan kan die vonk nooit meer gebluscht, — maar verkoeld. De liefde werkte niet meer zooals vroeger, de inwendige liefde tot den Heere was niet zoo brandend meer endaarmede in verband stond dat de liefde tot de broeders die uitwendig tot openbaring moest komen, ook veelzins getemperd was. Uitwendig was alles nog wel hetzelfde gebleven; de gemeente was dan ook om haar werken, om haar arbeid en om haar lijdzaamheid geroemd, maar het hart klopte niet meer zooals vroeger.
En dat is het nu, zegt de Heere tot de gemeente van Efeze, wat Ik tegen u heb.
De Heere keurt dus het zwarte dat Hij in die gemeente zag niet goed. Hij zegt niet: ach, dat is nu eenmaal zoo de gewone gang van het leven dat er zoo weinig standvastigheid en bestendigheid is, dat is nu eenmaal zoo, dat de liefde in plaats van rijker en dieper en inniger, vaak armer en oppervlakkiger en koeler wordt. Neen, de Heere zegt: dat heb Ik tegen u.
Wij moeten dan ook wel bedenken dat de Heere, die een jaloersch God is op Zijne eere, dat kwijnen der liefde in Zijn volk nog minder kan verdragen dan wij. Nietwaar, wij menschen kunnen het ook niet hebben als wij bemerken dat het hart der onzen trager klopt dan voorheen. Dat de haat van uw tegenstander feller nog wordt dan te voren, dat doet u niet aan, maar dat de liefde van uw man of uw vrouw, van uw kind of uw vriend armer gaat worden, dat kan voor uw hart zoo pijnlijk, dat kan niet zelden een doodsteek in uw beenderen zijn. En als dat nu met ons menschen reeds zoo is, hoeveel te meer zal dat dan het geval zijn met dien God die de Liefde zelve is, en die niet anders dan in een weg van, zij het door. Hem zelf gewerkte, wederliefde verheerlijkt kan worden.
Ja, de Heere wil het hart van Zijn volk. Mijn zoon geef mij uw hart. De Heere wil o zeker, ook arbeid, ook lijdzaamheid en geduld, maar als in dat alles geen hart klopt. als onze werken doode werken zijn, dan kunnen zij den Heere nooit aangenaam zijn. Vandaar ook dat de vermaning zoo ernstig is niet alleen tot de gemeente van Efeze, maar tot iedere gemeente en tot iedere ziel die haar eerste liefde verliet om te gedenken waarvan zij is uitgevallen, zich te bekeeren en weer de eerste werken te doen.
Maar niet alleen dat de Heere het zwarte gat Hij in die gemeente van Efeze zag, heeft gelaakt, maar Hij heeft ook het liefelijke dat Hij er, als vrucht van Zgn eigen werk vond, geprezen. En daar blijkt uit dat de Heere die het verkeerde in de gemeente niet had goedgekeurd om het goede dat Hij er zag, ook omgekeerd het goede niet uit het oog verloor om het kwade dat Hij er vond. Ook daarin is de Heere zoo geheel anders als wij. niet waar, wij menschen zijn in den regel zoo: als er heel veel goeds naar ons oordeel in een persoon of in een zaak te vinden is, dan nemen wij het met het kwade niet zoo nauw. En omgekeerd als wij er een groot kwaad in hebben opgemerkt, dan hebben wij dikwijls g«en oog meer voor het goede dat er, als een vrucht, het zij dan van Gods algemeene of van Gods bijzondere genade, nog is.
Maar de Heere die rechtvaardig is in al Zijne wegen, Hij keurt om het goede het kwade niet goed, en Hij keurt om het kwade het goede niet af. Omdat Efeze overvloedig was in arbeid, in lijdzaamheid en geduld, daarom had Hij het verlaten der eerste liefde niet verbloemd. Maar omdat Efeze haar eerste liefde verliet, oordeelde de Heere niet dat er nu ook niets goeds en niets liefelijks meer in die gemeente overig was. Integendeel, de Heere prijst deze gemeente in datgene waarin zij te prijzen is. Immers dit hebt gij dat gij de werken der Nicolaïten haat, welke Ik ook haat.
Nu hebben wij er wel op te letten, dat hier niet gesproken wordt van een haten der Nicolaïten, maar wel van een haten van hunne werken, d.w.z. een haten van alles wat uit hen voortkwam. Gij gevoelt wel dat dit niet hetzelfde is. Of ik de werken van iemand haat, dat is heel iets anders dan dat ik hem zelf haat. Of ik een vijand ben van sommige werken, zelfs van Gods volk, daarmee is nog niet bewezen dat ik daarom ook een vijand van Gods volk zou zijn. Wij moeten daarom altoos onderscheid maken tusschen den zondaar en de zonde die hij bedrijft.
Ook hierin gaat het Woord des Heeren ons voor. De Heere zegt niet dat Hij de Nicolaïten haat en ook niet dat het goed zou zijn dat zij zelf door de gemeente van Efeze gehaat zouden worden. Neen, maar het waren de werkingen der Nicolaïten, d.w.z. hunne leeringen en hunne daden die op die leeringen gegrond waren, die door den Heere zelf weirden verfoeid. En daarin kwam de gemeente van Efeze nu met den Heere overeen, dat er in haar van die werken der Nicolaïten ook een algemeene afkeer bestond.
Nu moeten we weten wie die Nicolaïten waren. Waarschijnlijk worden zij zoo genoemd naar een zekeren Nicolaüs. Of deze echter dezelfde was als een der zeven diakenen wier namen ons in Hand. 6 bewaard zijn gebleven,
Uit de Openbaring van Johannes echter, waar meer over deze kettersche secte gesproken wordt blijkt, dat zij zich misgingen in leer en in leven. Zij leerden dat de mensch in zijn lichaam maar zooveel mogelijk zondigen moest. Immers hoe meer de oude mensch, dien zij alleen in het lichaam zochten, zich misging, des te eerder had die oude mensch zichzelven verdorven, en des te eerder zou dus de nieuwe mensch, dien zij alleen in den geest zochten als een heilige leven kunnen.
Bovendien meenden zij dat de Heer hun allerlei dingen geopenbaard had, die Hij voor anderen had verborgen gehouden. Niet onwaarschijnlijk dat zij dezelfde waren die zich | volgens vers 2 van datzelfde hoofdstuk uit gaven voor Apostelen, die er zich dus oplieten voorstaan dat zij, zonder dat dit in waarheid zoo was, een ambtelijke roeping hadden ontvangen.
Deze Nicolaïten nu werden wat hun werken betreft door den Heere gehaat. Dat kan ook niet anders. De Heere toch moet alle dingen haten, die, hoe vroom zij vaak ook schijnen met Zijn Woord in tegenspraak zijn. En dat nu was ook in de gemeente van Efeze verstaan. Niet dat er waarschijnlijk niet enkelen in die gemeente geweest zijn, die zich tot deze Nicolaïten voelden aangetrokken. Misschien dat er wel waren bij wien zij vooral om hun verborgenheden, waarop zij zich lieten voorstaan, in een bijzondere reuke van heiligheid stonden. Maar de gemeente in haar geheel had zich door het vrome kleed waarin de Nicolaïten hun ketterijen gehuld hadden, niet laten misleiden. Integendeel, de gemeente als zoodanig had de werken der Nicolaïten gehaat, en zoo leefde daar in die gemeente dus iets van wat de dichter eens zong:
„Zou ik niet haten, Heere, die U haten en verdriet hebben in degenen die tegen U opstaan ? Ik haat ze met een volkomen haat; tot vijanden zijn ze mij."
Zietdaar dus wat de Heere in de gemeente van Efeze prees. En o, wat blijkt daaruit dat de Heere niet alleen een oog heeft voor het zwarte, maar ook voor het liefelijke in Zijn volk; een oog niet alleen voor hunne afkeeringen maar ook voor Zijn eigen werk dat Hij in hen heeft gewrocht. Immers dat de Efeziërs de werken der Nicolaïten haatten, het was waarlijk geen vrucht van eigen akker, maar het was een werk van Gods vrij machtige genade. En die vonk van genade wordt door den Heere niet uitgedoofd, maar aangeblazen. De Heere-zegt niet: gij hebt nu uw eerste liefde verlaten, en nu beteekent dat haten van de werken der Nicolaïten ook niets meer. Neen, maar dit hebt gij. D. w. z., als een vrucht van genade en van de werking des Geestes is dit nog in u overgebleven, dat daar een haten en een vlieden van de zonde, daarentegen een lust naar gerechtigheid is. Hier blijkt het dus alweer dat de Heere het gekrookte riet niet zal verbreken en dat de rookende vlaswiek door Hem niet wordt uitgebluscht.
En daar komt het nu ook voor een iegelijk onzer op aan. — Heeft de Héere ook in ons reeds iets dat waard is om door Hem geprezen te worden? O, te laken, te bestrafifen heeft de Heere in een ieder onzer zooveel. Maar is er nu al iets dat de Heere in ons prijzen kan? Dan zal het iets moeten zijn dat de Heere in onze ziel gelegd heeft, want de Heere kan alleen door Zijn eigen werk verheerlijkt worden. — Wee onzer als wij aan dat werk van Gods genade, aan dat haten en vlieden van de zonde nog gansch en al vreemd zijn gebleven. Wel onzer echter als de Heere een vonk van Zijn eeuwigheidswerk in onze zielen ontstak. Dan, o zeker, dan kan dat werk voor eigen bewustzijn soms o zoo bedekt wezen. Zelfs nadat de ziel de lente weelde der eerste liefde heeft mogen doormaken, kan daar, evenals in de gemeente van Efeze, een verachteren in de genade zijn. En nu moeten we nooit meenen dat de Heere dat alles goedkeurt. O neen dat dalen van de standaard van het geestelgk leven, dat armer worden in liefde, het is en blijft altoos iets dat de Heere tegen ons heeft.
Maar als daar een beginsel van het werk des Geestes in onze zielen gevonden mag worden, ls daar iets is van dat haten van de werken er Nicolaïten, iets van dat haten van de onde en dus ook iets van dat vermaak in de wet Gods naar den inwendigen mensch, dan zal de Heere niet laten varen de werken Zijner handen, maar dan zal Hij de liefde vonk aanblazen en zoo zal in het leven van Gods erk hier in beginsel en eens in volkomeneid het lied in vervulling gaan:
Waar liefde woont, gebiedt de Heer' den zegen. daar woont Hij Zelf, daar wordt Zijn heil verkregen. En 't leven tot in eeuwigheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 september 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 september 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's