De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

16 minuten leestijd

Van verborgen omgang.

XIX.

Zoo bleek ons dus de voorbidding van onzen Heere Jezus Christus voor het leven van Gods kinderen van het grootste gewicht.

Te midden der levensworsteling is het van belang te mogen weten, dat wij ook dan niet aan onszeiven zijn overgelaten, maar dat van uit den hemel Hij, die in alles eenmaal verzocht werd als wij en wien nu alle macht gegeven is, ontfermend op ons nederziet. Toch moet er nu nog de aandacht op gevestigd worden, dat die voorbidding van Christus hare hoofdbeteekenis verkrijgt in den verborgen omgang met den Heere Jezus bij de ontdekking voor den weg der rechtvaardigmaking, eenmaal voor het eerst en menigmaal ook weder na dezen. Daartoe bezigt de Heilige Schrift dan ook .een bijzonder woord, dat gewoonlijk op den Heiligen Geest wordt toegepast en slechts één enkele keer, in 1 Joh. 2 : 1, wordt gebruikt om ons de heilswerkzaamheid van den verheerlijkten Middelaar te teekenen. In de Statenvertaling wordt dat woord dan ook van den Heiligen Geest gebezigd, overgezet door Trooster, maar in de zooeven genoemde plaats uit 1 Joh. 2 : 1 werd het vertaald door „voorspraak". Indien iemand gezondigd heeft, zoo zegt de apostel, wij hebben eenen voorspraak bij den Vader, Jezus Christus den rechtvaardige. De eigenlijke zin van het woord is: er bijgeroepene, evenals ons woord „advocaat". Daardoor wordt dus gewezen op de rechtsbetrekking, waarin Gods kind zondaar gesteld wordt voor Gods aangezicht. Gods kinderen verschijnen in den weg van ontdekking als voor Gods vierschaar.

Bijzonder klaar wordt ons dat geteekend in Zacharia 3, waar Jozua de hoogepriester ons wordt voorgesteld als voor het aangezicht van den Engel des Heeren met den satan aan zijne rechterhand om hem te wederstaan. En als dan Jozua moet zwijgen, omdat hij niets tot zijne verontschuldiging kan aanvoeren, dan treedt de Heere op, die de schelding Gods over satan inroept op grond van de eeuwige verkiezing Gods. Met Gods recht hebben dus niet alleen de kinderen dezer wereld, maar ook die des Koninkrijks van doen. Ook Gods kinderen worden in het gericht betrokken. De wet getuigt tegen de zonden van alle mensehen. Juist daarom is het dan ook, dat van oudsher in de samenkomsten der gemeente allereerst de wet werd voorgelezen tot een getuigenis van Gods recht, opdat zij zich schuldig zal weten en schuldenaar geworden tot haar de verkondiging van Gods genade en der gerechtigheid van Christus zal uitgaan. Juist daaruit blijkt, hoeveel oppervlakkigheid er in de prediking van het Evangelie wordt gevonden als men opmerkt, dat vele dienaren des Woords de voorlezing van Gods wet niet meer geregeld noodig achten. Zij meenen, dat de wet geene, althans weinig waarde meer heeft en dat geregelde voorlezing overbodig moet geacht. Voor den diepen zin van de wetslezing is hun oog gesloten. Uit de prediking wordt het dan ook meestal wel duidelijk, dat zij met hun gebrek aan wetswaardeering ook het Evangelie van Gods vrije genade miskennen door er een vleeschelijke vroomheid voor in de plaats te stellen, die met het levende geloof ons in de Schrift gepredikt meestal weinig meer dan eenigé termen gemeen heeft, waaraan de levenskracht ontglipte. Voor Gods recht staat de gansche gemeente. Ook de geloovige verschijnt voor de vierschaar. Daarom wordt ons dan ook de Heere Jezus als voorspraak gepredikt. Het is wel waar, dat de wet niet kan zaligen en dat in den weg der rechtvaardigmaking door het geloof alle roem is uitgesloten en dat Gods kinderen niet zijn onder de wet maar onder de genade, doch daarmede is niet gezegd, dat wij van de wet af zijn, alsof zij geen de minste beteekenis meer voor ons heeft. Het is daarmede als met de bekeering ; wie haar deelachtig wordt eens voor het eerst, mag getuigen van zijne bekeering tot God, maar daarmede is niet gezegd, dat Bij nu verder met geene bekeering meer van doen heeft. Integendeel, Gods kind leert het wel anders op den levensweg. Het wordt hem daarna duidelijk, dat er eene inwonende zondemaoht is, die een dagelijkscbe bekeering noodzakelijk maakt. En in die behoefte aan dagelijkscbe bekeering is er nu ook steeds de zich op den voorgrond stellende wet Gods, die den zondaar veroordeelt en hem de behoefte aan telkens hernieuwde beke®ring doet levendig worden. Door de wet ontmoet Gods kind den Heere als zijn rechter en zichzelven als een zondaar, die in het recht betrokken wordt. En in dien rechtshandel wordt ons de Heere Jezus ook als onze voorspraak geteekend, die de twistzaak twist, die het pleit beslecht, die tegen den beschuldiger optreedt, die de aanklagers afwijst.

In de levensdiepte van Gods kinderen wordt het ervaren, hoe zij worden gelokt tot de paden der zonde, hoe daar in de conscientie een strijd wordt gestreden tusschen goede en booze machten, die als om de ziel worstelen. De bekoring der verleiding gaat uit.

Het gemoed wordt gestreeld doordat de machten der duisternis zich inspannen om de paden des verderfs als bij uitnemendheid schoon voor te stellen. Satan maant tot de zonde aan met de stem der vleiïng. En hoewel het oor te luisteren wordt gelegd, is er toch daarbinnen in de geheimnisvolle, wondere verborgenheid des gewetens een andere sprake, die waarschuwt en vermaant en tracht af te houden. Gods kind hoort ook die stem en hij luistert ook daarnaar. En zoo neigt zijn oor zich maar al te dikwijls naar twee zijden en wordt het aan hem openbaar, dat niemand twee heeren dienen kan. De verzoeking van Satan, zoo streelend voor het gemoed, komt telkens weder en telkens naar het schijnt met grooter macht, totdat eindelijk, maar nog geheel onverwacht, de val nabij is en het kind des Heeren zich laat afvoeren op den stroom der wereld om de verboden vrucht te grgpen. En nu is dit juist zoo merkwaardig, dat als dan eindelijk naar het reeds lang heimelijk begeerde de hand der zonde wordt uitgestoken en de bloem geplukt wordt, die door haar kleur en geur zoo al overheerschend aantrok, dat dan spoedig daarna diezelfde satans stem weder beluisterd wordt, maar nu in de sprake der beschuldiging. Wanneer de satan verleid heeft, dan komt hij daarna met de aanklacht. En als dan de Geest des Heeren ontdekkend werken gaat, zoodat het licht van Gods heilig recht straalt over de schuldige ziel, dan kan te midden van de zelfveroordeeling, te midden van de schuldbelijdenis voor God ook gehoord worden de beschuldiging van satan, die niet ophoudt de gruwelijkheid der zonde te verkondigen, waartoe hij eerst verleid heeft. Gods kind kan het dan hooren, dat het de wet Gods tegen beter weten in verbroken heeft, dat het gezondigd heeft tegen het licht in, dat hij bezat, dat het moedwillig gezondigd heeft, omdat de liefde tot de zonde en haar goed zoo diep geworteld is in zijn hart. En zoo wordt het hem bange.

De angst grijpt aan met macht. Hij leert spreken van banden des doods en van angsten der hel en moet klagen, dat het hem eertijds beter was dan nu.

In zulke toestanden nu wordt de Heere Jezus als voorspraak openbaar. Zulk een arme, worstelende, verlorene, die van alle zijden wordt aangevochten en die tot zelfverdediging niets overhield, mag luisteren naar de boodschap Gods, dat er een voorspraak is. Voor zulk een treedt de verheerlijkte Heiland in niet slechts als een Voorbidder, maar ook daadwerkelijk als een Voorspraak, die voor zijn worstelend kind optreedt en tegen de satanische beschuldiging, waarop het zelf niet kan antwoorden, het pleit gaat voeren. De voorspraak des Heeren sluit dan ook onmiddellijk aan bij zijne voorbidding. Is er in zijne voorbidding de voorbrenging van den Middelaarswii tot verlossing, de eisch dat Hem gegeven zullen worden aldegenen, waarop Hij krachtens den eeuwigen vrederaad rechten kan. doen gelden, in zijne voorspraak voert de verheerlijkte Middelaar in den hemel de gronden aan, waarop het recht der vrijspraak van het beschuldigd Gods kind rusten zal.

Hij legt die als voor Gods aangezicht bloot.

Daarom wordt ons de Heere Jezus voorgesteld als in den rechtshandel optredend op zulk een wijze, dat de klem der angst, die het beschuldigend geweten oplegt, de banden des doods, die er om gesnoerd worden, verbannen worden en in de ziel de vrede wordt herboren en de gerustheid en de zekerheid, die in de gerechtigheid van den Middelaar gegrond zijn. De voorspraak geldt düs het kind Gods, dat gezondigd heeft, dat voor het recht gej daagd wordt, dat verschijnen moet, dat zijn zaak bepleiten moet en dit niet kan. Daarom is er dan ook in het gebed van Gods kinderen de klacht van Job duizendvoudig verscheiden herhaald, dat men toch mocht rechten voor een man met God, gelgk een kind des menschen voor zijn vriend. In hunne harten leeft toch het diepe besef, dat zij allerminst in staat zijn iets tot verontschuldiging aan te voeren. In den weg der ontdekking moet ten laatste alles wat naar verontschuldiging lijkt worden losgelaten. Er mag nog een oogenblik zijn, waarop de zondaar van zich afwijst op de omstandigheden, op zijn naaste, op zijne medezondaren, op zijne verleiders en wat dies meer zij, het oogenblik komt toch, waarop hij door den Heiligen Geest gedreven van schuilplaats tot schuilplaats ten laatste belgdt, dat noch omstandigheden, noch medezondaren, noch verleiders de schuldigen zijn, maar hijzelf alleen, die in moedwillige ongehoorzaamheid het oor leende aan de listige omleiding satans.

Als het in zijne ooren klinkt: „die man zijt gij, " dan zal de bezwyking onder den last der zonde er zijn en worden geroepen om een Voorspraak, die de twist beslechten kan.

Zelf heeft hij afgedaan, zelf moet hij zwijgen voor de vierschaar Gods, ja meer, alle beschuldiging, die tegen hem ingebracht wordt, moet beaamd. Het brandmerk der schuld staat duidelijk voor hem geschreven en nu blijft niet anders dan de hope op den Voorspraak, op den advocaat, die het pleit zal overnemen, die het woord zal voeren. Daarheen gaat dan ook het oog van Gods kind, daarom gaat dan ook zijne roepstem op. En de Schrift leert het, dat zij zulk een Voorpreker hebben, die ook inderdaad bekwaam is om de taak te volbrengen. Onder de menschen schieten de voorsprekers dikwijls te kort, omdat zy en de macht en de gronden missen om het werk te doen. Onder de menschen bestaat de voorspraak gewoonlijk in eene vergoelijking van het kwaad, in een afdoen van de schuld, in een verklaren van de daad, zoodat zij het karakter der onvermijdelijkheid krijgt en dus minder schuldig ordt. Daarom is er in de voorspraak der menschen zooveel onwaarachtigheid en bedrog, bemanteling der zonden en verloochening van het recht. In het dagelijkscbe leven is de mensch der zonde in zijne zoogeaamde goedigheid maar al te vaak een advocaat van kwade practijken. Maar alzoo is het hier niet. Als de Schrift ons predikt, dat Gods kinderen een Voorspraak hebben, dan bedoelt zij niet daarmede te zeggen, dat er aan den gruwel der zonde wordt afgedaan en dat er vergoelijking wezen zou van het wade. Indien zulks kon, dan zou daarmede toch immers de klacht der conscientie niet gesmoord worden. De schuldenaar, die hoewel schuldig door den aardschen rechter wordt vrijgesproken, vindt in die vrijspraak toch geen rust. De bekwaamheid van zijn advocaat moge zoo groot zijn, dat voor de oogen der rechters het zwarte wit wordt, de in vrijheid getelde misdadiger zal toch in de eenzaamheid staan met de aanklacht van het beschuldigend geweten. Eu daarom zulk een voorspraak biedt de Heere Jezus niet. Zooals de liefde Gods en de gave van den Middelaar niet het recht krenkt, maar juist genoeg doet, zoo is ook in de voorspraak des Middelaars geen krenking van recht, geen afdingen op de zonde, maar de volle erkenning van het goddelijk recht over de zonde. Zoo zien wij dan ook Josua in Zacharia 3 geteekend als met vuile kleederen bekleed, als zelf zwijgend, dus als erkennend - zijne ongerechtigheid. En niet alleen hij zelf erkent de werkelijkheid zijner zonde, maar ook de Engel des Heeren doet aan die ongerechtigheid niet af. Zij wordt volkomen in rekening gebracht, nergens verontschuldigd, nooit vergoelijkt, maar gewaardeerd op het volle gewicht harer gruwelijkheid voor God. En toch treedt de Voorspraak op, maar nu met een beroep op zichzelven als die Gods vrederaad heeft volbracht voor dien zwijgenden, schuldigen Josua. Daarom wordt dan ook door den apostel Johannes ons de Voorspraak omschreven als Jezus Christus den rechtvaardige, die op grond zijner aangebrachte borggerechtigheid de vrijspraak eischen kan. Omdat het rantsoen betaald, de eisch des rechts voldaan is door den van God gegeven Borg, kan Hij nu ook eischen, dat de zondaar, voor wien Hij intrad, met zijne gerechtigheid ook de vrijheid erlangè. De Voorspraak stelt niet den zondaar, niet zijne zonde, niet de beschuldiging op den voorgrond, hoewel zij worden erkend, maar Zichzelven, Zijn werk. Zijn recht als door Hem in des zondaars plaats volbracht. Daarom juist is Hij dan ook bekwaam om een Voorspreker te wezen, dis inderdaad de vrijspraak verkrijgt en dat op zulk een wijze, dat alle beschuldiging voortaan verstommen moet. De vrijspraak, die Hij verkrijgt, reinigt ook de conscientie, geeft den vrede der ziel en de vrijheid der heerlijkheid van het kindschap Gods.

Het is dan ook duidelijk welk een groote beteekenis deze arbeid van den verheerlijkten Middelaar in den hemel heeft voor Gods kinderen in hun. levensstrijd en welk een bron van troost en hoop en moed en kracht er in Hem als Voorspraak is ontsloten.

Hij die in bekommernis omdwaalt, kan daaruit levenswater bekomen. Hoe menigmaal zijn zij zonder hope, zoodat de vreeze machtig wordt. Hoe dikwijls dwalen zij in donkerheid zonder schijnsel van verwachting, omdat zij al maar zien op hunne zonde, op wat hen oordeelt en afsnijdt. Hoe dikwijls staan zij voor de volle werkelijkheid van hun verzondigd ik met niets dan ongeloof, zonder eenig uitzicht, dan alleen op recht, dat aan henzelf voltrokken worden zal. Het leven van menig kind Gods gaat voorbij als in een schemering. Zg roepen wel, maar het schijnt als antwoordt nimmer iemand, zij klagen wel, maar hun klacht vergaat, als de echo door de ruimte , tot hen wederkeerend.

Het is een strijd vol bangheid, vol vreeze, vol angst, met eigen ongeloof, met satan, met wereld, met eigen zondig hart. Zij hunkeren naar ruste en vinden haar niet, naar zekerheid des heils en bereiken haar niet.

Zij hebben heimwee naar zielevrede en ontvangen hem niet. Waarom niet? Is dan de Heere niet machtig om te verlossen en is de gerechtigheid van Christus niet genoegzaam tot dekking hunner schuld? Zij zouden het niet durven ontkennen. En toch zij zelven genieten er niet van, voor hen schijnt het niet te wezen. Zij liggen als de kranke voor het badwater der gezondmaking, maar de ure om er in af te dalen gaat hun voorbij naar zij meenen en vreezen. En toch is het waarachtig, dat er bij den Heere een uitzien is om genadig te kunnen zijn, dat Hij is vol van ontferming, begeerig om te verlossen, om de blijdschap te doen smaken van het kindschap Gods. Dat Gods kinderen hier in de donkerheid verkeeren en zekerheid derven en blijdschap des heils missen, het is niet omdat des Heeren arm verkort is, niet omdat zijn heil ontbreken zou, noch ook omdat zijne gerechtigheid zou falen, maar alleen omdat zij er geen oog voor hebben, omdat zij zien op de golven en de baren hunner zonde, het oor open hebben voor de stemmen des oordeels en de bazuinen der vervloeking, die aan den mond gezet worden door de geesten uit de diepte, om Gods volk af te houden van de heerlijke genieting der in Christus hun geschonken gaven. De geesten uit de diepte zijn het, die de zonde als te groot verkondigen dan dat zij zou vergeven worden, die tot den worstelaar zeggen: „zulk een als gij zijt, kan niet ingaan". Geesten uit de diepte zijn het, die afleiden van Christus om het oor te luisteren te leggen naar wat de menschen, ook de vrome menschen soms, verhalen over hetgeen behalve Hem nog noodig zou zijn voor den ingang in Gods Koninkrijk. Welnu voor die alleen is er een rijke vertroosting in de voorspraak onzes Heeren. Beschuldigd van zonde en wetsverbreking voor den rechterstoel des Alwetenden, is er uitkomst in dien Voorspreker, die op grond zijner gerechtigheid het pleit kan bezorgen voor Dengene, die rechtvaardig oordeelt. Als de vraag komt, of Hij u vrel redden kan en wil, ofschoon gij de zonden vele hebt gemaakt, dan geeft Gods Woord zelf het antwoord door te wijzen op Hem.

De Schrift leert ons, dat hoe wij ook worden afgeleid en door de zonde dikwijls verrast, hoe ook de angst der hel moge opkomen uit de benauwdheid der conscientie, dit alles niets vermag, omdat wij een Voorspraak hebben, die kan vrijpleiten, die kan uitredden door zich te beroepen op zijn recht. Daarom nu wijst Gods Woord op Hem en op zijn werk als om ons op te roepen tot geloof in en hope op Hem. De Heilige Geest wil er ons door het woord der Schrift toe opleiden om de benauwde en klagende ziel de blijdschap te doen smaken van het groote goed, dat zij wel deelachtig is, waarop zij ook in Christus rechten kan doen gelden, maar dat haar ontgaat tengevolge van klein en ongeloof.

Voor het geloof alleen wijken alle machten der duisternis, omdat in het geloof de Christus in zijne zaligmakende kracht wordt ontvangen. In het geloof is feitelijk de onderwerping aan God, aan zijn Woord, aan zijn recht en aan zijne genade, het prgsgeven van het natuurlijk ik met alle vrees, die er in is. Tot dat geloof wil God zijn kind leiden, opdat het ook de blijdschap en den vrede des evangelies zal beleven. De voorspraak van Christus wordt ons gepredikt, opdat wij tot onze vertroosting zullen verstaan, dat de Heere van meetaf er op gerekend heeft, dat Hij slechts een arm en ellendig volk in deze wereld zal hebben. Hij weet, dat zijne kinderen stof zijn en kleven aan hét stof, dat zij geneigd zijn tot alle kwaad en onbekwaam tot eenig goed, dat zij in zichzelven vol ongeloof en onmacht zijn. Maar juist daarmede rekenende heeft Hij hun een Voorspraak gegeven. Hij weet dat zij moeten zwijgen, dat zij bij alle zwakheden en ellende niets hebben om zich op te beroepen, dat zij te midden hunner benauwdheden slechts kermen en klagen en zuchten kunnen en dat alle deze niet bij machte zijn om een zondaar uit te helpen.

Daarom gaf Hij een Voorspreker, die als onze eenige Hoogepriester in den hemel niet slechts eeuwig leeft om te bidden voor hen, opdat Gods Heilige Geest zal uitgaan om hen te vertroosten en te leiden in de waarheid, maar ook om een Voorspreker te zijn, die te midden onzer zondeworsteling en angst en strijd voor ons zal opstaan om tegenover alle beschuldigers zijn arm kind te doen verstaan, dat Hij den smid geschapen heeft, die de kolen in het vuur opblaast, die het instrument voortbrengt tot zijn werk, die ook den verderver schiep om te vernielen, zoodat alle instrument, dat tegen hen bereid wordt, niet zal gelukken en alle tong, die in het gericht tegen hen opstaat, zal verdoemd worden door hen, wier gerechtigheid is uit Mij, spreekt de Heere.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 september 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 september 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's