Stichtelijke overdenking.
Doch hij antwoordende zeide tot den vader: ie, ik dien u nu zoovele jaren en heb nooit uw gebod overtreden en gij hebt mij nooit een boksken gegeven opdat ik met mijne vrienden mocht vroolijk zijn. Maar als deze uw zoon gekomen is, die uw goed met hoeren doorgebracht heeft, zoo hebt ge hem het gemeste kalf geslacht. Luc. 15 : 29, 30.
Hoe bezwaarlijk.
Ieder die door genade heeft geleerd wat de Heere van Zijn schepsel vraagt, zal van niets sterker overtuigd zijn dan hiervan: wanneer het naar verdienste gaat is het met mij verloren. En wanneer mij het voorrecht te beurt valt dat ik het hoofd mag opsteken en mij de eerekroon wordt toegereikt, is het:
Door U, door U alleen om 't eeuwig welbehagen.
Hiervan draagt elk kind des Heeren de ervaring met zich om. Maar is dit ééne waarheid, daar staat ook eene andere tegenover.
Niets wat den hoogmoedigen eigengerechtigen zondaar meer steekt dan vrije gunst. Hij kan het God nooit vergeven dat Hij zulk een milde Gever is, hij gunt het een verlorene in zichzelven niet dat hij uit enkel genade gezaligd zou worden.
Ziet, dit is het wat de Heere in Luc. XV zoo treffend juist heeft geteekend.
De zoon, die als verlorene stond geboekt, iiad zich het vaderhuis weer zien ontsluiten. 't Was volop vreugde, de feestluchter was ontstoken, en waar zoo langen tyd rouw had geheerscht, weerklonken nu . de blijdste klanken.
Wie der bewoners zou hierin niet deelen? Immers ieder.
Neen, toch niet. Daar is één, die in dezen weg met een hart vol bitterheid alle vréugdebetoon weert. Hij weigert naar binnen te gaan.
De vader zelf treedt uit; hij vraagt — ja wat staat er — hij bidt hem: „kom toch binnen." Maar hij volhardt. Ja, in stee van den vader voor zulk een heerlijke ruime vaderliefde te huldigen, stapelt hij de ééne aanklacht op de andere.
Ik dien u jaren in volstandigheid, zonder eenig gebrek en... ik ontving niets om er me met mijne vrienden in te verblijden, maar deze, uw zoon — niet: mijn broeder — die alles doorgebracht heeft, ontvangt het allerbeste.
't Is zeker voor geene bestrijding vatbaar: zulk eene prediking was voor ieder, die haar hoorde, doorzichtig tot op den bodem.
Hoe mild en teeder, hoe lokkend was deze uitstalling van Godes rijke zondaarsliefde. Het verlorene vindt een open Vaderharte, als het „ik ben niet meer waardig" als stamelklank opstijgt.
Maar ook hoe treffend juist wordt het eigengerechtige menschenhart geteekend in zijn schrikkelijke vijandschap en alles aandurven tegen God en den naaste.
We verstaan het, nietwaar, hoe de schare als vanzelf in twee deelen werd verdeeld.
Daar waren de tollenaren, de zondaren, die zich tot dien Heere voelden aangetrokken als met onweerstaanbre kracht. Zij moesten hooren, zg moesten tot luisteren zich zetten of ze wilden of niet. Daar werd voor zoodanigen een weg geteekend hoe aan het verderf te kunnen ontvlieden.
Hier is een herder, die uitgaat.
Hier is een die als een vrouw haar huis met bezemen keert om toch maar die verloren penning in te rijgen.
Hier is een vader, die uitziet of hij, de verlorene, nog niet wederkeert.
Ja, hoe diep de ontferming indaalt, luistert toe, allen, die u onbekwaam voelt, om ook maar iets aan uwe zaligheid toe te doen. De Heere maakt het doode levend, en't is Zijne hand alleen, die het verlorene aangrijpt.
Bij het schaapken, dat afdoolde, moet het toegegeven dat het ingaan in de schaapskooi lag buiten het bereik van het sqhaapke zelve — ware hij, de herder, niet uitgegaan, het ware achtergebleven.
Bij de verloren penning kan elke gedachte van zelfbehoud worden geweerd. Hier was het de zoekende hand alleen.
Maar nu de verloren zoon. Hier staat een woord dat heel gemakkelijk uw aandacht kan ontglippen. Waarop we doelen is dit: „deze mijn zoon was dood en is weder levend geworden, en hij was verloren — en nu niet wat gij verwachten zoudt: is teruggekeerd — maar hij is gevonden."
Och, leest het nog eenmaal, gij die u onmachtig weet om den Heere aan te grijpen.
Alles loopt uit op dit refrein: daar is Eén, Die verlorenen zoekt. Die verlorenen vindt. Die niet ophoudt voor dat de feestjubel weerklinkt: behouden, behouden voor eeuwig."
Wat 'n liefelijke prediking.
Maar nu de keerzij.
Is dat niet iets grievends, iets wat den hoogen mensch tegen zijn borst stuit: als een verlorene behouden te moeten worden, als een uitgeschudde, gansch ontbloote te vallen aan 's Heeren voeten: och neem mij toch op, al is het ook de laagste plaats, zelfs deze heb ik me onwaardig gemaakt, 'k Heb alles verzondigd.
Ziet hier is slechts lokking, liefelijkheid naar ééne zijde en dat is voor de recht-loozen.
Voor hen is het zoo heerlijk dit te mogen beluisteren: de Heere zoekt en vindt zulke zondaren als ik er een ben.
Maar waar dit uitbleef, waar men in dienstbetrekking meent te kunnen staan bij den Allerhoogste, is het zoo in de diepste mate krenkend: waarvoor ik me inspan boven mgn krachten, waarvoor ik mijn uiterste best doe, zou dat gegeven worden zóó maar, uit enkel genade?
Neen, dat krenkt me.
Met goddelooze menschen op ééne lijn gesteld te worden, zulken met den brpedernaam betitelen, het is voor den eigengerechtige hooggevoelende ten eenenmale onmogelijk. Hij kan het niet.
Er is voor een eigengerechtige geen moeilijker zaak dan deze: God den Heere in het bewijzen van Zijn gunst, d. i. in het zaligen. Zijn welbehagen te laten doen.
Ach, de zonde maakte en maakt den mensch zoo blind. Daar is geen licht in dat oog om op te merken wat God deed en nog doet. Hij werd stekeblind om dit op te merken.
Wat hij zelf doet, dat mag bezien, maar van Gods zijde zijn het niet dan onbillijkheden. Het lied dat de mensch van zich zelven heeft opgesteld heeft dit slotaccoord: wanneer één het waardig is in den hemel op te klimmen, zoo geldt het mij.
Hij ziet niet dat heel zijn weg valt buiten de grenzen van het rijk van dezen koning. Hij verstaat het niet dat de scepter, die hier wordt bewogen, rust in vingeren van de zuiverste liefde, d.i. gevende om niet."
En nu, M. G., hoe zou deze band ooit worden gelegd dan aan het harte, dat de teekening leerde onderschrijven:
Gelijk een schaap heb ik gedwaald in't rond. Dat onbedacht zijn herder heeft verloren, het harte dat met tranen mocht beweenen: al mijn goederen, waarmede God me eenmaal sierde, bracht ik door op een weg en op een wijze, die den Allerhoogste op het smartelijkst moest treffen.
Maar — en hiervoor zal Hij eeuwiglijk moeten geprezen — over wier hoofd de reddende Middelaarsarmen zich uitbreidden met *kleed dezen naakte met het sierlijkste kleed, steek hem den ring aan den vinger en laat de feestluchter ontstoken worden", want alzoo wordt de zuiverste liefde verheerlijkt.
Dat is enkel genade.
Zoo wordt Gods welbehagen gepredikt: het niets uit ons, het al uit Hem, zoo komt men in Jeruzalem.
Ziet hier de lijn door den Heere zelf getrokken. In den hemel blijft geen andere klank over dan van God-verheerlijking.
„Gij hebt ons gekocht." „Gij hebt ons gezaligd, üw Naam zij groot gemaakt eeuwiglijk."
Hier golft alles wat mensch heet en voor God niet bukt, tegen in.
De oudste broeder uit de gelijkenis voelde zich bitterlijk gegriefd.
Met zulk een wilde hij niet samenwonen. Met zulk een broeder — wij zullen eens een practische lijn trekken.
Ge hebt zeer denkelijk eene vraag. Is deze oudste ook nog binnen gekomen ? Is hij nog — al was het ter elfder ure — voor de lokkende vaderstem: „kom nog" bezweken?
Ge vraagt meer dan het Woord geeft. De Heere heeft opeens den sluier neergelaten.
Waarom zou dat zijn?
Omdat het slot zoo droevig was of — en zou dit niet het juiste zijn — opdat een iegelijk, die deze gelijkenis hoort, zich voor deze vraag stelle: blijf ik soms als die oudste ook nog buiten staan?
Is die eigengerechtige soms nog mijn beeld ?
Hij wilde niet ingaan. Dat is wel iets vreeselijks: zich te ergeren aan het behoud van een reddeloos verlorene,
O, Gel., het is toch zoo duidelijk hoe de grondlijnen loopen van een menschenhart: hij gunt een die omkomt niet het leven.
En wat zou nu de diepste grond van alles nog zijn: de eigengerechtige, hoogmoedige mensch kan God geen God laten. Hij mag met het Zijne niet doen naar Hij wil.
Wat zou toch meer voor de hand liggen dan dit, dat er geen blijder klanken oprijzen dan uit een keel, die vanuit de benauwdheid heeft geroepen.
Wiens oog zou blijder schittering geven, die meent en belijdt: gij geeft me waarop ik recht heb, wat ik me waardig heb gemaakt; of die het uitroept: ik heb den dood verdiend en ge geeft me 't eeuwige leven?
Hoe is thans uw levensopenbaring ? Ergert ge u aan vrije genade, hebt ge nog een innerlijke afkeerigheid om als eenverlorene behouden te worden? Hoort dan nog de bede des Vaders:
Wil toch niet stug, gelijk een paard, [weerstreven,
Of als een muil, door domheid [voortgedreven.
Weet, wanneer de knie zich niet buigt en het harte leert niet schreien, dat eenmaal de poorte zich slniten zal voor uw aangezicht.
, Ook.de bede van onzen Heere Jezus Christus — immers Hij wordt in deze gelijkenis ons hier voorgesteld — zal eenmaal tegen den eigengerechtige getuigen. Hij zal het den onbekeerden halstarrigen zondaar eenmaal voorhouden: Ik heb nog bij u buitengestaan en gevraagd: kan zulk een grenzelooze liefde, als hier bewezen wordt, uw harte niet teeder maken ?
Aan Godes liefde in Christus aanstoot te nemen, dat is de bitterheid in dit leven, dat is de ergernis van hiernamaals in den eeuwigen afgrond.
Wat is het dan een zaak om zich eeuwiglijk in te verheugen, wanneer men als een verlorene zich gevonden weet.
Ik zocht niet naar den Heere. Ik vroeg nooit — of 't was slechts uitwendig —naar een God. Daar was heelemaal geen opzien naar Boven. Al mijn goederen, waarmede de Allerhoogste me had begiftigd, gaf ik uit; al was het niet op zulk een wijze als hier door den oudsten zoon werd genoemd, toch was het in den grond hiervan niet verschillend.
Het was hetzelfde waarvan de Dichter zingt: het was een af hoereeren en God den trotschen nek toekeeren; tot ik alles kwijtraakte waarmede ik me tot dusverre verblijdde.
Alles kwijt, alles verloren.
Maar ziet, hier kwam het keerpunt, waar God me bracht: ik kwam tot me zelven. Ik zag wie ik was geworden, maar ook daar kwam een begeerte, een onweerstaanbre begeerte om terug te keeren. Ik zal belijdenis doen van al mijne overtredingen. Als Hij mij maar wil aanzien, als Hij mij maar een oogenblik wil hooren, ik zal zeggen: ik heb gezondigd, ik ben niet waardig.
Ziet, dat besluit en die uitvoering waren de eerste regels van het lied der behoudenis: Hij heeft me behouden, als een verlorene gered.
Verblijdt u in dit vooruitzicht dat de hemelzaal zich eenmaal voor u zal ontsluiten, gij kinderen Gods. De vroolijkheid, welke nu in uw hart is, is nog maar een begin. Straks zult ge het gerei en het gezang hooren.
Wat zeg ik — dan zal om uw schouder een feestkleed hangen, om uw vinger steekt de Engel, die voor den Troon is, den eeuwigen trouwring, dan zal uw voet nooit geen pijn doen van het schoeisel, dan is het eeuwige vreugde en eeuwige heerlijkheid in den Heere.
Dan heft heel de hemel aan:
Wij steken 't hoofd omhoog en zullen d'eerkroon dragen
Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 september 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 september 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's