Uit het kerkelijk leven.
Is de Ned. Herv, Kerk de Geref. Kerk?
XVIII.
De meerderheid van de Commissie was het niet met Prof. Kruyf eens. Men beweerde o.a. dat de wijziging niet zoo ingrijpend was als men wel meende, daar de aangenomen verandering in art. 39 volstrekt niet bedoelde de belijdenisvragen facultatief te stellen, noch ook de bedoeling had om vrijheid te geven te vragen wat men wilde (blz. 322, 323 Handel. Synode 1879.)
Of het evenwel goed was om de in 1878 aangenomen wijziging woordelijk zoo te houden, daarover werd nog ai heel wat gesproken. Want er waren onderscheidene leden der Synode die oordeelden dat het beter was de invoeging'-" wat anders te stellen, b.v. de secretaris, de heer Anspach en ook Ds. Bruna.
Ds. Bruna, predt. te Hasselt, stelt voor art. 39 na „godsdienstoefening" te 'doen luiden, „bij welke hun, althans wat het wezen der zaak betreft, de volgende vragen ter beantwoording worden voorgelegd" en wat daar meer volgt. (blz. 326 Hand. Synode 1879.)
De algemeene beraadslagingen in de Synode over de invoeging in 't algemeen en over onderscheidene voorstellen of amendementen ingebracht, nemen nog al een breede plaats in.
Er zijn leden die zeer er tegen gekant zyn dat de invoeging weer zou weggenomen worden. Zij vreezen dat dan de Hervormde Kerk zich zou vastleggen aan een vaste geformuleerde belijdenis (biz. de 1ste vraag) - „hoedanige naar zij meenen de Herv. Kerk in Nederland nooit heeft gehad en waardoor zij haar Protestantsch karakter verliezen zou. Bij de aanneming en bevestiging van lidmaten zou de leer het zwaartepunt worden en de groote hoofdzaak, het volgen van Jezus, op den achtergrond gesteld worden."
Anderen zeggen zéér voor de vaststelling van de invoeging te zijn, daarbij verklarende dat zij zelf geen bezwaar hebben tegen het gebruik der bestaande vragen, maar zij achten de invoeging noodig „tot handhaving der Protestantsche vrijheid en om een groot aantal van predikanten, die ten aanzien van de eerste vraag het non possumus („wij kunnen niet") uitspraken, niet. te plaatsen voor de keus om bij het gebruik dier vraag een voor hun geweten pijnlijk voorbehoud aan te nemen of hun ambt neer te leggen. Naar hunne overtuiging moet hier ook rekening worden gehouden, evenals zij bij de behandeling van het Reglement op de uitoefening van de regten der minderheden hadden gewenscht, met den vooruitgang op wetenschappelijk gebied, waardoor vooral bij de jongelingschap gansch afwijkende beschouwingen omtrent het wezen van Godsdienst en Christendom zijn ontstaan en het gevaar niet ligt geacht worden, dat vele gemeenteleden met hunne predikanten de Kerk zullen verlaten" enz.
Nog anderen zeggen „dat grooter gevaar nog wordt gevreesd" n.l. „dat het vasthouden aan éene bepaalde belijdenisformule in het wezen der zaak de weg naar Rome zal zijn." (blz. 327.)
Tegenover deze beschouwingen worden velerlei bedenkingen ingebracht. Er wordt op gewezen, hoezeer door mannen van verschillende, zelfs ook van moderne richting, tegen verandering van de vragen is gewaarschuwd. Daarbij heeft de invoeging tegen dat zij voor de modernen niet ver genoeg gaat terwijl] de rechtzinnigen haar niet begeeren. Ook zal het een moeilijkheid ziijn om uit te maken, wat als met Christelijk Hervormd karakter overeenkomende zal kunnen beschouwd worden, en dus zal het bijvoegsel aanleiding geven tot het doen van allerlei vragen, wat een bron van nieuwen twist en van processen zal kunnen worden. Te meer vrijheid vinden deze leden der Synode om de vaststelling van het bijvoegsel te ontraden met het oog op de lidmaten, die nu allicht geplaatst zouden kunnen worden voor vragen, hetzij in streng confessioneelen, hetzij' in overdreven modernen zin, tegen wier beantwoording hun geweten zou moeten opkomen, terwijl zij volstrekt niet deelen in de bedenkingen, die tegen het behoud der eerste vraag werden ingebracht.
Zij kunnen niet toegeven, dat daarmede inbreuk zou gemaakt worden op de Protestantsche vrijheid, daar namelijk die vrijheid niet in negatieven zin mag verstaan worden, maar, naar haar historischen zin, als verbonden met het geloof aan de Schriften, verbonden met de erkenning der Evangeliewaarheid. 'Waarbij ook geldt, dat waarlijk niet te veel van aankomende lidmaten wordt gevergd, wanneer hunne instemming met het minimum eener Christelijke geloofsbelijdenis gevorderd wordt.
Opgemerkt werd voorts, dat het belijdend karakter der Kerk geenszins mag worden prijsgegeven en dat het vasthouden aan de evangelische waarheid, ons door Jezus en de Apostelen overgeleverd, volstrekt niet is de weg naar Rome bewandelen, enz. (blz 327— 329 Handel. Syn. 1879)
"Veranderingen door de heeren Lakerveld en Anspach voorgesteld worden achtereen volgens met 15 tegen 4 en 11 tegen 8 stemmen verworpen.
In het a gemeen was tegen het voorstel Lakerveld ingebracht: , dat zulks wel zou passen voor de bevestiging van lidmaten bij eene vrije christelijke gemeente, maar niet bij onze Hervormde Kerk; en het aan de Synode, die haar vertegenwoordigt, volstrekt niet zou voegen, mede te werken, dat bij de toetreding van lidmaten geheel zou worden terzijde gesteld, wat haar van andere Protestantsche Kerkgenootschappen onderscheidt, (blz. 331)
De secretaris der Synode, de heer S. F. van Hasselt, geeft als zijn meening te kennen „dat, indien aan de predikanten de bevoegdheid zal worden toegekend om de vragen anders te formuleeren, dan zij nu luiden, het volstrekt noodig zal zijn, dat de aannemelingen tijdig van den inhoud onderricht worden, opdat zij niet gesteld worden voor vragen, waarmede zij niet zouden kunnen instemmen en dat daarvan ook mededeeling aan den Kerkeraad worde gedaan, als waarborg tegen altoos mogelijke willekeur, in welke richting ook (zie blz. 332.)
Diensvolgens deed hij een voorstel, de volgende alinea aan de nieuwe redactie van art. 39 toe te voegen: „Bij voorgenomen afwijking van de in de eerste vraag genoemde formule wordt minstens veertien dagen vóór den dag der aanneming zoowel aan de aanstaande lidmaten als aan den Kerkeraad door den predikant of de predikanten, die met de aanneming belast zijn, schriftelijk medegedeeld, welke vraag zij daarvoor in de plaats zullen stellen (icie blz. 325.)
Men vreest, dat de verlangde mededeeling aan den Kerkeraad kritiek zal uitlokken, waarbij tusschen Kerkeraad en predikanten groote verwikkelingen kunnen komen.
't Voorstel wordt met bijna algemeene stemmen verworpen (blz. 333).
Daarna kwam de redactie van het bijvoegsel van 8.rt. 39, zooals het door de Synode van 1878 voorloopig was aangenomen, in stemming en wordt nu door de Synode van 1879 met 10 tegen 9 stemmen .... verworpen!
Met den heer Kruyf adviseerde ook de secretaris tegen; de hoogleeraar Acquoy adviseerde er voor.
De leden die er voor stemden waren de heeren Luti, Waalsch predt. te Middelburg, van der Veen, oud-ouderl. te Hoogeveen, van der Hoeve, ouderl. te Keppel, van Duyl, predt. te Broek in Waterland, Jans, predt. te Westzaan, Prins, predt. te Korte Zwaag, Bruinwold Riedel, predt te Waaxens, Anspach ouderl. te Deventer en van Lakerveld, predt. te Helmond.
De leden die tegen stemden waren de H. H. Creutzberg predt. te Arnhem, van den Brandeler ouderl. te 's Gravenhage, Janssen predt. te St. Anna ter Muiden, "VerhoefF predt. te Utrecht, Bruna predt. te Hasselt, Reitsma predt. te Groningen, P. Hofstede de Groot, oud-ouderl. te Groningen, de Man oud-ouderl. te Breda, van Eerde predt. te Westerbork en de president G. Molenkamp predt. te Delft.
Nadat alzoo het werk van de Synode van 1878 ongedaan was gemaakt — komt een voorstel aan de orde van den heer Bruna, om wel, zooals door de voorloopig aangenomen redactie bedoeld werd, meer ruimte te geven, maar wat daarin voorkomt van „overeenstemming met het Christelijk-Hervormd karakter der Kerk" meer verstaanbaar te maken en derhalve art. 39 na „godsdienstoefening" te doen luiden: „bij welke hun de volgende vragen, althans wat het wezen der zaak betreft, ter beantwoording worden voorgesteld, enz."
Tot nadere toelichting van de strekking van zijn voorstel wijst de heer Bruna erop, dat bij de voorloopig aangenomen redactie ondersteld wordt, dat geen andere dan soortgelijke vragen bedoeld worden, en, wanneer nu door zijn voorstel gelegenheid gegeven wordt om b. v. voor eerstgeboren Zoon, dat toch in tweeërlei zin wordt uitgelegd. Geliefde Zoon of iets dergelijks in de plaats re stellen, daartegen geen overwegend bezwaar kan bestaan, en hierdoor de door velen verlangde ruimte gegeven wordt, voor zooverre zij slechts bedenking hebben tegen het opleggen der verplichting om zich aan de letter der vragen te houden.
Over deze zaak wordt lang gesproken. Vele leden hebben bezwaar om dit voorstel goed te keuren. Ze vreezen, dat er veel misverstand door zal geboren worden, 't Eenvoudigste vindt men dat op een of andere manier zal worden verklaard bij art. 39, dat geen letterlijk gebruik der vragen verlangd wordt.
Intusschen is Ds. Bruna tot een andere gedachte gekomen. Hij zelf vindt zijn omschrijving ook niet al te duidelijk en hij stelt in de 35ste zitting van 25 Aug. 1879 voor om in art. 39 in te voegen: „bij welke hun de volgende vragen, althans wat betreft den geest en de hoofdzaak van de daarin vervatte belijdenis, verklaring en belofte, ter beantwoording worden voorgesteld". Hij meent, dat .predikanten van alle richtingen, de uitersten er buiten gelaten, door deze redactie zullen kunnen bevredigd worden. De bedoeling is alleen, letterdienst te weren, maar evenzeer ook alle willekeur of verwijdering van den Christelijken bodem. De bewoordingen geest en hoofdzaak zijn aan art. 27 van het Regl. op het examen ter toelating tot de Evangelie-bediening en art. 19 van het Regl. op het Godsdienstonderwijs ontleend en duidelijker nog dan in zijn oorspronkelijk voorstel komt het hier uit, dat men den we'zenlijken inhoud van alle drie vragen wil behouden, om bet belijdend karakter der Kerk te handhaven en de aannemelingen zich zoowel omtrent hunne belijdenis als omtrent hunne gezindheid en voornemens te doen verklaren, (blz. 336) Omdat er enkele leden zijn, die twijfel opperden of, wanneer het voorstel Bruna mocht wordenaangenomen, de Kerk niet weer gehoord zou moeten worden, dewijl het voorstel geheel nieuw was, laat de president daarover eerst stemmen. Met 12 tegen 7 stemmen wordt de vraag in ontkennenden zin beantwoord.
Bij de discussie over het voorstel Bruna, dat alsnu aan de orde kwam, merken enkelen op, dat de verandering zoo „ruim" is en daarom is men er tegen. Daarop wordt geantwoord, dat men blijven moet binnen de grenzen van de 1ste vraag.
Het voorstel Bruna wordt daarna aangenomen met 10 tegen 9 stemmen en de verandering van artikel 39 dienovereenkomstig vastgesteld om aan de goedkeuring van de leden der Kerkbesturen onderworpen te worden.
Tot aanneming van het voorstel van den heer Bruna adviseerde de hoogleeraar Acquoy en stemden de heeren Luti, Waalsch predikant te Middelburg, van der Hoeve, ouderling te Keppel, van Duyl predt. te Broek in Waterland, Jans predt. te Westzaan, Prins predt. te Korte Zwaag, Bruinwold Riedel predt. te Waaxens, Bruna predt. te Hasselt, Anspach ouderling te Deventer, van Lakerveld predt. te Helmond en van der Veen oud-ouderling te Hoogeveen.
Tegen adviseerden de hoogleeraar Kruyf en de secretaris en stemden, ; de heeren Creutzberg predt. te Arnhem, van den Brandeler «ouderl. te 's Gravenhage, Janssen, predt. te St. Anna ter Muiden, Verhoeff predt. te Utrecht, Reitsma predt. te Groningen, P. Hofstede de Groot oud-ouderling te Groningen, de Man oud-ouderling te Breda, van Eerde predt. te Westerbork en de president Ds. G. Molenkamp predt. te Delft.
In diezelfde zitting werd ook de wijziging in art. 38 Regl. Godsd. onderw. vastgesteld, waarbij aan iederen predikant het recht wordt toegekend om zijne eigen leerlingen te bevestigen.
(Wordt vervolgd.)
Wat nu?
Onwillekeurig komt de vraag bij velen op: wat zullen de gereformeerden nu doen, nu het voorstel tot schrapping van de woorden „geest en hoofdzaak" in art., 39 Regl. Godsd. onderwijs verworpen is door de Synode ?
Wat de. modernen zouden gedaan hebben, wanneer de schrapping bestendigd was geworden, is bekend.
Ze zouden zijn heengegaan....
Wat niemand geloofde, gelooft, noch ooit zal gelooven ...
Maar wat, zullen de gereformeerden nu doen, nu de schrapping niet is bestendigd?
Zullen zij nu heengaan?
Wij meenen, dat alleen zij dat kunnen vragen en vermoeden die nooit met ernst gevolgd hebben, wat er eigenlijk gebeurde en wat er werd geschreven, alleen maar afgaande op enkele opmerkingen van buitenstaanders.
Want die waarlijk serieus meegeleefd hebben, weten, dat van de gereformeerden iets gansch anders is te wachten, dan nu te zeggen: we moeten maar heengaan!
We willen even aantoonen waarom.
De gereformeerden maken onderscheid tusschen de Synode en de Kerk. Wat de Synode zegt, zegt daarom de Kerk nog niet. En waar het reeds een jaar geleden was te voorspellen dat, behoudens bizondere omstandigheden, het voorstel tot schrapping van de woorden „geest en hoofdzaak" door de Synode met 10 tegen 9 stemmen zou worden verworpen (wat ook is geschied) daar stond nog te bezien, of dat óok de stemming der Kerk was. En met doorslaande bewijzen is aan te toonen, dat de Kerk de schrapping begeerde, wat op de Classicale vergaderingen is gebleken en ook in de Provinciale Kerkbesturen is uitgekomen.
En indien Zeeland vrij ware geweest om iemand aan te wijzen als afgevaardigde naar de Synode, had Dr. Weyland dit jaar geen zitting gekregen.
Als Ds. Schrieke een paar weken langer ziek was geweest en Ds. de Haan van Zwolle ware gebleven in den Haag, dan was de stemmenverhouding anders gevallen.
Als Menthen niet voor Arnhem had gezeten, als de Waalsche Commissie (die feitelijk buiten ons kerkelijk leven staat) geen 2 stemmen had uitgebiacbt — ziet, dan was de uitslag in de vergadering van de Synode gansch anders geweest.
Zoodat we weten, dat de Kerk als zoodanig niet heeft gesproken en zelfs de Synode gemakkelijk bèel anders had kunnen oordeelen zonder voor dit laatste zulke heele wonderlijke en onmogelijke en onbillijke omstandigheden te noemen.
Waarbij N. Brabant en Limburg desnoods 1 orthodoxen en 1 modernen afgevaardigde had kunnen zenden; ja zelfs 2 modernen had mogen afvaardigen!
De toestanden dus nuchter beschouwende en de stemming in de Kerk ziende — ten spijt van mannen als Dr. Bronsveld, Dr. de Hartog en anderen — zeggen we met een vrij geweten: wat de Synode deed, deed de Kerk niet.
De Kerk is in deze beter dan de Synode!
Maar dat niet alleen.
De omstandigheden waaronder de schrapping van de woorden „geest en hoofdzaak" is verijdeld, doen ons duidelijk zien, dat het laten staan van die woorden volstrekt niet beteekent — althans voor niemand die eerlijk de dingen wil nemen zooals ze zijn —: „we geven aan de modernen recht om vrij te spreken en te handelen, zooals ze als modernen dat wenschen te doen en verplicht zijn te doen".
Dat kan en mag niemand uit het nietschrappen van de woorden „geest en hoofdzaak" concludeeren.
De niet-schrapping van die woorden is niet voortgekomen uit de overtuiging van enkele orthodoxen: de modernen moeten gelijke rechten hebben in de Herv. Kerk met de orthodoxen.
Heelemaal niet!
Mannen als Ds. Schrieke c.s. hebben gesproken en gestemd naar hun eigene opvatting die ze hebben aangaande formules enz. Maar ze hebben daarbij uitgesproken, dat, waar de woorden „geest en hoofdzaak" zullen blijven staan, niemand in de Ned. Herv. Kerk daardoor het recht had of verkreeg, om te leeren wat men wilde en te vragen wat men wilde en te antwoorden wat men wilde.
Laat men de getuigenissen van Prof. van Nes, Ds. Schrieke enz. maar eens eerlijk nemen zooals ze daar liggen!
Of om de woorden van Dr. Bronsveld nog eens in herinnering te brengen, schreef hij niet, toen hij zich tegen de schrapping verklaarde (waar hij eerst zich vópr verklaard had), dat hij niet begrijpen kon, hoe een moderne het over z'n geweten kon verkrijgen, om in de Herv. Kerk te blijven, daar hij in flagranten strijd is met den geest en de hoofdzaak van de belijdenis der Kerk, in historischen zin opgevat?
De modernen, die in de Ned. Herv. Kerk blijven, ook waar de woorden „geest en hoofdzaak" in art. 39 Regl. Godsd. onderwijs taan, kunnen alleen blijven door willekeur, maar geenszins naar recht!
Dat wenschen we dan ook geen oogenblik te vergeten.
Zooals de woorden „geest en hoofdzaak" in het Reglement G. O. zijn gekomen, zoo zijn ze er ook in gebleven nu.
Door een combinatie van gevoelens, dis overigens principieel verschillen en waarbij steeds uitkwam: een ontkenning van de hoofdwaarheden onzer kerkelijke belijdenis, bizonderlijk een ontkenning van de godheid van Christus en de verzoenende kracht van Zijn bloed, willen we niet.
Men wilde vrijheid in formuleering, vrijheid in het gebruiken van woorden en zinnen.
Maar geen onbeperkte vrijheid.
Een vrijheid die steeds gebonden bleef, door den geest en de hoofdzaak van de belijdenis van een drieëenig God en de belijdenis aangaande den Verlosser en Zaligmaker Jezus Christus, Gods eeniggeboren Zoon, onzen Heere.
Die dus zegt, dat onze Herv. Kerk modern geworden is, bazelt wat, 't geen men zelf onmogelijk kan verantwoorden en waarvoor men onmogelijk eenig bewijs kan aanvoeren.
Onze Herv. Kerk is met haar belijdenis in allerlei dwaalwegen gekomen; ze is in zondige paden verzeild geraakt; ze is krank, doodelijk krank.
Maar dood is ze niet.
Ze is niet de valsche Kerk geworden.
Ze is krank; gevaarlijk krank.
Doch er gaat een ritseling des Geestes door de toppen van de hoornen!
Er is in stad en dorp herleving van de gereformeerde beginselen.
Er komt een vragen naar de oude paden.
Er zijn moedgevende, verblijdende teekenen onder professoren, studenten, predikanten; in het midden van Kerkeraden en Classicale vergaderingen.
Ea ja — het zitten in banden houdt aan. Een ongoddelijke, onschriftuurlijke, halstarrige, schadelijke macht verheft zich en handhaaft zich, om over de Kerk te heerschen en haar te dwingen in wegen te gaan, die met Gods Woord in strijd zijn en die strijden met het wezen der Kerk en die schadelijk zijn voor alles.-
Maar er is in het midden van de Kerk op te merken, dat men het zondige en verkeerde en schadelijke van deze dingen voelt en méér nog gaat voelen. Er is op te merken, dat men protesteert en doet wat men kan doen, om tot verandering te komen.
Er is een sterke stem des geroeps opgegaan uit het midden van de Herv. Kerk, waaruit bleek, dat men verlangend vraagt naar andere toestanden.
En dat zegt ons o'! zooveel.
Dat zegt ons, dat van de Ned. Herv. Kerk als zoodanig niet gezegd kan worden dat zij dood is; dat zij ongevoelig is; dat zij willens en wetens zondigt, zonder dat ze verblikt of verbloost.
Neen, er is een schreien tot God; er is een erkennen van zonde en schuld.; er mag met Daniël worden uitgeroepen: „Heere, bij U is de gerechtigheid en bij ons is bescbaamdheid des aangeziehts; wij en onze vaderen hebben gezondigd".
En dan weten we, dat de Heere geen ledig toeschouwer is. Dan weten we, dat er bij den Heere uitkomsten zijn. Dan weten we, dat de Heere mildelijk vergeeft en niet verwijt. Dan weten we, dat de Heere wil wederkeeren.
En daarom laten we de modernen zonder antwoord, als ze brutaal vragen.: gaat gij nu niet heen?
Want men moet een mensch antwoorden naar hij waard is.
En daarom smart het ons, als b.v. een man als Ds. Sikkel, geref. predt. te Amsterdam, schrijft in „Hollandia": „nu moet er revolutie komen in de Herv. Kerk; ja een revolutie bij de gereformeerden daar".
Want 't spijt ons, dat hij niet met ons voelt, dat 't nu veel minder nog dan in 1834 en in 1886 tot revolutie komen mag; dat revolutie veel bederven zou; dat revolutie niets zou baten; en dat tegen revolutie alzoo gewaarschuwd moet worden met al den ernst die in ons is, omdat de Heere ons kennelijk andere wegen wijst.
Neen, we moeten er weer niet een stuk uit los slaan uit dat Vaderlijk huis — om het in jammerlijken staat achter te laten.
We moeten niet met een groepje gereformeerde menschen vrij komen.
De Kerk zelve moet geholpen en gered en yrifgemaakt worden.
En waar de Heere bezig is te werken, waarvan bewijs gezien mag worden bij de menschen en waarbij in het midden van de gemeenten een ernstig begeeren is levendig geworden en een krachtig werk is begonnen, om uit de zondige paden te mogen worden verlost en als Kerk weer vrij te mogen gaan belijden de waarheid naar Gods Woord — ziet, daar zeggen we niet: „we gaan weg!"; ook niet: „tot de revolutie!"; maar we zeggen: blijven, bidden, werken en de Heere zal het ons doen gelukken!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 september 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 september 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's