Stichtelijke overdenking.
En vreest u niet voor degenen, die het lichaam doeden en de ziel niet kunnen dooden, maar vreest veel meer Hem, die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel. Mattheüs 10:28.
Vreest!
Geen lichte taak werd den discipelen opgelegd toen de Heiland hen uitzond om het Evangelie des Koninkrijks te verkonden aan de verloren schapen van het huis Israels.
Een taak om van te beven en te sidderen.
Met groote moeilijkheden zullen zij hebben te kampen, aan dreigende gevaren zijn blootgesteld. Zij worden als schapen gezonden in het midden der wolven. Zou een schaap niet vreezen voor een wolf? , .. Zij zullen vervolgd worden van de eene stad naar de andere. Nochtans moeten zij wat de Heere Jezus hen gezegd heeft in het openbaar verkondigen en wat zij gehoord hebben, prediken op daken. Zij moesten woorden spreken en getuigenissen geven waardoor de wolvenaard van hen die hoorden zou openbaar komen. Waarlijk geen gemakkelijke zaak.
Het is dan ook geen wonder dat de Heere Jezus Zijn discipelen waarschuwde tegen het gevaar dat hen bij deze gewichtige opdracht uit eigen hart dreigde.
Vreest niet voor dè menschen, want hun macht is slechts tijdelijk!
Vreest wel voor God, want Zijn macht is eeuwig!
Dit is de strekking van den hierboven geschreven tekst. En dan waarschuwde de Heere Zijn discipelen en in hen heel Zijn Gemeente toch niet tegen een denkbeeldig gevaar?
De vrees voor menschen is toch groot onder de menschen. Onder die twaalf was ook Petrus, die in eigen oog sterker was dan alle anderen. Maar hoe bedrogen is hij in zichzelf uitgekomen! Tot driemaal toe verloochende hij zijn Meester. Uit vrees voor hen die slechts het lichaam kunnen dooden! — Maar van dienzelfden discipel, tóen apostel, lezen wij later nog iets, n.l. in den brief van Paulus aan de Galaten. O, hoe houdt menschenvrees de meest begenadigde kinderen Gods in knellende banden. Paulus moest zijn medeapostel over diens gedrag te Antiochië ernstig vermanen. Wat was het geval? Petrus at eerst met de christenen uit de heidenen en later niet meer. Daar waren n.l. sommigen van Jacobus gekomen, christenen uit de joden, die het nog als een groot kwaad achtten met hun broeders uit de heidenen aan ééne tafel te zitten. Toen zij kwamen scheidde Petrus zich af, vreezende degenen die uit de besnijdenis waren.
En ook anderen veinsden met hem en Barnabas werd mede afgetrokken door hunne veinzing. Inderdaad, op een zeer droeve toestand werpt hier de apostel het licht. En dat was nog wel Petrus ! Bitterlijk had hij geweend, toen hij naar buiten was gegaan en geen menschenoog hem bespiedde, toen Gods oog alleen hem doorschouwde. Ook in Antiochië zat het oude kwaad er nog in.
Menschenvrees. En het was nog noodig dat hij naar buiten ging en bitterlijk weende.
Wij behoeven geen voorbeeld meer te noemen uit Gods Woord. De Schrift teekent ons het booze hart des menschen zeer duidelijk.
Er wordt zooveel nagelaten uit vrees voor tijdelijk leed. De Naam des Heeren wordt er om verloochend. Hier strekt zich een jammerlijk breed terrein uit waarop de zonden gezaaid liggen. Voor de brandstapels der vervolgingen behoeft toch niemand in onzen tijd bang te zijn. Maar talloos velen zijn er die de brandstapels van hoon en smaad en verachting der zoogenaamde verlichte wereld als reusachtige schrikgevaarten vreezen....
In huis wil men soms nog wel „bidden en danken", maar buitenshuis, bij z'n makkers is men een heel ander persoon In den kring der familie gaat men nog wel trouw ter kerk maar in den vreemde heeft men een heel ander gewaad aangetrokken
Dat gaat zoo wanneer men geen vreeze Gods kent.
Er wordt zooveel uit menschenvrees nagelaten; er wordt zooveel om gedaan. Er is zooveel vertooning, zooveel pralerij in den Godsdienst. Er zijn zooveel lange en mooie gebeden, waarvan misschien geen enkel woord doordringt tot in de troonzaal van den Alwetende. Op den dag des Heeren is er vaak veel meer een onrustig jagen om van de menschen geprezen te worden dan een stil rusten in het werk Gods. Er worden zooveel vrome vlaggen uitgehangen. En laat nu niemand zeggen: daar ben ik boven; ik geef niet om de menschen. Of het moest wezen dat iemand in gedachten tot Petrus zei: wijk van mij, ik ben heiliger dan gij. Deze apostel althans kwam in eens tot de gedachte dat het kwaad was, waarin hij eerst geen kwaad zag. Het was ineens veel „vromer", niet omdat Gods genade hem in deze zaak dieper had ingeleid. Neen, neen, dat was het niet. Maar wel omdat anderen naar hem zagen.
De Heere Jezus, die wist wat in den mensch was, wist ook hoe noodzakelijk het was Zijne discipelen en daarin Zijn Kerk toe te roepen: „Vreest niet voor hen die het lichaam dooden en de ziel niet kunnen dooden".
Niet dat God in dezen wereldloop aan de menschen de vrijheid laat lichamelijk en stoffelijk nadeel toe te brengen aan wien zij maar willen. Alsof Hij Zijn hand van het lichaamsleed aftrekt, en Zijn steun in de tijdelijke belangen onthoudt, zoodat eerst in het laatste oordeel Zijn oppermacht over lichaam en ziel des menschen zal openbaren.
Och leest even het volgende vers in ons Hoofdstuk. Daar staat dat er geen muschje op aarde valt zonder Gods wil. Dan zal er toch ook, wanneer het zoover komen moet, geen lichaam van Zijn discipelen gedood worden zonder den wil des Heeren, zonder Zijne toelating. Maar dit wil de Heiland zeggen: het meeste, wat zij u kunnen doen, onder de toelating Gods, is het lichaam te dooden. Van uwe ziel zullen zij afblijven, uwe eeuwige ziel. Wat dwaas dan eigenlijk om voor menschen bevreesd te zijn wier macht zoo gering is.
De vrees voor menschen zal wijken naar mate dat de vrees voor God in onze harten gelegd wordt, 's Heeren macht alleen is groot. Zijn oordeel is te vreezen. Zijn Woord heeft de bergen geformeerd en de zee geschapen. De volken zijn geacht als een druppel van eenen emmer en als een stofje van de weegschaal. Zoo gemakkelijk als de pottenbakker het leem kneedt, kan de Heere beide ziel en lichaam verderven in de hel.
Toch gaat het hier niet over hetgeen de mensch als schepsel van God te wachten heeft. Neen, de Heere Jezus spreekt in deze Zijne waarschuwing niet zoozeer over des Scheppers macht tegenover den mensch, maar wel over des Rechters macht tegenover den zondaar.
En het verderf dat de Heere over ziel en lichaam kan doen komen hangt ten nauwste saam met de heiligheid van Zijn Wezen, 't Is geen willekeurige daad.
De Heere is een rechtvaardig God. Het ware te wenschen dat dit ook in onzen tijd meer op het hart gebonden werd. In vele kringen wil men alleen hooren en spreken van de liefde Gods. Lang en zoet wil men daarover droomen. Alsof er van geen toornengloed tegen de zonde sprake is in Gods Woord! En dan is er ook een stil innerlijk streven Hem af te houden van de jammerlijke oorlogsellende. Alsof Hij daarmede niets te maken heeft! Tot stille kerken en rustige binnenkameren beperkt men Zijne daden.... O, zeker, de H. Schrift is vol van lieflijke klanken van rust en vrede, van trouw en genade.
Als zoete geluiden ruischen zij ons tegen van het heilig blad. Maar daarnaast klinken ook de stemmen als donderslagen, die van 's Heeren gerechtigheid en oordeel spreken. En wiens oor hiervoor geopend is, hoort daarvan de nagalmen als een dof gerommel in de oordeelen en gerichten, die in den tijd over de aarde komen. God is rechtvaardig! Het staat dan ook geschreven boven alle oorlogsellende, ook boven de zee van ramp, die met haar golven slaat. En het voor Gods recht gebogen hart hoort door dit al heen het diep ernstige woord van den Heiland: het is nog slechts een beginsel der smarten.
Laat ons aan de openbaring der Schrift niets te kort doen, als zij ons spreekt van eene eeuwige liefde, die ook eeuwig toornen kan tegen alles wat den hoogsten Naam onteert en de Goddelijke Majesteit beleedigt. Dat er veel verootmoediging ware tegenover deze ontzaglijke waarheid!
Daar is voorzeker een worstelen van den mensehelijken geest tegen deze gedachte der Schrift. Het is omdat men het niet rijmen kan dat de eeuwige liefde in God kan samengaan met de eeuwig straffende gerechtigheid.
De geest des menschen wist altijd met den Geest Gods. Maar wij vragen: waarom wordt er dan van 's Heeren wege zoo ernstig gewaarschuwd en de zondaar zoo dringend genoodigd? Waarom staat de Heere Jezus ons weenende geteekend als Hij Jeruzalem den schrik des Heeren voorhoudt, zeggende: gij hebt niet gewild? Waarom moest Hij Zelf tot verzoening in de diepte van God-verlatenheid afdalen? Waarom? Als niet een schrikkelijke toekomst den goddelooze wacht...
Waarom ? Als het niet vreeselijk is te vallen in de handen van den levenden God...
Waarom? Als het niet noodzakelijk was te bedenken: vreest veel meer Hem die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel.
Toch wil de groote Herder der schapen door deze Zijne woorden geen vrees voor de hel inboezemen, alsof die vrees voor straf de levensdrang zou moeten zijn. Het ware toch een min edele drang. Neen, vrees voor God en Diens heiligheid is het beginsel van den waren levensadel. Vrees voor Hem, Wiens oordeel over ziel en lichaam gaat, die dan ook beide opeischt voor Zijn dienst.
Het is de H. Schrift toch niet te doen om den mensch vrees aan te jagen voor de eeuwigheid, maar wel opdat het eeuwigheidslicht zou rijzen over dit ons tijdelijk levensbestaan, opdat de mensch Gods eere zou bedenken, de varren zijner lippen Gode zou offeren, in zijn handel en wandel God zou roemen. In en buitenshuis! In Zondagagewaad en werkpak! Overal waar ons lichaam is, waar onze ziel is! Als voor dat recht Gods over ziel en lichaam de oogen opengaan, wordt alles anders. Dan begint er een leven van ontdekking, van zonde en diep bederf, waarin de mensch met al zijn goede voornemens telkens bedrogen uitkomt. Ten slotte wordt deze belijdenis onuitwischbaar hem ingegraveerd: ik maak mij door mijn zonde niet anders waardig dan verderf naar lichaam en ziel. Wel hem, die zoo mag buigen voor den hoogen God. Deze les verleert de mensch nooit, hoewel hij de indachtig makende Geest steeds behoeft. Zij is den apostel ook bijgebleven, ook al mocht hij in de vrijmaking Gods roemen en in de verzekering dat niets hem van de liefde Gods in Christus zou scheiden.
Maar, hoe ellendig de mensch zich ook leert kennen, toch is in hem een ongekende levensdrang gekomen. Gods genade heeft hem gewezen op hooger gericht dan menschengericht. Eeuwigheidsgedachten hebben zijn leven bezield. Voor zijn oog heeft Goddelijk licht het aardsche leven en zijn levensverhoudingen beschenen.
Och, wat zou het ons dan deren wat de oogen der menschen zien, als de oogen Gods zooveel te scherper zien ? "Wat blijdschap zou er zgn als dan menschen ons prijzen en God prijst ons niet? Of ook, wat zou het hinderen of alle menschen al liegende kwaad van ons spraken en wij mochten schuilen onder het schild van den Almachtige ? Neen, het meeste kwaad dreigt niet van menschen. Dit wilde de Heere Jezus zeggen aan Zijne discipelen opdat zij en allen die den Heeré vreezen maar-veel het eeuwigheidslicht over zich zouden afsmeeken.
Welgelukzalig is de man die geduriglijk vreest. Immers dan blijft het bij dit vreezen niet. Het zal uitdrijven" tot het gebed.
Een vreezend leven is ook een biddend leven.
En een biddend leven leidt tot Hem aan Wiens voeten verslagene harten vrede vinden.
Een vreezend leven leidt tot Hem, die naar ziel en lichaam voor Zijne Gemeente geleden heeft, om haar van alle verderf te bevrijden.
Daarom komt er van eenen verbrijzelden Christus vrede in het verbrijzelde hart.
Gezegend vreezen voor God alleen en voor geen menschen. Het brengt de hoogste troost.
Het eeuwigheidslicht, dat over den diepgezonken mensch opgaat, voert ook tot het beginsel der eeuwige vreugde.
Allen, die door menschenvrees gedreven worden, menscheneer en menschengunst is hun deel. En daarmede hebben zij hun loon weg! Maar over een iegelijk die Hem vreest die ziel en lichaam kan verderven in de hel, zal Goddelijke gunst en genade met eeuwigheidsmaat worden uitgestort. God kan wel verderven maar zal niet verderven. De ziel zal vrijgesproken worden en het lichaam zal in heerlijkheid verrijzen.
En een gedurig vreezend leven gaat over in den gedurigen lof des Heeren.
Heer, mijn God! ik zal u loven, Heffen 't gansche hart naar boven:
'kZal Uw naam en majesteit Eeren tot in eeuwigheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's