De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

19 minuten leestijd

Van verborgen omgang.

XX.

Zoo is er dus in de volbrenging van het Middelaarsambt des verheerlijkten Heilands voor Gods kinderen in hun levensstrijd sehoone en rijke vertroosting weggelegd. In den verborgen omgang met Hem wordt ervaren, wat Hij voor de zijnen kan doen. Den Heiligen Geest geeft Hij tot ontdekking, maar ook tot sterking en als Voorbidder weet Hij, wanneer zijn kind te worstelen ligt in den gebede, de poort des hemels voor diens klacht te ontsluiten, gelijk Hij als Voorspreker optreedt, zoodra zij denken te vergaan en de vreeze machtig wordt, dat zij gewisselijk zullen omkomen. Als zij roepen uit angst en nood, geklemd in banden des doods, als de beschuldiger omgaat met zijn aanklachten en zij niet weten te antwoorden, dan is het wederom de Verheerlijkte, die opstaat om hun pleit te beslechten, hun twistzaak te twisten door een beroep te doen op zijn recht, verkregen door zijn werk.

In dit alles is er dus een schoone levenstroost weggelegd voor hen, die den Heere Jezus hebben ontmoet als hun Borg. In alle deze dingen is er een leven in de goedgunstigheid des Heeren, dat Gods kinderen, elk op eigen wijze, naar gelang hunner omstandigheden leeren ervaren. Het is ons dan ook genoeg op deze dingen te hebben gewezen.

Nog ééne zaak blijft ons thans ter overdenking over, waarin al het voorgaande zijn hoogtepunt vindt, waar het alles op uitloopen moet, opdat Gods kind zal staan door het geloof, zich zal verblijden in de hope en zal smaken de liefde zijns Vaders, die in de hemelen is. Het schoonste goed, dat in dit leven ons ten deele vallen kan, is de zekerheid onzer aanneming tot kinderen Gods. In de zekerheid daarvan is alles opgesloten. Voor haar wijken alle nevelen van donkerheid, alle wolken van bekommernis. Zoovelen Hem aangenornen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in zijnen Naam gelooven. In de gemeenschap met den Middelaar is dus ook de aanneming tot kinderen ons beschoren. En die aanneming is van zoo groote beteekenis voor het geestelijk leven, dat Johannes in zijnen zendbrief er nadruk op legt door tot ons te zeggen: Ziet, hoe groote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelgk dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden. De zekerheid daarvan wordt in verborgen omgang met Jezus verkregen, die ons in alle dingen gelijk werd uitgenomen de zonde, die waarlijk Zoon Gods was naar zijne natuur en Zoon des menschen als de vleeschgewordene en die zich daarom niet geschaamd heeft de zijnen ook broederen te noemen. Is er voor ons van nature van geen Vaderschap Gods sprake dan alleen krachtens schepping, is er tusschen ons en Hem geen kinderlijke verhouding vanwege onze zonde, dat Vaderschap Gods wordt eerst werkelijkheid doordat Hij de God en Vader onzes Heeren Jezus Christus is, die de broeder van Gods kinderen zich noemde. De zondaar kan een kind Gods genaamd worden, omdat Christus zich zijn broeder noemt. Van een kindschap Gods is dus nooit sprake dan alleen door aanneming, d. w. z. door opneming in de broederschap van Christus, door inlijving in zijne kinderlijke verhouding tot God.

In de aanneming zelve ligt opgesloten, dat er geen sprake is van natuurlijke rechten des kindschaps, ligt uitgedrukt dat wij van geboorte geen kinderen Gods zijn, dat wij eigenlijk van geheel anderen oorsprong stammen, en alleen door een rechtsdaad in de rechten van het kindschap kunnen worden opgenomen. Wy zijn uit het bloed van Adam, die, in de zonde gevallen, uit het kindschap uitviel, zoodat hij geheel van God is vervreemd.

Van een kindschap krachtens de gevallen natuur kan er dus nooit sprake zijn. Kind kan niemand worden, dan alleen dooreen machtsdaad, gegrond in de wet des Koninkrijks, waardoor hij, die geen kinderlijke verhouding tot zijn God kende, door Hem als kind wordt beschouwd en aangenomen. Die van nature tot de familie van den ouden Adam behoorde, wordt door God zelven in de aanneming naar de wet zijns Koninkrijks overgebracht in de familie van den tweeden Adam. En daaruit komt nu eenerzijds de roeping op om in de gemeenschap met het geestelijk zaad des Middelaars op te gaan, zooals er anderzijds uit volgt, dat ook al wat in het kindschap Gods ligt verborgen den aangenomene ten deele valt. Als niemand twee heeren dienen kan, in nog veel minder mate kan hij twee vaders liefhebben en gehoorzamen. Hij moet zijn vrijgemaakt van alle dienstbaarheid, waaraan hij krachtens zijne geboorte uit den eersten Adam is onderworpen, om zich geheel te kunnen geven onder de heerschappij van Hem, met wien hij nu verbonden wordt. En anderzijds, hij moet verliezen alle voordeelen, die uit de natuurlijke geboorte voortvloeiden. Hij moet prijsgeven alle heerlijkheid, die gegeven wordt met den dienst der wereld, om de erfenis te verkrijgen, die aan den in Gods huis geboren Zoon toekomt. Dat alles wordt nu gevonden in het groote levensfeit van de aanneming tot kinderen,

Dat weet Gods kind maar al te zeer, hoe hij van nature behoort tot een gansch ander geslacht. De apostel teekent met deze woorden hun vroeger en oorspronkelijk bestaan: Zij wandelden naar de eeuw dezer wereld, naar den overste van de macht der lucht, van den geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid, zij verkeerden in de begeerlijkheden huns vleesches, deden den wil des vleesches en der gedachten en zij waren van nature kinderen des toorns gelijk ook de anderen. Van nature zijn Gods kinderen uit het geslacht der wereld en van den overste der wereld. En zij hadden recht op al hetgeen onder die heerschappij gesmaakt wordt niet alleen, maar moesten ook ondergaan alles wat uit dat juk zelf voortvloeit. Zij genoten van dat vleeschelijke leven en gingen op in de wereld. Zij smaakten hare genietingen en dachten niet om iets anders. Voor de donkere zijde ervan hadden zij geene oogen en dus zij hadden er ook geen last van. Zij leefden zooals de wereld nog leeft in volslagen minachting van de eeuwige dingen, dikwijls nog onder het schoonschijnende gewaad eener uitwendige vroomheid en deugdzaamheid. Zij zagen het wereldleven alleen bij het wereldlicht, maar niet onder de glansen van de eeuwige gerechtigheid en heiligheid Gods.

En dus zij verstonden er niets van, dat zij kinderen des toorns waren, onder vloek en dood en hel verkeerden, zoodra het scherm van deze schijnwereld zou wegvallen. Dus dienden zij die wereld, waartoe zij behoorden, met alle anderen, zonder daarover ook maar eenige conscientieroering te ervaren; zij deden het vanzelf, zij wisten niet beter en verkeerden met en in de wereld onder de heerschappq der zonde en des doods. De natuurlijke mensch weet en verstaat de dingen des geestelijken levens niet. Er is geene ontroering over eigen eeuwigen staat. Het wordt niet beseft, wat het zegt te sterven en op te gaan naar zijn eeuwig huis, niet gevoeld van den aangrijpenden ernst, die er is in het vallen in Gods handen. En zoo blijft het voortgaan, totdat er, hoe dat weten zij zelven niet, eene innerlijke gewaarwording van eigen werkelijken toestand geboren wordt. Zij komt op, eerst als een lichte, voorbijgaande prikkeling der conseientie, die snel verdwijnend toch sporen in de heugenis achterlaat. Zij herhaalt zich in steeds sneller wordend tempo tot eindelijk de vraag zich klaar en duidelijk voorstelt aan eigen zielsbewustzijn, of het wèl is met hem. En op die vraag is het antwoord niet zoo spoedig gegeven. Maar waar zij eens zich opdrong, daar laat zij zich niet meer voor goed terugdringen. Zij dient zich telkens en telkens weer aan. Zij dringt tot nadenken, tot om zich zien, tot een zich rekenschap geven, tot een inkeer in zichzelven, waaraan hij van te voren steeds voorbijging. De natuurlijke mensch ziet altijd van zich af, kent slechts de gebreken van anderen, waarvoor hij gewoonlijk niet te barmhartig is. Maar als hij tot zichzelven komt, dan vindt hij genoegzame stof tot zelfoverpeinzing, want hij ziet nu in de donkerheid daarbinnen hetgeen hij vroeger wel koesterde, maar niet in zijne ware beteekenis verstond. In den weg der ontdekking is er een langzame ontsluiting van het zielsoog. Zooals ons oog zich moet wennen aan de duisternis en eerst allengskens leert onderscheiden, zoo schouwt ook het geestelijk oog langzaam maar zeker de werkelijkheid van het innerlijk zielsbestaan. De zondaar leert zichzelven kennen van stuk tot stuk, ten laatste tot in zijn oorsprong uit den ouden Adam toe, als een vreemdeling van de belofte, als van het geslacht der wereld, totdat hij weet, dat er uit hem geene verwachting is, tenzij er een wonder van genade aan hem geschiedt. Hij weet dat er een ander, een geestelijk geslacht is, waarin hij moet worden overgebracht en waarop hij van nature nooit eenig recht zal kunnen doen gelden. De apostel spreekt van den Vader van onzen Heere Jezus Christus, uit welken al het geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt. Tot dat geslacht kan de zondaar dus nooit komen, tenzij hij in die levensbetrekking met den Middelaar gezet worde, waardoor ook hij uit Hem genoemd wordt. Dat kan alleen door die wondere daad van wederbaring, waardoor hij uit het geslacht van den ouden eersten Adam wordt uitgenomen en overgeplant in dat andere geestelijke geslacht, dat wortelt in den tweeden Adam, uit wien het al zijne levenssappen betrekt. En die overbrenging van uit het geslacht van den ouden Adam naar dat van den tweeden door de daad der wederbaring geschiedt niet zoo maar, alsof het iets onbeduidends en nietigs is. De reddende daden Gods grijpen niet onderhands plaats, zij geschieden om zoo te zeggen niet in een hoek, maar op eene wijze, waardoor zij als met een goddelijk gezag gepaard gaan. Er heerscht in de daden des Heeren nooit oppervlakkigheid. De Heere werkt door tot in de grqnden des levens. Zekerlijk is het waar, dat wie uit den Geest geboren is, als de wind is, wiens geluid gij hoort, maar van wien gij niet weet, waarheen hij gaat noch ook vanwaar hij komt. Maar hoe verborgen de oorsprong van het geestelijk leven ook zijn moge, dat geestelijk leven zelf kan toch niet verborgen blijven. Als het doorbreekt in volle klaarheid in een krachtdadige bekeering tot God, dan gaat het ook altijd vergezeld van een gewisheid, die opkomt uit de macht, waarmede het zichzelf aan de ziel bevestigt. Zoovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij ook macht gegeven kinderen Gods te worden. Zij krqgen, zooals uit Joh. 1:12 blijkt, eene vrijheid, een verlof, eene bevoegdheid om Gods kinderen genaamd te worden. Het is dus geene aanmatiging. Zij zeggen het maar niet, zooals door sommige lichtvaardige menschen zulks soms zonder eenigen grond wordt uitgesproken. Neen, voor Gods kinderen daalt er uit de levensgemeenschap, waarin zij met den Heere Jezus Christus door de wederbarende daad Gods gezet zijn, een levenszekerheid, waaruit zij ook het vermogen, het recht, den vrijbrief ontvangen om Gods kind genaamd te worden. Het is een recht, dat God hun als toekent. Het aan en in den Heere Jezus Christus , toegekende komt nu ook hun toe. Zij worden in Hem opgenomen, in zijn geestelijk lichaam, in het geslacht, dat uit Hem genoemd wordt en waarvan geschreven staat, dat Hij zich niet schaamde hun broeder genaamd te worden.

Zoo wordt dus die mensch, die uit het geslacht der wereld was, overgebracht in Gods geslacht door die daad der aanneming, waardoor krachtens van God verkregen bevoegdheid er een recht is op het kindschap en daarmede op de erfenis. Daarom kunnen Gods kinderen rekenschap geven van de hope, die in hen is. Het wordt hun bekend gemaakt.

Allereerst weder door het Woord Gods zelf. De apostel Paulus beroept zich allereerst op de openbarende daad Gods als hij deze aanneming tot kinderen aan de heidenen verkondigt. „Door openbaring", zegt hij, heeft hem God deze verborgenheid bekend gemaakt.

En zoo wordt Gods kind nog in die door den apostel medegedeelde openbaring ingeleid, zoodat zij hem eene levende werkelijkheid wordt. En daarom wordt zij ook in het bewustzijn van Gods kind verklaard en bevestigd. De Geest Gods geeft getuigenis in hunne harten, dat er een breuk is in hun leven, dat zij zijn uitgetrokken uit de duisternis, dat zij, hoeveel zonde en gebrek, on-en kleingeloof, vreeze en beven ze ook in zich bevinden, toch in hun diepste wezen losgemaakt zijn uit de machten van wereld, van satan en eigen vleesch. Als het er op aankomt, dan zouden zij toch niet blijvend kunnen ontkennen, dat er nooit geene levensdaad aan hen geschied is. Veeleer erkennen zij, dat zij juist daarom des te schuldiger staan voor hunne afwijkingen. En als zij waarlijk licht hebben over hun werkelijken staat, dan verblijden zij zich daarover, dat zij ontvangen hebben den Geest der aanneming tot kinderen door welken zij roepen: Abba, Vader!

Zoo is er dus eene door God zelf bekrachtigde opneming in het geslacht Gods, waardoor alle rechten van het kindschap worden toegedeeld. Daartoe behoort allereerst, dat ook de eerste naam, dien de mensch van nature draagt, wordt veranderd in een nieuwen naam. Zooals bij de daad der aanneming de aangenomene overgaat in de familie desgenen, die hem aanneemt en daarmede ook de oorspronkelijke naam wordt uitgewisseld tegen dien van het geslacht, waarin hij wordt overbracht, zoo heeft ook hier eene naamsverwisseling plaats. Daarom wordt aan die overwint, beloofd, niet alleen dat hij zal eten van het manna, dat verborgen is, maar ook dat hem een witte keursteen zal worden gegeven en op dien keursteen een nieuwe naam geschreven, welken niemand kent, dan die hem ontvangt. Ook die nieuwe naam heeft beteekenis. Al is in ons tegenwoordig leven de naam dikwijls niet meer dan een onderscheidingsteeken, in de orde Gods is de naam veel meer, dient hij om het wezen der dingen tot uitdrukking te brengen. Zoo heeft des menschen oude naam de strekking om hem als een zondaar te brandmerken, om zijn karakter als gevallen Adamskind te openbaren. En daartegenover staat nu ook, dat deze nieuwe naam zijn nieuwe wezen vertolkt. Bij den profeet Hosea wordt dit reeds duidelijk in het licht gesteld. Die Lo-Ammi, d.i. niet mijn volk heette, tot dien moest gezegd worden: o mijn volk. In de aanneming tot het kindschap wordt de zondaar, die tot den Heere Jezus moet zeggen: ik ben niet waardig, dat gij onder mijn dak inkomt, in zijn geslacht opgenomen en kind van God genoemd. Onder de rechtsgewoonten der ouden, waarop de apostel zinspeelt, was ook deze, dat op een steen de naam geschreven werd van hem, die in het gericht kwam. De nieuwe naam geschreven op den keursteen merkt den bezitter met het kenmerk van het kindschap Gods. Het is een steen van rechterlijke vrijspraak, die toegang verleent tot onder de huisgenooten Gods. En hij wordt verkregen in de levensgemeenschap met den Heere Jezus Christus, die door zijn bloed de vrijspraak heeft verworven. En daarmede gaat dan ook gepaard dat andere groote voorrecht, dat bestaat in de opschrijving in de rol van Gods huis, in het gerekend worden tot hen, die in des Vaders huis woning hebben. Reeds onder het Oude Verbond werd aldus bezongen: , En van Zion zal gezegd worden: Die en die is daarin geboren en de Allerhoogste zelf zal hen bevestigen. De Heere zal hen rekenen in het opschrijven der volken, zeggende: Deze is aldaar geboren". Zoo spreekt de profeet Ezechiël van een „geschreven worden in het schrift van het huis Israels". Zooals er een boek des levens des Lams is, dat het beeld is van al Gods verkiezende werkzaamheid, zoo wordt ons ook gesproken van de rol, waarin de namen dergenen, die zijn aangenomen tot kinderen, vermeld staan. De Heere kent al degenen, die de zijnen zijn van eeuwigheid. Zij zijn als in zijne handpalmen gegraveerd. Van het begin der wereld tot haar einde staat eeuwiglijk het gansche Jeruzalem Gods voor zijn aangezicht. Voor hen allen heeft zich de Christus overgegeven, zoodat Hij een slachtoffer is van het begin der wereld aan. Maar juist omdat Hij ze allen als bij name kent zijn ook onder zijn bestel zij, die in elk tijdsbestek worden toegebracht. Ook het geslacht Gods op deze aarde is in een levensrol, in het geichrift van zijn huis. En in dat geschrift verschijnt nu de naam van elk, die als een kind wordt aangenomen. Hij wordt ingelijfd in de rijen van Gods volk.

Indien de kerk op deze aarde de kerk Gods volkomen wedergaf, dan zou elke aanneming eene inschrijving zijn op die rollen, die als de geschriften van Gods huis zijn. Maar nergens duidelijker treedt dan ook de ellende der kerken aan den dag, dat er een groot en diepgaand onderscheid is tusschen de ware kerk van God en de kerk die in deze wereld verschijnt. Wij gelooven wel, dat er is eene heilige algemeene Christelijke kerk, maar als zij gezocht moet worden onder ons dan staat menigeen als verlegen, omdat er van dat ware kerkelijke leven, dat de kerk als kerke Gods moet kenmerken, bijna niet te speuren valt. En als er van kerkelijke ellende sprake is, dan treedt die zeker nergens duidelijker aan den dag dan in het groote onderscheid tusschen wat de kerk als ideaal beschouwd moet zijn en wat zij in deze wereld is. Er is zeker niemand, die de lidmatenboeken onzer kerk als de schrift van het geestelijk huis van Israël zou durven beschouwen. En toch moeten zij het zijn, zij het ook onder veel gebrek en on-en kleingeloof, onder veel dat veroordeelt en schuldig stelt, maar zij moesten het toch zijn. Zooals elk van Gods kinderen onder veel zonde en onreinheid, waardoor zij zich schuldig weten, toch Gods kinderen zijn, zoo moest ook de kerk ondanks hare zonde, die haar altijd zal aankleven, toch het merkteeken Gods dragen, zoodat zij in de wereld kan worden onderkend. Maar in onze dagen is zij tot onkenbaar wordens toe der wereld gelijkvormig geworden. Indien Gods Woord ons niet waarborgde, dat zij er toch is, dan zouden wij het niet erkennen kunnen. Waar er nog van zijn volk sprake is, daar is het verdeeld en versnipperd, dolende als schapen, die geenen herder hebben. Zij kennen zelfs elkander niet meer.

En toch was er misschien geen tijd, waarin meer geëvangeliseerd, gepreekt en geijverd wordt. Maar ook te midden van dat alles maakt de Heere zijn Woord tot waarheid, dat Hij zijne schapen als bij name kent.

Daarom weet Hij zijn verstrooide kindéren toch te vinden en te troosten en te verzegelen door den Heiligen Geest, zoodat zij hunne aanneming tot kinderen mogen beleven in den verborgen omgang met Hem, die hoewel Hij de Zoon was, gehoorzaamheid leerde uit hetgeen Hij heeft geleden en die door lijden geheiligd als de overste Leidsman hunner zaligheid, vele kinderen tot de heerlijkheid leidt.

De heilige ure ontwijd.

Het bericht, dat Rijswijks Kerkeraad het hoofd in den schoot gelegd heeft en een jongmensch, wiens naam door Delfts Kerkeraad niet kon worden ingeschreven in de lidmatenregisters, weer opnieuw heeft bevestigd, met letterlijk gebruik van art. 39 Regl. Godsd.onderwijs, is door de couranten onder aller oog gekomen.

En dat doet ons bij vernieuwing zien, hoe de heilige ure van het doen van belijdenis des geloofs door de modernen ontwijd wordt.

Men knoeit met de vragen van art. 39. Men probeert maar eens hoever men gaan kan. En lukt het dan niet, dan doet men't nog maar eens over.

Naar den aard en den geest van onze telijdenis moet in die vragen uitkomen, dat men in bet midden van de Herv. Kerk gelooft in Jezus Christus, Gods eeniggeboren Zoon, onzen Heere; dat men belijdt Zijne Godheid, éénswezens zijnde met den Vader en den H. Geest; dat Hij is „God geopenbaard in het vleesch", waarachtig God en waarlijk mensch; Die met Zijn dierbaar bloed — en niet met goud of zilver — Zich Zijne gemeente gekocht en vrijgemaakt heeft.

Dat is naar den aard en naar den geest, dat is naar de duidelijk uitgesproken bedoeling van onze belijdenisschriften; wat aanstonds blijkt als men den Heidelb. Catechismus opslaat of als men de Ned. Geloofsbelijdenis leest; of als men nagaat wat onze Vaderen aan de Remonstranten hebben geantwoord in de Dordtsche Leerregels.

Maar — dat aanvaarden de modernen natuurlijk niet.

Dat kunnen en dat willen ze niet onderschrijven.

En inplaats van nu zoo eerlijk te zijn of zelf heen te gaan en ook tot allen, die in deze met den geest en met de hoofdzaak van de belijdenis der Hervormde (Gereformeerde) Kerk verschillen, óok aan te raden zich daar te vervoegen waar ze thuishooren en niet te fraudeeren waar men niet thuishoort — in plaats daarvan gaan de leeraars de leerlingen voor in allerlei onwaardige en onware redeneeringen en gebruiken ze allerlei onwettige en vage formuleeringen — waardoor de bevestigingsure tot een wringen in allerlei bochten wordt gemaakt en tot een handige oefening in allerlei dubbelzinnige en onduidelijke zinswendingen.

Waarbij natuurlijk niet naar den geesten naar de hoofdzaak van de belijdenis der Kerk wordt gesproken.

Omdat men daar principieel allergewichtigste bezwaren tegen heeft.

En ja, dan kan men er wel eens doorglippen, omdat de mazen wijd en groot zijn; maar bij een andere gelegenheid vliegt men er in, omdat men gewoonlijk niet weinig brutaal en roekeloos handelt.

En dan wordt het maar weer over gedaan! O! heilige ure.

Ure waarin men zich oefent om niet te zeggen wat men moet zeggen; óm te zeggen wat men niet mag zeggen; en om het dan zóo te zeggen, dat men niet zegt wat men moet zeggen, terwijl men er toch niets van zeggen kan.

Gewijde stonde! Om, als men er tegen loopt, het maar even over te doen.

Want men wil toch zijn en blijven waar men niet thuis hoort.

Waarvoor men ook het heiligste desnoods gaarne opoffert.

't Is wel een plechtig oogenblik, die ure van openbare belijdenis en bevestiging!

De Waalsche Commissie en nog wat.

In ons stukje „Wat nu" hadden we willen invoegen, dat Drenthe dit jaar 2 stemmen uitbracht in modernen geest en tegen de schrapping, terwijl bij de tegenstemmers ook was de Vertegenwoordiger van de Waalsche Commissie (welke eigenlijk geheel buiten ons kerkelijk leven staat).

Door vergissing is er nu komen staan, dat de W. C. 2 stemmen uitbracht.

Dat is niet zoo.

In 1916 zal dat wél 't geval zijn.

De stemmenverhouding in zake „geest en hoofdzaak" is dus geweest: Gelderland 1 voor en 1 tegen; Z. Holl. 2 voor; N. Holl 2 tegen; Zeeland 1 tegen; Utrecht 1 voor; Friesland 2 voor; Overijsel 1 voor en 1 tegen; Groningen 2 tegen; N. Br. en Limb. 2 voor; Drenthe 2 tegen; W. O. 1 tegen, d.i. 9 voor en 10 tegen.

Billijker ware 't zeker geweest, indien men onder de huidige omstandigheden ongeveer zoo gestemd had: Gelderl. 1 voor en 1 tegen ; Z. Holl. 2 voor; N. Holl. 1 voor en 1 tegen; Zeeland 1 voor; Utrecht 1 voor; Friesland 1 voor en 1 tegen; Overijsel 1 voor en 1 tegen; Groningen 1 voor en 1 tegen; N. Br. en Limb. 1 voor en 1 tegen; Drenthe 2 tegen; W. C. blanco, d.i. 10 voor en 8 tegen en 1 bl.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's