Uit de Pers.
De kenteekenen der ware Kerk,
We lezen in de Dogmatische fragmenten van Ds. J. J. Knap Cz., Ned, Herv. predt. te Groningen (uitgave van J. H. Kok te Kampen) in het hoofdstuk over de ware en valsche Kerk, het volgende over de beide reformatorische kenteekenen der ware Kerk, die in den grond der zaak feitelijk één zijn, namelijk de zuivere bediening des Woords en der Sacramenten :
„In de eerste plaats noemen we de zuivere bediening van Gods Woord, want er kan geen ware Kerk zijn waar deze niet gevonden wordt. Het Woord Gods en de Kerk staan in dezelfde verhouding tot elkaar als wfiarin het zaad tot de vrucht staat. De Kerk ontstaat nergens en nooit spontaan uit zich zelf, maar zij ontkiemt uit het Woord dat van te voren uitgestrooid werd als een levend zaaisel. Ook toen er nog geen geschreven bijfiel bestond, was het tot de profeten en zieners gesproken Woord Gods de kracht waardoor het genadeleven onder de medewerking des Geestes gewekt werd. Zoo is het altoos gebleven. Zelfs toen de profetie na Maleachi eeuwenlang zweeg en er geen nieuwe openbaring in de wereld ingedragen werd, was het Gods Woord dat in de juist toen opgekomen synagoge bediend werd, waardoor het geloof en dus ook de Kerk in stand gehouden werd. Toen Jezus in de volheid des tijds verscheen, verkondigde Hij alweder et woord des koninkrijks als onze hoogste profeet. De apostelen droegen dit woord onder de heidenen en zagen als vrucht hiervan de Kerken langzaam doch zeker ontkiemen. En zoo is ook na het uitsterven van het apostolaat aan de herders en leeraars der gemeente het thans geschreven Woord Gods in handen gegeven, om uitsluitend daarmede als dienaren des Goddelijken Woords — hun schoonste naam — de Kerk des Heeren te helpen bouwen en bevestigen. Wie eenmaal oog gekregen heeft voor den innerlijken, genetischen .samenhang tusschen de Kerk en het Woord Gods, begrijpt de vermaning van den Christus: Indien gijlieden in mijn woord blijft, zoo zijt gij waarlijk mijne discipelen"; hij begrijpt de uitspraak van den apostel: Die in de leer van Christus blijft, deze heeft beiden den Vader en den Zoon"; hij begrijpt ook de schijnbaar zoo harde waarschuwing, die er aan toegevoegd wordt: Indien iemand tot ulieden komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis". (Zie Joh. 8:31; 2 Joh. 9:10). Waartoe zouden wij meerdere uitspraken aanhalen.? De Schrift staat vol vermaningen om de gezonde leer in waarde te ouden, het ons toebetrouwde pand te bewaren, en bij wet en getuigenis te blijven daar wij anders den euwigen nacht tegemoet gaan. Heel de Kerk wortelt n het Woord, leeft uit het Woord en ontvangt haar wasdom uit het Woord. Juist dit is de zegen der reformatie geweest, dat het Woord weder in 't midden der gemeente als een opengeslagen boek werd nedergelegd. Dat Woord maakt ons den weg des levens bekend, het roept ons tot de paden der gerechtigheid en des vredes, het steunt ons door zijn beloften op onzen pelgrimstocht, het maant ons van de zonde af en lokt ons om het zachte juk van Christus op ons te nemen, het troost ons in onzen rouw, bemoedigt ons onder de levensnooden, bestraft ons wanneer wij struikelen en vallen, en schuift voor ons verlangend oog zelfs het gordijn van voor de eeuwigheid weg, zoodat wij een blik mogen slaan in het lichtende Vaderhuis. Het Woord zal men laten staan. Van het Woord zal men met grove vingers afblijven. In het Woord ligt de fundeering der Kerk. overal waar niet de stem des vreemden in de veradering der geloovigen gehoord wordt, maar de zuivere, klankvolle stem des Woords; overal waar dat Woord geëerd en in alle dingen gehoorzaamd wordt; overal waar dat Woord de maatstaf is waaraar het kerkelijk en persoonlijk leven stiptelijk geegeld wordt, waar zijn werking door geen menschelijke inzettingen of voorschriften gestuit of belemmerd wordt, doch waar zijn volstrekte heerschappij beleden en aanvaard wordt — daar en daar alleen is in absoluten zin de ware Kerk aanwezig en daar wordt op lieflijke wijze eervaren, hoe 's Heeren genadige aangezicht ons toestraalt in de zuivere leer van Zijn heilig Woord.
Als tweede kenteeken der ware Kerk wordt hieraan gewoonlijk toegevoegd de zuivere bediening der sacramenten, de heilige Doop en het heilig Avondmaal, die door Christus zijn ingesteld.
Inderdaad worden zij in de Schrift meermalen te zamen genoemd. Wanneer Jezus den apostelen opdraagt, om het evangelie aan alle volken te prediken en hen te onderwijzen, wordt deze lastgeving die het Woord raakt, onmiddellijk aangevuld door het bevel dat op. het sacrament ziet: „dezelve doopende in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes". En ieder denkt hier ook onwillekeurig aan de schoone beschrijving der eerste gemeente, wier leden, volhardende waren in de leer der apostelen, — zie daar het Woord — maar dan toch ook, ja, juist daardoor, in de gemeenschap en in de breking des broods en in de gebeden, — ziedaar het sacramenten.
Niemand denke nu echter, dat deze twee los aaneengeregen en zonder innerlijk verband zijn. Eer moet gezegd worden, dat Woord en sacrament naar hun aard onafscheidelijk met elkaar verbonden en feitelijk éen zijn. In het sacrament wordt toch volstrekt niets nieuws toegevoegd aan den inhoud des Woords, maar het is dezelfde waarheid, die er door bevestigd wordt. Het Woord brengt ons de boodschap der genade, dat ons vanwege het eenige slachtoffer van Christus, aan het kruis volbracht, vergeving der zonden en het eeuwige leven uit genade geschonken wordt. Dit is de hoofdsom des evangelies waarvan het kruis het vaste middelpunt is. En datzelfde evangelie wordt ons nu ook voorgesteld in het sacrament zonder dat er iets aan toegevoegd wordt. Het water in den Doop spreekt van de afwassching onzer zonden door het bloed en den Geest van Christus. En het gebroken brood met den uitgegoten wijn spreken eveneens van 's Middelaars verzoenend lijden en sterven. Eén inhoud dus in Woord en sacrament. Maar dan met dit onderscheid, dat het Woord met het oor gehoord en het sacrament met het oog gezien wordt, waarom onze Vaderen het laatste wel het zienlijke Woord plachten te noemen. De band tusschen de twee is' zoo innig, dat de teekenen van het sacrament op zich zelf ijdel en ledig zijn, indien het Woord der instelling en der belofte er niet aan toegevoegd wordt.
De Roomsche Kerk maakt het sacrament los van het Woord eu zoekt er het eigenlijke en wezenlijke in. Maar de reformatoren hebben geleerd, dat het element van water, brood en wijn eerst sacramenteele kracht verkrijgt wanneer het Woord er bij komt. De sacramenten zijn teekenen en zegelen van stoffelijken aard, die op zich zelf geen nut doen. Wit ze beteekenen en wat ze verzeg'élen zegt het Woord, dat geestelijk naar zijn aard is, er nu bij, en dan eerst wordt hun werkzame kracht voor het geloof openbaar. Het teeken zonder het Woord is een hiëroglief. Het zegel zonder het Woord maakt den indruk van een zegel, dat aan een onbeschreven perkament gehecht wordt. Maar met het Woord en door het Woord wordt het element tot sacrament. Zoo zal het duidelijk zijn, dat de minste onzuiverheid in de bediening des Woords noodwendig ook de bediening van het sacrament verontreinigt. Waar het éen geschonden wordt, kan ook het ander niet in zijn gaafheid bewaard blijven, en daarom worde voor de ware Kerk de eisch van een reine bediening van Woord en sacrament met onverbiddelijke strengheid gehandhaafd.
Ten slotte zij er nog met ernst op gewezen, dat de ware Kerk, zal zij op den duur haar karakter niet verliezen, de beide genoemde kenteekenen zeer bepaaldelijk als Kerk behoort te dragen. Wij raken hiermede aan een teer punt, dat wij wegens het gewicht der zaak echter niet onder stilzwijgen mogen voorbijgaan. Men zou kunnen meenen, dat het reeds voldoende was, indien hier en ginds in een bepaalde kerkgemeenschap Gods Woord nog onverkort van den kansel, in de leerkamer en langs de huizen gebracht werd, terwijl elders de waarheid die naar de godzaligheid is in het aangezicht weersproken wordt. En natuurlijk, wie zal het niet dankbaar erkennen, het is een uitnemende zegen, indien er ook in een vervallen Kerk nog getrouwe dienaren des Woords gevonden worden, ja, ook een breede schare van geloovigen, die bij het Woord wenscht te leven. Men mag, zoo deze gevallen niet al te sporadisch voorkomen doch zich gaandeweg vermenigvuldigen, hieruit zelfs besluiten dat 's Heeren Geest niet van zulk een Kerk geweken is, en dat er, dank zij Gods trouw, nog een toekomst voor haar weggelegd is.
Hiermede is echter volstrekt niet gezegd, dat zulk een Kerk recht voor haar God staat. Hoe dankbaar men ook zij, dat de waarheid weer uitspruit en dat er in den afgehouwen tronk nog leven schuilt, hetwelk ook weder naar buiten uitbot, het zou schuldige oppervlakkigheid zijn, indien men hiermede voldaan was. Zeker is het teeder worden der takken een hoopvolle profetie van de naderende lente, die. God geve het, door de volle en rijke zomerweelde gevolgd worde. Maar dit werpt ons met te meer kracht den plicht op de conscientie om te arbeiden aan een toekomst, waarin de Kerk ook weder als Kerk het licht des Woords op den kandelaar stelt. Het is niet genoeg, dat de reine bediening van Woord en sacrament nog geduld wordt, het is zelfs niet genoeg, dat zij met méér vreugde gezien wordt dan de afwijking van het pad der waarheid; maar onze stand voor God wordt eerst zuiver, wanneer de Kerk in haar geheel en op alle plaatsen niets anders toelaat dan wat haar kenteeken eischt, en wanneer dus niet sommige of vele, maar alle leeraren worden dienaren des Woords en uitdeelers der verborgenheid Gods."
„Preken recht uut den kop". In het confess, weekblad de „Geref. Kerk" deelt Ds. C. A. Lingbeek, van Spijk, een voorbeeld mede van de merkwaardige voorstelling, die sommige „broeders" zich maken van het werk van den Heiligen Geest bij de godsdienstprediking. Een jong, ons bekend leeraar, die pas zijn intrede had gedaan in zijn nieuwe gemeente, kreeg", vertelt hij, — of het spul sprak" — elken Zaterdag, juist als hij wilde studeeren, bezoek van het een of andere kerkeraadslid.
En vaak was de een nauwelijks weg of de ander kwam binnen. Eerst dacht hij aan „toeval" en dat dat weldra wel veranderen zou. Maar toen het zoo bleef voortgaan en hij er eindelijk een der ouderlingen eens op aansprak, wat hoorde hij toen?
»Ja, ge moet het maar recht uut den kop schudden en niet uut 't boeksken. Ge moet uut den Gêst preken; dat hebben wij veel liever! Schud 't maar gerust recht uut den kop".
Nu bemerkte hij, dat al die Zaterdagavond-visites hadden moeten dienen, om hem te verhinderen te studeeren.
Blijkbaar waren die broeders van meening, dat een onbestudeerde preek een preek was uit den Geest des Heeren, terwijl een bestudeerde preek een preek was uit het natuurlijk verstand of uit de boeken, maar niet uit den Geest des Heeren".
Het onderwijs kan niet te duidelijk zijn. Bart van de Veluwe vertelt in de „Sch. m. d. B." een paar staaltjes, ten bewijze dat het onderwijs, vooral in de lagere klassen, niet licht te duidelijk kan zijn en dat men zich nog minder mag laten verschalken door verzuimers wanneer er iets nieuws moet geleerd worden. Hij deelt dan het volgende mede:
De juffrouw in de laagste klasse had Het mooie versje van Heye »Des Heeren Huis" geleerd. En de jeugdige zangers zongen het werkelijk heel lief. Maar bij de verklaring had Flip van den bakker niet aanwezig kunnen zijn, aangezien er wegens het slachten van de keu familiefeest was. Dit ééndaagsch verzuim wreekte zich bitterlijk. Nu zong hij maar voor't vaderland mee, en, nog eenigszins abnormaal vanwege de bloedworst en de balkenbrij, construeerde hij in een minimum tijds „den grijzen mosterdtoren", een zonderling bouwwerk, dat den „grijsbemosten toren" moest voorstellen.
Och! Wat een toer is het toch in de laagste klas, om die groentjes te ontgroenen, te ontbolsteren en te ontwikkelen! Niemand onzer zal dan ook beweren, dat de juffrouw 't werk op haar slofjes af kan. Want de heele klas moet vooruit, dus ook de discipelen met kafferschedeltjes. En deze kunnen soms zoo wanhopig hard en dik zijn.
„Doris! zeg jij nog 's, wat Kaïn met Abel deed". — „Ie sloeg 'm dood!" — „Kom, Dorus! zeg dat eens netter!" — „Ie sloeg 'm as-toe-blieve dood, juffrouw!" Waarlijk, bij zulke elementen moet men wel een centenaar geduld en 100 pond wijsheid bezitten.
Kwam er onlangs niet een eerste-klassertje verheugd naar moeder huppelen, om mee te deelen, dat de juffrouw zoo mooi verteld had van Rebecca? En zei 't ding niet, dat Rebecca een „luier" voor haar gezicht deed, toen ze Izaak bemerkte?
Wie hier de schuld had van deze zonderlinge vergissing, durf ik niet beslissen, 't Meiske kan zeer onoplettend geweest zijn onder 't vertellen; maar mogelijk ook lag het ditmaal aan de onderwijzeres, die het begrip „sluier" niet voldoende had toegelicht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 oktober 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 oktober 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's