De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

10 minuten leestijd

Worden niet twee muschjes om een penningske verkocht ? Én niet één van deze zal op de aarde vallen zonder uwen Vader, En ook uwe haren des hoofds zijn alle geteld. Vreest dan niet: gij gaat vele muschjes te boven. Mattheüs 10:29—31.

Vreest niet!

Het houdt veel vertroosting in, dat eenmaal de tijd zal komen, waarin de Heere Zijn gemeente met eeue schitterende kroon Zijner goedertierenheid versieren zal. Voor ailer oog zal hare heerhjkheid blinken. In den tegenwoordigen wereldloop wordt zij vaak verdrukt en vervolgd, met het bloedige zwaard of anders met eene scherpe pen; een stroom van laster wordt soms over haar uitgegoten en nog altijd is de koker dezer wereld gevuld met pijlen van verfijnden spot voor hen, die zich wenschen te scharen rondom den gekruisten Christus en Zijn woord. Gods volk zal tot den dag des Heeren wel altijd een „secte blijven, die overal tegengesproken wordt". — Maar dan zal alles veranderen. Ook aan dit leed zal voor eeuwig een perk gesteld zijn. Zion zal pralen met hemelsche glorie. En de wetenschap, dat het lijden van den tegenwoordigen tijd niet is te waardeeren tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden, kan het hoofd doen opheffen en nog gemoedigd doen voortgaan ook op het meest doornige levenspad.

Gelukkig de mensch, die hier in den tijd zijns levens geoefend wordt om dien doorluchtigen dag lief te krijgen.

Toch is Gods beschermende macht niet slechts eene zaak der toekomst, maar ook van het heden. Het is niet zóó dat de vijanden van 's Heeren kerk in den tegenwoordigen ind hun woesten gang kunnen gaan en naar eigen goeddunken kunnen handelen, blazende dreiging en moord tegen de discipelen des Heeren. De poorten der hel, waaruit het geweld opwoelt tegen de gemeente Gods, worden niet wijd open gelaten totdat zij in een toekomst die nog verre is —'of misschien al dicht nabij ? — plots gesloten worden. Neen, maar met Zijn almachtige hand houdt de Heere het rijk der duisternis, de hel van heden in bedwang; Hij legt Zijn toom in de kinnebakkens der volken en ook over elk menschenkind, dat kwaad aanstichten wil tegen den uitverkorene Gods gaat het woord der Schrift: „gij zijt als een ingebogen wand, als een aangestooten muur."

Er valt geen muschje "op aarde zonder den wil van uwen Vader. Zoo luidt de heerlijke vertroosting van den Heere Jezus, toen Hij Zijne discipelen sprak over hen, die het lichaam kunnen dooden. Welk eene lieflijke verkondiging van Gods vaderlijke zorg ligt er in de hierboven geplaatste tekstwoorden. De Heiland, de groote verzorger der zielen, weet zoo goed welke vrees en twijfel er in den mensch rijzen kan, wanneer de weg van Gods kinderen, de weg Zijner discipelen, de weg van de predikers van het Evangelie des Koninkrijks als met hinderpalen bedekt is. Als geeselslagen, laster en dood hen dreigen, is er wat toe noodig om moedig voort te gaan. Satan weet het: Huid voor huid en al wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven. De bleeke dood moet den belijders van Christua maar aangapen en dan niet te vreezen wie is daartoe bekwaam ? Wat is er van een wankelmoedig hart te wachten ? Niet anders dan dat men onder het dreigende leed twijfelmoedig klaagt: ik zal te dezer dage nog omkomen. Dat is dus heel iets anders dan het gevaar onbevreesd onder de oogen zien.

Om nu Zijne discipelen te bemoedigen, spreekt Hij hen van twee muschjes. Twee muschjes die tezamen één penning waard ziin. — De Heere Jezus, de geestelijke mensch bij uitnemendheid, weet den prijs van een  muschje. Het ware geestelijke leven sluit de bemoeienis niet uit met de markt dezes levens. — Twee muschjes voor een paar centen! Hoe weinig waarde vertegenwoordigen zij! Doch als er een door koude, vermoeienis of honger op de aarde valt, gaat dit niet buiten uwen Vader om, zegt de Heiland tot Zijne discipelen. Iets dat nog versterkt wordt door de sprake van de haren des hoofds. Het geringste ontgaat niet aan de zorg des Heeren. Vreest dan niet! Gij gaat vele muschjes te boven.

Welk eene krachtige vertroosting voor allen, die voor God leerden vreezen. Zij mogen de grootheid Gods zien zoowel in Zijn macht om lichaam en ziei te verderven in de hel, alsook in Zijn trouwe bewaring. Van'den Rechter mogen zij blikken op den Vader. Wel hem, die als een verloren zooli voor den Heere mag bukken; hij zal des Vaders gunst in rijke mate ervaren. In het dal van verootmoediging zullen de op onze daken tjilpende muschjes nog tot bemoediging zijn.

Door het woord dat Christus van de vogelkens heeft uitgesproken en in de Schriften voor ons heeft neergelegd. Als Gods voorzienigheid alleen ging over wereldgebeurtenisseu, over hetgeen de menschen groot noemen, over hetgeen vele hoofden en harten in beroering brengt, over aardbevingen, wereldgewoel en oorlogsgeweld, ' dan zou de stille heerschende gedachte van een nietig mensch kunnen zijn: „met mij bemoeit zich de groote God niet dan alleen in zooverre dat mij toegestaan wordt mijn leven voort te leven onder het groote wereldgebeuren." Maar nu worden de vogelen genoemd en van hen haast nog de minst geachte. En die vogeltjes, die ons dagelijks; omringen, die op onze straten huppelen, brengen ons een sprake, predikende ons de zorge Gods: , ik zaai niet, ik maai niet, ik weet niet waarvan ik morgen leven moet en nochtans voedt God mij." En als er dan een muschje dood op de aarde ligt.... och, daar wordt vaak zoo weinig op gelet, wijl ook Jezus' Woord vaak zoo dood voor ons is... maar dat neemt toch niet weg dat ook dit doode vogelke ons veel heeft te zeggen. De Heiland heeft voor goed door Zijn levend Woord aan zulk een levenloos muschje de vermelding verbonden van Gods groote bemoeienis met het kleine. Dit diertje is van het begin tot het eind van zijn kleine leven onder de hand des Heeren geweest. En dit niet op een afstand. Neen, een bepaalde  wilsdaad van den Almachtige ging er over. De woorden : „niet zonder uwen Vader" klinken ook over dat ontzielde lichaampje heen. O, dat wij toch nauw met den Heere en Zijn; Woord leven mochten, om Hem te vreezen die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel. „Vreest dan niet; gij gaat vele muschjes te boven" zou als een hemelsche stem gehoord worden in de binnenkameren onzer ziel.

Immers wanneer nu de discipelen zouden! gedood worden, zouden de stervende lippen mogen belgden: niet zonder mijnen Vader.; Of ook als de geeselslagen hunnen rug doorploegden, onder krimpende pijnen zouden zij mogen zeggen: niet zonder mijnen Vader. En gelooft gij niet, mijn lezer, dat het ook voor u, als gij soms onder 's levens lasten droevig het hoofd buigt, een onuitsprekelijk voorrecht is, als ge naar boven moogt blik' ken en zeggen: „niet zonder ü, o Vader!? Met zonder ü op het krankbed. Niet zonder ü bij een ontledigden stal of een verdorden wijnstok. Niet zonder U bij de ellende van den tegenwoordigen tijd, bij den smaad dezer wereld om den Naam van Christus." Gij gelooft toch wel met mij dat u niets ontbreken zou, al ontbrak u alles? „Gij gaat vele muschjes te boven." Dit moest der discipelschaar moed geven in moedelooze tijden, opdat zij het hoofd zouden opheffen in het strijdperk van dit leven. Wat zouden menschen hen kunnen schaden, als ook die schade daar niet was zonder hunnen Vader, zonder Hem, die alle schade nog tot eeuwig heil doet gedijen, ja, die ook de dood stelt tot een doorgang tot het eeuwige leven. Vreest dan niet, gij gaat vele muschjes te boven.

Hoe dit laatste bedoeld wordt? O zeker, bij; ontdekkend licht acht de mensch zich in zekeren zin geringer dan de vogelen. Ook door hun eentonig tjilpen verkondigen zij onbewust de grootheid van den Schepper. Maar wij, met verstand en wil begaafd, laten na met bewustheid Gods Naam te prgzen. Wel, zijn dan de vogelen des hemels niet tot beschaming ? ... En toch zegt de Heiland: gij gaat hen te boven.

Neen, niet naar menschelijk oordeel, maar naar het oordeel Gods. Hij, die ziel en lichaam kan verderven in de hel, is met een bijzondere zorg vervuld voor Zijn duurgekochte gemeente. Duurgekocht! Naar Gods . eeuwigen raad met het dierbaar bloed van Christus. Een muschje is eenige centen waard en God zorgt er voor. Welaan dan! Als dan niet door goud of zilver, maar door het dierbaar bloed des Zoons de gemeente gekocht is uit haren ijdelen wandel, wie zal dan dien koopprijs naar waarde schatten? Zoo is toch de roemtaal des apostels te begrijpen: zal Hg ons met Hem niet alle dingen schenken? Nietwaar? Hier komen wij tot het middelpunt van de voorzienende zorg Gods. Weleens de bijzondere voorzienigheid genoemd, Hier opent zich voor het door den Geest' verlichte oog de meest wonderlijke ontferming Gods. Daar is de mensch, hopeloos verloren in zichzelf, vervreemd van de kennis Gods en de verbonden der belofte, ontvluchtende zijn Maker, in plaats van naar Hem de toevlucht te nemen. Maar God, de eeuwige Liefde, heeft Zich Zelf bewogen om naar den gevallen mensch om te zien. Zijn Welbehagen alleen is de oorsprong van al Zijn bemoeienis,

Zijn Welbehagen! Anders niet Daarom heeft Hij Zijnen Eeniggeborene gegeven! Daarom is de schuld der zonde voor Zijn gemeente betaald. Daarom heeft Hij haar het leven en de gerechtigheid doen vernieuwen en wedergeven. Daarom heeft Hij Zijn volk gerechtvaardigd in Christus, geheiiigd in Christus, voor alle eeuwigheid. Welnu, als wij aan deze eeuwige Hefde gedenken — wie kan er anders dan slechts ten deel over denken en spreken? — en aan het eeuwig geheiUgd voorwerp van die liefde, neen, dan geldt het hier niet een menschelijke, maar een Goddelijke waardeering, en dan kunnen wij het verstaan dat de Heere Jezus zegt: gij gaat vele muschjes te boven. Dan zal het ook niet mogelijk zijn dat iets hen zal scheiden van de liefde Gods tn Christus Jezus, hunnen Heere. Het ware te wenschen dat dit meer eene geloofszaak was. Het is zoo vaak alleen een belijdenis die beredeneerd wordt en besproken Trouwens, het is ook gemakkelijker er over te spreken dan haar in de moeite des levens te handhaven. Daar is genade voor noodig om, wanneer de nooden van het lichaam prangen, uit een op de aarde gevallen muschje de taal van Goddelijke vertroosting te beluisteren. Het woestijn-leven is veel meer een leven van murmureerrng tegen God dan van een klagen over zichzelf. En door dit laatste alleen komt de mensch tot het „niet vreezen". Hei is zoo jammer dat de' mensch aitijd met z n eigen waarde begint. Daarmede moest hij niet beginnen.' Wat is een schuldvol mensch waard? Hoeveel penningen, iemand die eene eeuwige schuld heeft? ieder die hiermee begint zal heerlijk eindigen De waardeering des Heeren zal hem als een rein kleed bedekken. „Ik heb ü, o mensch, van eeuwigheid aangezien m mijnen Zoon" Onuitsprekelijk groote zaak! Alles zal u dan spreken van de teedere liefde Gods. Alles Het groote rondom u, ook het kleine. Zelfs een muschje bevestigt u in de vertroostmgen des Heeren. En de liefde drijft alle vrees buiten. Vreest dan niet gij gaat vele muschjes te boven. '

Zelfs vindt de musch een huis, o Heer' De zwaluw legt haar jongskens neer in 't kunstig nest, bij uw altaren. BIJ U, mijn Koning en mijn God! Verwacht mijn ziel een heilrijk lot. Geduchte Heer der legerscharen' Welzalig hij, die bij U woont, Gestaag u prijst en eerbied toont

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 oktober 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 oktober 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's