Stichtelijke overdenking.
Want Hij zeide: Zij zijn immers Mijn volk; kinderen, die niet liegen zullen. Alzoo is Hij hun geworden tot een Heiland. Jes. 63:8,
Kinderen, die niet liegen zullen.
De profeet maakt zich op om den veelvoudigen lof van Gods goedertierenheden over Zijn volk Israël te vermelden. Tot beschamens toe is God goed over Zijn volk. Overrijk is de stof hun geboden om te roemen — nooit in zichzelf, maar in den Heere alleen.
Als wij Gods ontferming leeren zien tegenever eigen zondebederf, stemmen wij met Petrus in: Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mensch. Zooveel trouw tegenover zooveel ontrouw. Zoo onuitsprekelijke liefde over zulke diep-schuldige zondaren.
Waarlijk, wij zijn geringer dan al deze weldadigheid en al deze trouw.
Als wij nu in den diepen zin van bovenstaand Schriftwoord zoeken te schouwen, geve God ons dan een hart en een tong om met den profeet oprecht in te stemmen, als hij den veelvoudigen lof des Heeren vermeldt.
Want Hij zeide; 't woordeke want duidt aan dat in de volgende woorden de reden ligt vervat, die den Eeuwige beweegt om Zijne goedertierenheid over Zijn volk te openbaren. Hg zeide, Hij overlegde bij zichzelf: Zij zijn immers mijn volk!
't Is dus niet hun harte-gesteldheid of hun levenswandel, die Gods welbehagen tot hen trok. Neen, zij waren gelijk als al de anderen afgeweken van den Heere; allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, daar is niemand die goed doet of God zoekt.
Dat leert een herboren ziel met diepe schaamte erkennen; daar is geen ander onderscheid dan dat hun schuld nog grooter, hun zonde nog snooder is, Paulus, die zichzelf den voornaamste der zondaren noemt, vindt navolging bij eiken zondaar, die zichzelf leert zien in den zonne-zuiveren spiegel van Gods heilige Wet,
't Is een ontzaglijke waarheid, waarachtei de ervaring schuilt van 't omkomen in duizend dooden, dat't werk der wet geen vleesch voor God rechtvaardigt. De zaligheid wordt door geen doen verkregen. Als uit de verstijving van zonde's doodslaap onze conscientie opwaakt, dan toont zij ons al onze gerechtigheid als een wegwerpelijk kleed voor God, Heil u, lezer, als Gods genade u van alle eigengerechtigheid heeft ontbloot en u 't woord des apostels op de lippen legt: ik ellendig mensch! Dan vlucht gij tot Hem, Die den goddelooze in Christus rechtvaardigt.
Maar in elk hart woont een Remonstrant, En heel 't leven is noodig als leerschool om uit genade zalig te leeren worden.
Alles in ons komt daartegen in opstand. Onder ons menschen is dat niet bekend. Bij ons geldt: voor wat hoort wat, genade is van hemelschen oorsprong. Zij doet 't schuldig hart zoo wondervreemd, niettemin weldadig aan,
Hoe moeilijk de eeuwige genadegift te aanvaarden is blijkt wel 't meest uit de traagheid, vreesachtigheid, bekommering en 't kleingeloof van ontdekte zielen.
Waar zondebesef diep in 't hart is ingedrongen wordt 't geloof eerst recht Gods gave, en Hij kan ons alleen leeren den schat van 't eeuwige leven om niet te aanvaarden, Koopen „zonder geld en zonder prijs" is een .moeilijk werk.
Als alle inbeelding in scherven viel, dan wordt Gods gave eèn wonder en om dat te aanvaarden missen wij van nature 't orgaan.
Wij hebben hier lang bij stilgestaan, omdat oen begenadigde nooit moede wordt eigen en waardigheid uit te roepen.
Wat beweegt God den Heere dan om Zijn volk tot een Heiland te zijn?
De band, dien Hij zelf heeft gelegd: ze zijn immers Mijn volk; 'n band niet gevlochten uit de brooze vezelen van eigengerechtigheid en toewijding en ijver maar uit de onbreekbare koorden van Zijn eeuwig Welbehagen, 't Behaagde den Eeuwige van voor de grondlegging der wereld om een volk te hebben, dat Zijn lof ver telle. Hem als Koning, als Vader eeren en Zijn Naam aanbidden en groot maken zou.
Dit volk is 't snoer Zijner erve, naar Zijn Naam genoemd; Hij heeft Zijn Naam op dat volk gelegd, hun Zijn trouw verpand, hen in Zijnen beide handpalmen gegraveerd; 't is Zijn heilige lust Zichzelf in dat volk groot te maken en te verheerlijken. De vastheid van Zijn eeuwige Raadslag, de onwrikbaarheid van Zijn welbehagen, de onweerstandelijkheid van Zijn Werk vorderen, dat dit volk Zijn volk zal zijn, eeuwiglijk en altoos. Zoover is 't er vandaan, dat Hij 't ooit prijsgeven zou.
Onlosmakelijk, onafscheidelijk heeft Hij Zich met dat volk verbonden, 't Verbond Zijns Vredes wankelt niet.
In die innige, door Hem Zelf gewrochte betrekking tusschen God en Zijn volk, onvergankelijk als God Zelf, werkt de drang, die Hem beweegt al den rijkdom Zijner genade over dat volk tot openbaring te brengen.
Behoeft 't nog gezegd, dat alle grond voor zelfbehagen van 't schepsel, alle roem is uitgesloten ? Die teedere verbondsrelatie dringt den Allerhoogste om zondaren, die in zichzelf doemwaardig zijn maar in Christus rechtvaardig worden gesteld, tot een Heiland te zijn.
Zij zijn kinderen, die niet liegen zullen! . Op den klank af zou dit woord bévreemding kunnen wekken. Als werd hierdoor al 't tevoren gezegde weer omver geworpen; als zou God Zijn volk aannemen, hun macht gevende Zijne kinderen genaamd te worden in de verwachting, dat zij zich straks Zijn weldaad waardig zullen betoonen. 't Tegendeel is echter 't geval. Van eeuwigheid zijn Gode' alle dingen bekend.
Een dergelijke verklaring komt ons onaannemelijk voor, zelfs als — wat sommige Schriftverklaarders deden — men meenen zou, dat hier op bewust-menschvormige wijze van God gesproken zou worden. Ons lijkt 't toe, Gode iets ongerijmde toeschrijven, deze woorden te verklaren, als schonk God Zijn volk genade in de onderstelling, in de verwachting, dat zij zich dankbaar zullen betoonen voor Zijne gaven; en als zou deze verwachting gevoegd bij de verbondsbetrekking Hem dringen hun tot een Heiland te zijn.
Voor zoover 't aan hen ligt, laat ons dit met diepe schaamte belijden — is er geen ondankbaarder volk dan 't volk van God, en geen ondankbaarder werk dan zondaren genadig zijn. „Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd, maar zij hebben tegen Mij overtreden. Een os kent zijn bezitter en een ezel .de kribbe zijns heeren, maar Israël heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet. Ik heb mijne handen den ganschen dag uitgebreid tot een wederstrevig volk". Wie kent ze niet, deze woorden zoo zieldoorborend en beschamend ?
Maar hoe kan de Heere dan zeggen: 't zijn immers kinderen, die niet liegen zullen.
Deze dingen gaan diep. 't Zijn metterdaad kinderen, die niet liegen zullen, maar dat is niet uit hen, 't is Gods gave. Dat zij niet liegen zullen, dat zij eenmaal ten aanschouwen van engelen en menschen als Gods wellieve kinderen openbaar zullen worden, dat is vrucht van Gods werk voor, aan en in hen.
Dat niet-liegen is de uitwerking van dien hechten band, waarmede God de Heere hen bond aan Hem, Die hen liefheeft met een eeuwige liefde.
Onbreekbaar is die band; welnu even zeker is 't, dat Hij Zijn Doel in hen bereikt; 't kan niet falen, eens zullen zij 't uitroepen: Gij hebt mij overreed en ik ben overreed geworden.
't Kan niet falen, eens zal de boom, dien de Hemelsche Landman plantte en die daarom goed is, goede vrucht voortbrengen.
Even waarachtig als 't is, dat uit hen geen vrucht is in der eeuwigheid, even gewis is 't, dat hun vrucht uit Hem gevonden wordt. De Opperste Wijsheid zal in haar kinderen gerechtvaardigd worden.
Hier blinkt de majesteit van Gods werken op 't hoogst, 't Steenen hart moet wijken voor een nieuw, een ander hart; de vijanden van nature worden kinderen door genade, op wier lippen 't Abba Vader ruischen zal.
Dat kan niet liegen. 't Stug en wederkeerig gemoed zal vermurwd en verteederd worden; de afkeerige aanhankelijk, de onwillige gansch gewillig, de hater van nature leert belijden: 't is mij goed, mijn zaligst lot, nabij te wezen bij mijn God
Hier openen zich wonder-diepe vergezichten; hier schittert als diamanten der heerlijke waardij van 't werk der zaliging. Als God een zondaar zalig maakt, dan gaat dit anders toe dan wanneer de sterke arm van 't gericht een misdadiger aangrigpt en hem — ondanks al zijn verzet — met geweld desnoods, in verzekerde bewaring stelt; bij God is geen dwang maar drang, zei een kerkvader. Hij leidt geen vijanden, maar kinderen in den hemel Zijner heerlijkheid binnen. Hij doet den wolf verkeeren in een lam, den vijand in een vriend, den onwillige in een gewillige, den verharden zondeslaaf in een boetvaardigen tollenaar, den snooden verloochenaar in een berouwvol discipel. Hij herschept en vernieuwt en wederbaart 't hart, en brengt den afkeerige van natuur zoo zeer onder de alles-overtreffende macht Zijner Goddelijke bekoring, dat de kreet der verrukking wordt beluisterd: alles aan Hem is gansch begeerlijk; Wien heb ik nevens U in den hemel, nevens U lust mij ook niets op de aarde!
Dit is tot onuitsprekelijke vertroosting, voor wie zichzelf recht kent en zoo dikwerf de klacht moet slaken dat 't eigen hart zoo koud, zoo dor, zoo hard, zoo ongevoelig en onvruchtbaar is,
't Zijn kinderen, die niet liegen zullen; de dag komt, dat zelfs de grootste smaler en tegenstander geen zweem van twijfel meer zal durven opperen aan de echtheid van 't kindschap der geloovigen; de dag komt, dat God, Die harten kent en nieren proeft, van den verblinden hardnekkigen Saulus getuigen' zal: zie, hij bidt.
Voor Manasse breekt de ure aan — al is 't ook in een kerker — dat de ijskorst smelt, 't stugge vermurwd wordt, en de lippen 't erkennen: de Heere is God, de Heere is God,
Dat weet God, 't Is Hem bekend wat van Zijn maaksel is te wachten, niets; Hij verwacht er ook niets van; Hij verwacht 't van Zijn eigen onweerstandelijk, aldoordringend en bezielend werk, en dat zal niet ledig tot Hem wederkeeren, en daarom, daarom alleen, breidt Hij Zijn schild over hen uit, leidt ze in Zijn schuilplaats binnen en is hun tot een Heiland geworden, omdat Hij weet, dat 't kinderen zijn die niet liegen zullen.
Alzoo is Hij hun tot een Heiland geworden. Hij heeft hen voor Zijne rekening genomen, onder Zijne hoede en leiding. Welk een innig teedere zorge hierin ligt uitgedrukt, blijkt uit de volgende woorden, waarmee dit Heilandzijn des Heeren over Zijn volk wordt toegelicht.
In al hun benauwdheid is Hij benauwd! Als hun wateren eens vollen bekers worden uitgeperst, als de golven en baren over hun hoofd heengaan, houdt Hij zich niet als een vreemde van verre, maar in allen nood is Hij bij hen, tot hun hulpe steeds gereed. Ja, Hij heeft de pers voor hun getreden en den drinkbeker der smarte voor hen tot op den droesem geledigd; en als Hij ze nu nog langs donkere wegen leidt, is 't enkel, opdat zij straks zullen smaken de vrijheid van Gods kinderen, en opdat Hij ze door de diepte zal voeren naar 't Vaderhuis op de blinkende bergen der eeuwigheid.
En dit alles ligt vast; want: Zijn grondslag. Zijn onwrikb're vastigheden. Heeft God gelegd op bergen Hem gewijd!
Waar 't nu enkel maar op aankomt, is dat wij ons met alle zonden en wonden op Hem leeren verlaten. Die trouwe houdt en nooit laat varen.
Liggen wij voor eigen rekening, dan vleien wij ons met een valsche hope voor de eeuwigheid, en 't ontwaken uit dien waan zal vreeselij k zijn; vleesch en bloed zullen het Koninkrijk Gods niet beërven.
Hij is gelukkig te achten, wie dit door genade mag leeren zien; wel breken er voor dezulken bange dagen aan in het schrikdal der ontdekking, waar al onze gerechtigheid en al onze verwachting vergaat, maar Hij, Die geen half werk doet leert ook 't oog hulpzoekend opheffen naar de bergen van Gods Ontferming. En van Vaderlippen ruischt dan zacht en stil tot den verlorene: Vrees niet. Ik help u.
Hoe fel de tegenstand woede van hel en satan, zonde, wereld, vleesch en bloed. Hij, Die u roept is getrouw. Die 't ook doen zal.
Zwak en schuldig in u zelf, ontrouw en verloren alle dagen, nochtans kinderen, die niet liegen zullen door Hem, die u heeft liefgehad,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 oktober 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 oktober 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's