De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

18 minuten leestijd

Van verborgen omgang.

XXIII.

In het Woord Gods heeft de Heere dus het groote middel om zijne kinderen te ontmoeten. Zooals Hij hen eerst opzocht door het Woord, zoo gaat Hij ook daarna voort hen met zijn Woord te vertroosten en te sterken. En het bleek ons, dat het diep verval van het geestelijk leven in onze kerk zich op de vreeselijkste wijze openbaart juist in de bediening des Woords. En niet alleen daarin, dat er afwijking is van de leer, die in de belijdenis ons werd overgeleverd, niet alleen daarin dat er straffeloos kan worden gepredikt wat indruischt tegen de allereerste beginselen van de Christelijke religie, maar vooral daarin, dat in de gemeenten, die zeggen zich om de belijdenis te scharen, er zooveel woord verguizing, woord verzaking, woord verachting wordt gevonden.. Uit ., dat oogpunt juist is er zooveel oorzaak tot diepe verootmoediging. Wee en ach roepen over wat elders alzoo geschiedt, kan gegrond zijn, maar het beteekent niets en krijgt zelfs het karakter van onwaarachtigheid, als niet eigen zonde wordt beleden en met eigen zonde wordt gebroken. Het is gemakkelijk over de modernen de fiolen van den toorn uit te gieten en htkn allerlei ten laste te leggen, doch laat ons toezien, dat niet het woord op ons van toepassing zij: waarin gij anderen oordeelt, daarin oordeelt gij uzelven. "Van een verborgen omgang kaü alleen sprake zijn bij oprechtheid des harten. Den oprechten, zegt de Schrift, gaat het licht op. Zoo is er dus veel, dat als een ban in het geestelijk leven der gemeente werkt onder den dienst des Woords, dat vergeleken kan worden met de doornen, die het goede zaad verstikken, veel, dat verhindert tot een verborgen omgang te komen, waartoe het Woord geschonken wordt. En nog veel meer valt dit in het oog, als we letten op hetgeen de Heere nog bij zijn Woord aan zijne gemeente heeft geschonken.

Eigenlijk moest Gods Woord ons genoeg zijn. Immers het Woord des Heeren is waarachtig. De Heere heeft zelf met een heiligen eed zijne beloften bevestigd; want als God aan Abram de belofte deed, terwijl Hij bij niemand, die meerder was, had te zweren, zoo zwoer Hij bij zichzelven. Van de waarachtigheid en de betrouwbaarheid des Woords gaat dus niets af. En toch de Heere liet het daarbij niet. Hij weet, dat wij stof zijn en kleven aan het stof, dat wij tot hinken en tot zinken elk oogenblik gereed zijn, dat ons ongeloof en onze ontrouw groot zijn, dat wij geneigd zijn om altijd maar weder opnieuw aan te zien wat voor oogen is. Ook aan die zwakheid van zijn arm en ellendig volk kwam Hij tegemoet. Het Woord, ook het woord dat wij menschen tot elkander spreken, is altijd iets geestelijks. Welke wonderen het ook doen kan, nooit is het woord op zichzelf stoffelijk van aard. Het is een bewustzijnsdaad, waardoor het bewustzijnsgeschieden van anderen wordt beïnvloed. Onze woorden roepen bij anderen de voorstellingen op, die de wortel zijn hunner daden. Maar zelf is het woord steeds geestelijk van karakter hoeveel stoffelijks er ook door wordt aangewezen. En nu is het onder ons menschen reeds zoo, dat menigmaal het woord van onzen naaste, hoe krachtig ook verzekerd, met hoeveel bewijzen ook gestaafd, toch nog geen geloof vindt, omdat er zooveel is, dat ons onwaarschijnlijk en vreemd voorkomt in hetgeen dan wordt meegedeeld. In zulk een oogenblik van uitgesproken twijfel wordt dan een beroep gedaan op hetgeen het einde kan zijn van alle tegenspraak, namelijk op het oog. Dan noodigt de een den ander om zelf te komen zien en door het oog zich te overtuigen van de werkelijkheid, die wij betwijfelen. En in dat zien met het oog is dan alle twijfel weggevaagd. Daardoor wordt alle tegenspraak tot zwijgen gebracht. Wie gezien heeft, die verklaart zich overtuigd, ook al is er nog zooveel onverklaarbaars in hetgeen hij zag. Op diezelfde wijze doet nu ook de Heere met zijne kinderen. Hij spreekt tot hen in en door zijn Woord. Hij verkondigt hun zijne groote wondere genadedaden aan een zondaar te midden zijner zonden verricht. En nu moest die sprake Gods ons genoeg zijn. Wij moesten voor dat Woord het hoofd buigen en het als Gods Woord in alle ootmoed en zonder eenige tegenspraak ontvangen en aanvaarden. Omdat het Gods Woord is, moest de zondaar er onder bukken. Maar dat juist weigert hij. Hij wil God niet gelooven, als Hij tot ons spreekt in zijne wet, maar Hij wil ook niet gelooven, als Hij tot hem spreekt in het Evangelie. Aan wet en Evangelie beide is de zondaar ongehoorzaam. En dat is niet alleen zoo bij den natuurlijken mensch, die de dingen Gods niet onderscheiden kan, noch verstaan, maar dat is ook zoo met Gods kind. Hoeveel het ook van de goedgunstigheid Gods heeft gesmaakt, hoe menigmalen zij ook hun ongeloof en ontrouw beschaamd zagen door de wondere getrouwheid Gods, die nooit ophield ons wel te doen, toch is er altijd weder de neiging om met ongeloof te staan tegenover zijne krachtig en vast verzegelde beloften. Gods kind is maar al te dikwijls als Petrus, die zijn oog richtte op de baren en aftrok van Hem, die de golven kon gebieden. Er is in de zonde zooveel, dat hem de heerlijkheid van het kindschap Gods een goed doet achten te groot voor zulk een als hij is. Hoe zou hij Gods diepgaande beloften als hem geschied kunnen aannemen, wanneer hij zichzelf aanschouwt. Het wordt hem te wonderbaar, te groot, te heerlqk. Het kan niet hem gelden. En zoo wordt dan telkens weder het ongeloof machtig en met dat ongeloof komt de vreeze en de donkerheid. Het Woord des Heeren is er dan wel, maar hoe zou hij den moed' hebben het op zichzelven toe te passen. En daarbij komt dan nu nog de trekking van de wereld, de bekoring, die uitgaat van haar glans, de innerlijke neiging des harten om de genietingen te volgen, waarmede zij trekt. En dan wordt er nevens de donkerheid, die uit den twijfel opkomt, nog de nacht geboren, die altijd volgt op den dag der aanbidding van hetgeen de wereld aanbiddelijks schijnt te hebben. Hoe zou er dan vrijmoedigheid zijn om de beloften Gods te aanvaarden als hun geschied.

Maar ook op die inzinking in het geestelijk leven is er voorziening besteld. Hoewel zijn woord genoeg moest zijn, heeft Hij toch in nederbuigende goedheid aan zijn weifelend kind, dat als de baren der zee opwaarts geheven en nedegeworpén wordt in de diepte, tegemoetkoming bereid. Om allen grond voor twijfel weg te nemen en alle reden tot ongeloof te doen vervallen heeft de Heere bij zijn Woord nu nog de zichtbaren teekenen van de sacrementen ons gegeven. In die voorteekenen en zegelen, die opzichzelf stoffelijk zijn en stoffelijk blijven komt Hij om tot ons te zeggen, dat wij zullen zien met onze oogen, zullen tasten met onze handen, zooals de catechismus ons leert op grond van Gods Woord, dat zij ons geloof op de offerande van Jezus Christus aan het kruis, als op den eenigen grond onzer zaligheid wijzen. Zij geven alzoo de beloften des Evangelies beter te verstaan, wijl zij tegemoet komen aan onze zintuigen, waarop de mensch in den loop van zijn dagelijksch leven zoo veel beter vertrouwt. Wat wij zien, wat wij tasten en smaken, dat is nog zooveel zekerder dan hetgeen wij alleen maar hooren met ons oor. De Heere verstoffelijkt om zoo te zeggen zijne toezeggingen voor ons in de teekenen des Verbonds om ons te vergewissen, dat zoo waarachtig wij zien en tasten en smaken, zoo waarachtig ook zijne belofte is. Daarom hebben dan ook de sacramenten voor den verborgen omgang met den Middelaar zulk een groote beteekenis.

En ook hierin vooral komt nu uit, hoe diep ons geestelijk leven is ingezonken, als wij opmerken, hoe weinig er genoten wordt door middel van de sacramenten, die de Heere toch daartoe heeft ingezet, opdat wij des te meer en des te inniger gemeenschap zonden smaken met Hem, dien zij afbeelden en op Wien zij wyzen.

Denk slechts aan den Heiligen Doop. Voor velen heeft de Doop als sacrament maar zeer geringe waarde, wordt hij eigenlijk als zoodanig niet gewaardeerd. Het is voor verreweg de meesten slechts een soort plechtigheid, die voor de moeder en voor den vader misschien ook nog een aangename herinnering kan hebben, maar dat er voor het kind in den Doop eenige beteekenis wegschuilt, wordt niet meer beseft. Het is dan ook niet te verwonderen, dat talloos velen vooral in onze groote steden, maar ook reeds velen in onze dorpen, die minder sentimenteel zijn aangelegd en die in beginsel toch met alle religie hebben gebroken, hunne kindereu niet meer laten doopen. Er groeit thans in breeden kring van ons volksleven een geslacht op, dat ongedoopt is en alzoo van meet af van de Christelijke religie vervreemdt. Dat ook hierin een zware schuld op de kerk drukt, kan niet ontkend worden. De volkskerkidee in de practijk toegepast blijkt een verderfelijk element in het religieuse leven des volks, want zij is slechts mogelijk door altijd verdergaande wegwissching der lijnen, door altijd meer prijsgeven van de Christelijke belijdenis, door een altijd meer inboeten van de eer der kerk. Zij is de oorzaak, dat de kerk er zich toe geleend heeft, het sacrament te verlagen tot een sentimentede plechtigheid, waardoor het mogelijk was alles te doopen wat men maar in het doophuis bracht. Het natuurlijk gevolg is geweest, dat diezelfde beginsellooze tegemoetkoming aan het zich steeds verder voortzettend ongeloof met volkomen minachting is beloond. Men acht het niet meer noodig. Het is te veel drukte voor de menschen om zich voor zulk een koude plechtigheid het moeilijk te maken. De doopjurken, die gehuurd moeten worden en de bakers of draagsters, wier hulp moet worden ingeroepen, vormen evenzoovele hindernissen en bezwaren en dus acht men het gemakkelijker niet te gaan. Onze vaders en moeders deden het nog wel met ons, maar wat geeft het? Wat hebben wij aan dien doop gehad? Wij weten er immers ons niets meer van te herinneren. Zoo spreken velen over den Doop. En dat zij er zoo over spreken, is voor geen klein deel de schuld van de kerk zelve. Omdat zij niet waarachtig den Naam van den Heere Jezus belijdt in woord en daad, omdat zij alïe betooning des Geestes en der kracht mist, omdat zij geen moed heeft gehad om te zijn, wat zij naar haar wezen als lichaam van Christus moet zijn, omdat zij de, eere van een groote volkskerk te zijn hooger heeft gesteld dan de eere, die er gelegen is in de bekentenis van den eenigen Naam, die onder den hemel tot zaligheid gegeven werd. Daarom is hare eere van haar weggenomen en deelt ook Gods sacrament in de verachting, die over haar uitgestort is. Zij heeft vele jaren lang beslist geweigerd eenige tucht te oefenen, geweigerd om leer of leven lastig te vallen met apostolisch vermaan, opdat toch niemand zou worden afgestooten en de vrucht van dat alles is geweest, dat uit de volkskerk hoe langer hoe meer het volk terugweek. Vele duizenden hebben de laatste banden, die hen krachtens opvoeding aan haar bonden, verbroken en zijn ondergegaan in den grooten stroom . der verwereldlijking. Zij vinden in de kerk niets meer, dat hen aantrekt, niets dat hen bekoort, om van bevrediging niet te spreken. En men moet zich niet voorstellen, dat die allen goddeloozen en ongeloovigen en heidenen zijn, onverschilligen, die alles verwerpen. Ongetwijfeld zulken zijn er bij, maar er zijn er ook velen onder van wie zulks allerminst gezegd kan worden. Er zijn onder ernstige en nadenkende menschen zoowel ter linker als ter rechterzijde, die met de kerk gebroken hebben, omdat de kerk brak met haar eigen roeping, omdat zij hare eere prijs gaf en dien ten gevolge niet tegemoet kwam aan de diepe levensnooden, die in breede kringen, die als wereldsch bekend staan, toch ook wel worden gevoeld. Een volkskerk, waarbij alles op het uiterlijke is aangelegd, op groote getallen van leden, op groote eere en aanzien, boet tegelijker tijd haar innerlijke kracht in. Zij kan niet eens de massa bereiken, die zij begeerd heeft, mist zelfs het geld voor het allernoodigste, ondanks de groote massa der bezitters, die zich bij haar aansloot. Zij heeft ook met het sacrament des Doops gehandeld op een wijze zoo lichtvaardig, dat voor vele duizenden in haar alle sacramentsbesef daarin is ondergegaan. Dat de sacramenten ontheiligd worden heeft haar niet gedeerd. Onaandoenlijk heeft zij nedergezeten, ingenomen met zichzelve als de vaderlandsche kerk, als de volkskerk, wier dienaren naar beweerd wordt men graag ontving, die alle deuren opende en het heeft alles ten slotte maar eene vrucht gehad, namelijk dat het woord van de Catechismus bevestigd is, dat de toorn Gods over de gansche gemeente is ontstoken. Dat heeft de kerk ervaren, ervaart zij nu nog en zal zij in de toekomst nog veel meer ervaren moeten. De Heere geeft Zijne eer aan geen ander en tenzij zij wederkeere tot zijn getuigenis, zij zal geen dageraad hebben.

Het besef van het sacramenteele in den Doop is echter niet alleen te loor gegaan in den breeden kring, die van, de christelijke religie hoe langer hoe meer vervreemdt, ook in de kringen der belijders ging het begrip der beteekenis des Doops vrijwel geheel onder. Er zijn er maar zeer weinigen in wier geestelijk leven de Doop beteekenis heeft, die zich er inderdaad van bewust zijn, dat de Doop, dien zij ontvingen nog iets anders is dan een looze plechtigheid, waarvan zij in hunne prille jeugd het voorwerp waren. Zelfs zijn er, die geen vreemdelingen zijn aan geestelijke worstelingen en zich nochtans niet herinneren, dat zij ooit iets aan hun doop hebben gehad. Nu hangt dat voor een eel zeker samen met het feit, dat zij ons reeds in de prille jeugd wordt toegediend in dagen, waarvan wij geene heugenis hebben. Maar toch behoeft dit aan de waarde van het sacrament niet te kort te doen. Integendeel daarin is juist een blijvende kracht van heel het leven gegeven. De secten, die den kinderdoop verwerpen hebben daarmede eigenlijk prijsgegeven de zich over de geslachten uitstrekkende bondsgenade, de erkenning van reeds krachtens geboorte te behooren tot Gods gemeente, krachtens geboorte dan uit ouders, die ook reeds tot de gemeente God behoorden. Toch is er in dat ons door den doop verklaarde feit op zichzelf reeds een geestelijke gave ons geschonken. Voor het natuurlijke leven is het van gewicht, dat iemand door geboorte tot een adellijk geslacht behoort. Hoe democratisch onze tijd ook mag zijn, uit de oude geslachten heeft deze democratische stroom toch niet de noblesse kunnen wegvagen. Onder onze mannen van adel zijn er dan ook, wier uiterlijk en voorkomen, wier manieren en gedragingen den edelman verraden. En maar zelden kan een burgermanskind, hoe hoog hij ook in de wereld opklimmen moge, daarmede op een lijn worden gesteld. De edelman, die zich dan ook overeenkomstig zijne waardigheid gedraagt en toont van de roeping besef te hebben, die uit zijne hooge geboorte voortkomt, verdient dien overeenkomstig geëerbiedigd te worden. Hij voert zijn wapen met eere en kan krachtens de positie, die hij inneemt, veel doen in het waarachtig belang van het volk. In onze alles gladstrijkende tijden mag daarop wel eens de aandacht gevestigd worden. Maar zoo is dat nu ook op geestelijk gebied met den doop. Wij krijgen hem door onze ouders reeds bij de geboorte mede in het leven als een wapen, dat ons herinnert aan onzen oorsprong uit een geestelijk geslacht. De doop snoert ons met onze levensroeping aan de voorgeslachten vast en is een teeken van een geestelijke erfenis, die ons van de vaderen toekomt. De menschen kunnen hun doop wel verachten, maar van de roeping, die daardoor van de voorgeslachten ons opgelegd wordt, kufinen zij zich toch niet losmaken. Als zoodanig ligt er dus voor elk natuurlijk mensch, die gedoopt werd toch reeds eene verantwoordelijkheid in opgesloten, waarvan hij zich niet kan vrijpleiten. Van uit de voorgeslachten komt er eene prediking door tot hem, wordt daardoor een stempel op hem gezet. Zooals hij een , naam zijns geslachts heeft geërfd, zoo heeft hij ook de geestelijke roepiug van zijn geslacht ontvangen. Wil hij die verwerpen, het is zijn zaak, maar de roeping zelve blijft er niet te minder om.

Voor wie zich bij de gemeente blijft scharen, is de klem des doops nog veel nadrukkelijker. Wie met de gemeente breekt en zijn doop verwerpt, zijne conscientie wordt er, helaas, maar al te zeer voor afgestompt.' Maar wie van de gemeente niet kan loskomen tot zijne conscientie spreekt het doopsel des te krachtiger. Voortdurend wordt hij er door herinnerd aan zijn geestelijken oorsprong, aan zijne roeping om het geestelijk geslacht, waaruit hij sproot, nu ook in eigen geestelijk leven te doen uitkomen. Hij wordt er door geroepen de kenmerken van dat geestelijk geslacht te vertoonen. Uit den doop komt tot hem de roeping om dien doop te beleven.

Hetgeen door het sacrament wordt uitgebeeld zal in hem verwerkelijkt moeten worden. Het bad der wedergeboorte zal hij moeten ingaan. Hij zal begraven moeten worden door den doop in den dood van Christus om nu ook door het geloof der werking Gods met Hem te worden opgewekt. En in dien weg nu wordt de kamp geboren om eigen doop te mogen beleven, terwijl in die worsreling de doop zelve ook weder een steunpunt wordt. Immers, dit is het schoone in de gave van het sacrament des doops, dat het kind des Heeren er een onderpand van zijnen God in heeft, waarop het zich zelfs bij Hem beroepen mag als hij pleitende is om genade te mogen ontvangen. Wie geworpen wordt in den maalstroom van de vreeze, die opkomt zoodra het licht van Gods Geest over zijne zonde opgaat, wie geslingerd wordt door den twijfel of er voor zulk een zondaar wel ooit vergeving zal mogelijk zijn, wie huivert bij de gedachte, dat hij wellicht nooit zal komen tot de vrijheid en de blijheid, die gegeven is in de zekerheid van het kindschap Gods, voor dien kan de doop een pleitgrond worden in zijne gebedsworsteling. Hij mag er zich op beroepen voor Gods aangezicht, en zeggen: Heere, Gij hebt het mij toch beloofd in het heilig doopsel, dat op mijn voorhoofd werd gesprenkeld, dat ik zóó zekerlijk met het bloed en den Geest van Christus van al mijne zonden gewasschen ben, als ik uitwendig met het doopwater gewasschen ben. Daarop mag gepleit om het nu ook daadwerkelijk te mogen doorleven. Zoo is er dus in het sacrament des doops een instrument ons gegeven, waartoe geduriglijk, telkens opnieuw de toevlucht mag genomen worden om de groote daden van Gods genade den Heere zelven voor te leggen.

Het behoeft zeker nu geen nader betoog, welk een groote beteekenis dus in den ver­ borgen omgang met den Middelaar in het sacrament van den Doop is gelegen Het kan dan ook niet worden ontkend, dat wij aan eigen geestelijk leven een groote schade berokkenen door ons zoo weinig rekenschap te geven van hetgeen de Heere zelf ons schonk en van onze prille jeugd aan ons reeds medegaf op onzen levensweg. Het blijkt maar al te duidelijk, hoe wij ons zelven berooven van de rechten, die God zelf ons schonk. Hij bereidde ons den heiligen Doop, als een zegel en pand van de afwassching der zonden door Jezus Christus, van onze aanneming tot kinderen. Wij mogen er te midden van allen geestelijken strijd telkens weder op terugzien als op een verbondsdaad Gods, die ons alle weldaden, die Hij aan zijn volk gegeven heeft, deelachtig maakt door de werking zijns Geestes. De Doop herinnert ons aan Gods daden, maar daarom^ ook tevens aan de heilige roeping, waarmede wij geroepen zijn. Het mag nimmer worden voorbijgezien, dat uit de gaven Gods voor .ons altijd eene nieuwe roeping voortvloeit. De strekking van alle genadedaad, die de Heere aan zijn volk doet, is nooit dat volk op zichzelf beschouwd zalig te maken. Gods genade doelt immer op de verheerlijking van zijn eigen goddelijk Wezen. De stroom zijner goddelijke liefde verloopt niet in het zand onzer zonde, maar zooals zij uit zijn eeuwig Wezen is opgeweld, zoo keert zij ook tot Hem weder. Hij heeft zijne kinderen uitverkoren, opdat zij onberispelijk zijn voor God in de liefde. En zoo is ook het doopszegel eenerzijds een waarteeken van Gods genade, maar ook anderiijds een teeken, dat ons altijd weder leert op te zien tot God, met onzen levensdrang ons te keeren tot Hem. Daarom staat dan ook in ons doopsformulier, dat de Doop ons ook vermaant en verplicht tot eene nieuwe gehoorzaamheid. Hij wijst ons voortdurend af van ons zelven naar den Middelaar Gods en der menschen, naar het Lam, dat geslacht is en ons Gode gekocht met zijn bloed. Hij is een blijvend onderpand van de, oneindige, wondere liefde des Heeren, die de belofte waarmaakt, dat Hij tot zevenmaal zeventigmalen vergeeft. Uit den doop komt de vrijmoedigheid des gelopfs op om altijd weder op nieuw met al wat ons drukt en kwelt toe te gaan tot den troon der genade. In den doop zegt de Heere tot ons in alle onze levensnooden, dat wij volkomenlijk hopen zullen op de genade, die ons toegebracht wordt in de openbaring van onzen Heere Jezus Christus.

Hoe dwaas is het dan gedachteloos voorbij te gaan te gaan aan dit verbondszegel Gods, te vergeten, dat de Heere daardoor over ons gansche leven laat uitgaan het bazuingeschal van zijne eeuwige liefde, dat Hij daardoor ons roept tot zijne gemeenschap in het Avondmaal des grooten Gods.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 oktober 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 oktober 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's