Stichtelijke overdenking.
Psalm 13.
De toon der liederen in onzen bijbel is zeer verschillend. Aandoenlijke klachten wisselen met hooggestemde lofliederen; doch dikwijls vangt een lied aan met lagen toon en eindigt zeer hoog. In de diepste wegen schikt ongehoudene goedheid Gods de zaligste uitkomsten.
Dezer dagen is de morgen nevelig. Is niet daarom 't zonlicht op den dag te vriendelijker voor ons oog? Allen, die bange nachten doorleefden weten er van, dat nimmer de dag lieflijker aanlichtte dan juist nè zulke nachten.
Psalm 13 is een lied, waarin ge iets merkt van een storm in 't gemoed, maar ge ook ziet, hoe het stil wordt daar binnen.
Luctor et emergo (ik worstel en kom het te boven!) is in menigen psalm te zien; bizonder in dezen.
Mijn lezer, gij hebt immers gehoord, hoe er gezocht wordt, door allerlei middelen de zaken zonder den Heere en buiten Hem om terecht te brengen en men nog allerlei „steensoorten" (zeg stelsels) gebruikt en fabriceert om Babels toren te bouwen, die tot den hemel reiken moet, en dat men zonder de Jacobsladder zoekt op te klimmen en binnen te komen.
Gij hebt evenwel ook door den mond van apostel en profeet — want zij spreken als uit éénen mond — vernomen, dat dat nu eenmaal niet gaat. 't Moet langs de ladder gaan en dan van sport tot sport; van geloof tot geloof; en dan is er voor Israël hope, goede hope om boven te komen; 't gaat soms langzaam, maar 't gaat, omdat de Heere boven op dezelve staat (Gen. 28 : 13a.)
Wij zien David den ladder Jacobs beklimmen en wij zien hem boven komen.
Hij vangt aan met klachten, gaat over in gebed en eindigt in hartelijke belijdenis.
Hij heeft zich in kinderlijke vrijmoedigheid te beklagen over den Heere, over zich zelven en over zijne vijanden; ook zijn gebed heeft drie deelen, hij begeert n.l. dat de Heere hem aanschouwe, dat hij niet in den dood ontslape, en zijne vijanden zich niet mogen beroemen; eveneens is zijne belijdenis drieledig; hij spreekt zijn vertrouwen op den Heere uit, verklaart blijdschap in Gods heil en looft reeds den Heere voor Zijne gunst.
Wel is 't opgemerkt, reeds voor eeuwen, dat een geloovig hart God e dankoffert, ook als het in 't geloof een zaak omhelzen mag, schoon die zaak nog niet dadelijk is ontvangen.
Deze psalm dateert denkelijk uit den tijd der vervolging door Saul, doch heeft zijne beteekenis niet verloren; de schatkamer van Gods openbaring houdt haie beteekenis, zoolang er in de woestijn een volk rondwandelt, en soms moê en moedeloos dwaalt.
Als ge voor den naam van den dichter uw eigen naam mocht zetten; voor de vijanden; zonde, wereld, eigen broeders of vrienden (I) moet invullen; als genade dit lied in, 't boek onzer levenservaring schreef, en wij midden in dezen psalm terecht kwamen, dan zal niet alleen nood en treurigheid en gebed, maar ook geloofsroem uit dit lied ons niet onbekend blijven en zullen we zeggen: deze psalm is mijn psalm, 't Begint op de onderste sporten met klachten. Gij houdt daar niet van waarschijnlijk. Nu, ik ook niet. Maar 't komt er toe en moet er toe komen en komt er telkens weer toe, door genade des H. Geestes, bij alle volk, dat met de rechte theorie midden in de practijk des levens komt.
De gezalfde des Heeren meent, dat God hem vergeet, hem steeds vergeet, hem al lang vergeten heeft en 't misschien nog lang kan duren. Hoelang (te lang? ) Heere, zal dit nog zoo doorgaan, dit vergeten ? Ja erger nog: hoelang zult Gij Uw aangezicht voor mij verbergen? Iemand „vergeten" kan bij ons menschen uit achteloosheid voorkomen, maar 't aangezicht van iemand afwenden stelt opzet; 't eene kan uit geringschatting zijn, 't andere uit afkeerigheid en wijst op toorn of zekere gestoordheid.
't Kan u zoo pijn doen, indien iemand, dien gij liefhebt en hoogacht op u niet acht en uwe vriendschap verwaarloost; is er bepaald onwelwillendheid dan smart u dat dieper.
En als dat dan lang duurt dan krenkt het u, totdat gij ook in onverschilligheid tegenover dien persoon heengaat en wordt lichtelijk een bediller en kwaadspreker van uw vroegeren vriend.
David kan dat zoo niet langer uithouden. Zou de Heere Hem overgeven ? Zou Hij niets meer van hem willen weten? Zou Hij geen acht meer op hem slaan en naar hem omzien? 't Duurde zoolang.
Dat de Heere 't geroep Zijner ellendigen niet vergeet en al klaagt Zion: de Heere heeft mij verlaten. Hij heeft mijner vergeten, de Heere toch niet vergeetachtig is en Zijn rvolk in bei „Zijne handpalmen gegraveerd heeft, " weet hij wel. Ook is het hem bekend, dat de Heere soms Zijn eigen werk toetst, de oprechtheid beproeft „om te weten wat er in het harte is" en al dergelijke wijze redenen. Maar als er duisternis over den weg en vervreemding schijnt in 't harte, omdat er geene ervaringen in 't gevoelen zijn van i's Heeren gunst, dan kan een oprechte ziele zich niet met een paar teksten helpen doch heeft de getuigenis van Gods Geest noodig, die haar opwekt en vat geeft aan de waarheid in haar geval en de reéhte toepassing in dadelijken nood.
't Is toch vaak, alsof de Heere Zijne liefste kinderen 't meest vergeet en hen in den jammerlijksten toestand laat zitten. Wij weten, dat zoo de handeling des AUerhoogsten is, opdat Hij hen van Zijne wegen leere, in lijdzaamheid oefene en het lijden, naar den wille Gods, tot een wapenbroeder make van 't geloof in den levensstrijd.
Kruis en aanvechting moeten hun werk doen, om vooral den ijver te ontsteken en heilige begeerte te doen uitgaan naar God en Zijne goedheid. David mist, als menige ziele, de blijken van 's Heeren gunst en toegenegenheid in den weg en de getuigenissen daarvan in zijn harte. Och: als Hij mij eens verlaatI Als Zijn toorn op mij ligt! Wee! mijner, als Hij van mij zal geweken zijn!
Heb ik soms nog in de bestiering Gods eenige bemoediging, dan gaat het; doch, als Hij Zijn aangezicht verbergt, wie zal Hem aanschouwen, zoowel voor een volk, als voor een eenig mensch? (Job.)
Ze hebben geklaagd, den Job's en Jeremia's en ze hebben gevraagd: Hoelange? en: Waarom? En ze klagen nog door — want daar is gedurig allerlei oorzaak ; — maar zoeken voor voor hunne klachten 't rechte oor, dat zich neigt tot het gebed „desgenen die gansch ontbloot is."
Als 't goede zaad op uw akkertje niet opkomt of weinig groeit, dan tiert het onkruid te weliger. Uit de bewustheid van zonde, van diepe onwaardigheid, uit de overtuiging van 's Heeren gerechtigheid komen overleggingen op, die 't harte geweld aandoen en de hope doen verkwijnen; totdat het weer komen mag tot het rechte klagen, klagen over den Heere, doch bij Hem zelven.
Een kind heeft somtijds, naar het meent, te klagen over vader of moeder; doch wat kind beklaagt zich bij een' vreemde of bij een' vijand des huizes?
Dat doet geen kind. Laat een vreemde eens iets ongunstigs zeggen, gij merkt spoedig, dat 't kind het voor vader opneemt, al ware er iets berispelijks in zijn houding of gedrag.
Had dan ook een vijand kwaad van 's Heeren wegen gesproken, David zou op 't zelfde oogenblik, als verdediger zijn opgetreden, want David was kind, en daarom klaagt hij bij den Heere.
Hoelang zult Gij Uw aangezicht verbergen voor mij, die het toch zonder u niet stellen kan. Mijn last is zoo zwaar! Ik heb bij mij zelven alle middelen overdacht en U laat mij „raadslagen voornemen in mgne ziele", alles wikken en wegen en overal uitkomsten zoeken, doch mij breekt alles bij de handen af „En droefenis is'in mijn harte, bij dag", eiken dag, en bij dag, als in gewone omstandigheden zelfs het daglicht en de dagelij ksehe zorgen iets van mijne klachten scheen il'èg' te' niemén, thans is hét anders. Ik bén uitgestudeerd en moê gepeinsd.... En dan komt daar nog bij, dat Gij, Heere aan de zijde mijner vijanden schijnt te staan en hen helpt. Zg worden geweldiger, „gaan de inbeeldingen huns harten te boven"; zij hebben 't hooge woord, „hun tong wandelt op de aarde" (Ps. 73). Hoelang zal mijn vijand over mij verhoogd zijn? Het geweld bedekt hem als een gewaad!
Zij krijgen de overhand! Ik lig onder, Heere!
Laat die vijand Saul en zijn volk zijn; laat het Filistijn of Absalom wezen, maar achter dat alles staat een God, die mij vergeet en Zijn aangezicht van mij afhoudt; daarom is mij bange.
Het ontbreekt niet aan toestanden, waarin de macht des vijands, laat dit overheerschende begeerlijkheid, laat dit kracht der verdorvenheid, laat dit moeiten zijn van lotsbedeeling, raadselen in 's Heeren wereldbestuur, 't ontbreekt niet aan toestanden, waarin de „ vijand" zich verheft en macht op ons krijgt en 't harte wegtrekt onder genade-heerschappij.
Dan kwellen we ons met bezorgdheden en zien reeds „den vijand op ons hoofd rijden"; dan beginnen we te klagen, dewijl we gelooven, dat de Heere sterker is, dan alle macht des vijands en als dus Zijne gunst maar tot ons mag keeren, dan is 't met den tegenstand en de moedeloosheid uit; als gij mijn hart verruimt, komt alles te recht. Uw aangezicht is toch tegen degenen, die kwaad doen om hunne gedachtenis van de aarde uit te roeien.
Hoe machtiger dan de vijanden zijn, hoe dringender op den Heere aangehouden in nooden! en straks ontwaakt de Geest des gebeds en de nevelen vlieden voor het vriendelijk licht van Gods aangezicht.
En wat zegt nu de wereld van zoo'n klagenden geloovige ? Wel zij vraagt: is dat een kind?
En hoe oordeelt een uitwendig belijder? ('k Bedoel een mensch, wiens Christendom bestaat in de kennis van wat bijbelteksten. Hij vindt het erg ongeloovig van dien David; hij moest niet klagen, want in den Bijbel staat die tekst en daarmee uit. De rechte ervaring verstaat zijne diepe moedeloosheid, en al die vraagteekens in deze eerste verzen en spreekt: Ook in mijn Ievensboek klachten en vraagteekens, maar tevens getuigenis, dat de Heere op het noodgeschrei Zijns volk wonderen doet en als de nood op 't hoogst is — niet eerder — dan is de redding nabij!
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 oktober 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 oktober 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's